We minden als giganten

Connie Palmen kruipt in de huid van Ted Hughes, ex van Sylvia Plath

Connie Palmen is niet de eerste die een roman schreef over Sylvia Plath en Ted Hughes. Sinds de Amerikaanse dichteres in 1963 zelfmoord pleegde nadat de Engelse dichter haar had verlaten voor een andere vrouw, zijn er over het paar tientallen, vooral Engelse en Amerikaanse boeken verschenen. Na haar dood liet Plath een stapel briljante boze gedichten achter, één roman ('De glazen stolp'), twee kleine kinderen. Plus dus haar ex Ted Hughes, die vanaf dat moment de 'male lead' in haar levensdrama zou blijven, zoals hij 35 jaar later sardonisch zou dichten in zijn aan Plath gewijde dichtbundel 'Verjaardagsbrieven'.

Plath Fantasia, zo doopte Hughes zelf ooit die wildgroei aan studies over zijn eerste vrouw en hun huwelijk. De boekenstroom startte begin jaren zeventig van de vorige eeuw en duurt nu, alweer zeventien jaar nadat ook Hughes overleed, nog steeds voort. Als elkaar zoekende, verdoemde, dolende geesten winnen wijlen Plath en Hughes het anno 2015 met gemak van fictieve liefdesparen als Cathy en Heathcliff of Anna Karenina en Graaf Vronski. Plath en Hughes hebben wel écht bestaan, tenslotte.

Hun geschiedenis is bovendien een moderne liefdesgeschiedenis, een die na Plaths zelfmoord wel begon als het stereotype verhaal van slachtoffer (de bedrogen Plath) en dader (de overspelige Hughes) maar die later steeds eigentijdser vormen kreeg: het verhaal van een fatale liefde tussen twee gelijken, rivalen ook.

Schrijfster Connie Palmen laat het Sylvia gelukzalig verzuchten ergens op de hei bij Heptonstall in Yorkshire, waar ze rondstruinen tijdens haar eerste logeerpartij bij zijn ouders. Plath heeft net 'Wuthering Heights' gelezen en is, volledig in de ban, direct weer opnieuw begonnen, zo merkt Ted op. "Ik bén Heathcliff, citeerde ze met schitterende ogen haar romantische heldin, en ik beaamde het glimlachend, zei: 'Ja, jij bent Heathcliff, ik ben Heathcliff."

En nu is er dus deze nieuwe roman 'Jij zegt het', waarin Palmen in de huid kruipt van Ted Hughes, de 'jailer', de 'rabbit catcher', de 'vampire', zoals Plath hem doopte in haar poëzie. Natuurlijk kiest Palmen, de overlever, niet voor Plath maar voor het perspectief van Hughes, de donkere, viriele, zwijgzame natuurdichter; de man die twee vrouwen aan zelfmoord verloor - zijn minnares imiteerde vijf jaar later Plaths daad - en die toch, tegen het einde, zijn dichterlijke stem hervond.

Palmen laat Hughes in een meeslepende monoloog terugkijken op zijn eerste huwelijk. Van eerste kennismaking op een jazzy literair feestje in Cambridge waar hij tussen 'de mij al te vertrouwde bleke Engelse vrouwen' 'een langbenige godin' ziet verschijnen, tot aan hun laatste ontmoeting in Londen, als Sylvia twee dagen voor haar dood ongenaakbaar de door de post per abuis te vroeg bij Ted bezorgde afscheidsbrief verscheurt, beweert dat er niets aan de hand is, en hem koeltjes weer de deur uitstuurt.

Daartussen vinden we het uit dagboeken, biografieën, brieven en gedichten opgediepte liefdesverhaal, en ook in deze deels fictieve Palmeneske versie is het weer hemeltergend.

De 'ik' verhaalt over de verzengende hartstocht in het begin ("we minden als giganten, bijtend en gulzig" klinkt het zeer Palmenesk). Hij roemt de idyllische versmelting van de twee elkaar ondersteunende dichters: "Hoe ze in het strijklicht van een schaarse lamp, de lange rug kaarsrecht, achter de piano van de taal ons werk uittikt, haar gevleugelde vingers dansend op de toetsen, onvoorstelbaar snel, de tikken als een regenbui op een rieten dak."

Dan verschijnen de eerste scheuren in de relatie door Sylvia's humeurigheid en depressies, haar gierende onzekerheid, haar tomeloze ambitie, jaloezie, venijn. Hughes' vrienden en zus noemen die zijn Amerikaanse bruid geëxalteerd vinden 'een kwetterend exorbitant wezen, het prototype van schijn en gemaaktheid, dweperig, in alles overdreven'. Hij beschrijft zijn toenemend gevoel van verstikking, zijn drang om uit Plaths 'glazen stolp' te ontsnappen. De verleiding van de andere vrouw, "de exotische koningin van de nacht, met haar rammelende armbanden[...] de donkerbruine hese stem met een onweerstaanbaar zweempje Duits rondom de gutturalen."

Aardig eenzijdig is deze monoloog, maar fascinerend is dit rijk gedetailleerde verslag evengoed, ook voor kenners, al is niet alles even geslaagd. Soms is de taal gekunsteld, zoals in Hughes' reactie op Plaths lacherige verslag van een eerder ondergane elektroshocktherapie: "Met de geur van verbrand vlees in mijn neus -mijn arm kind, mijn meisje - kuste ik de toppen van mijn vingers en legde ze op de aanhalingstekens van haar drama." Maar Palmen vindt ook mooi heldere formuleringen die je doen vergeten dat hier niet echt de dichter zelf aan het woord is. Zoals wanneer Ted beschrijft hoe het was om achteraf Sylvia's dagboek te lezen: "Ik heb nooit aan iemand kunnen uitleggen hoe onheilspellend dat is. De gevangene van een verwrongen perspectief, onbegrepen, mijn daden verkeerd geduid, en ik ontmoette haar opnieuw, wrokkig wantrouwig en stoutmoedig."

Vereenzelvigt Palmen zich teveel met dit paar? De verhouding leerling en leermeester herinnert aan haar roman 'De Wetten', de symbiotische liefde aan 'I.M.', het destructieve huwelijk aan haar roman 'Lucifer'. Toch zijn dat allemaal zijsporen, want de schrijfster lijkt eigenlijk te doelen op het belang van de hoogstpersoonlijke biecht, 'de expressie van het ware zelf', ook een van Hughes' stokpaardjes.

Het motto van 'Jij zegt het' komt uit een van Hughes' brieven: "Het echte mysterie schuilt in die vreemde drang om iets te willen delen. (...) Maar misschien als je niet die drang tot confessie hebt is er geen gedicht, niet eens een verhaal, niet eens een schrijver." Hughes zweeg 35 jaar, tot hij zich in zijn dichtbundel 'Verjaardagsbrieven' eindelijk uitsprak. In navolging van zijn dan al lang overleden vrouw leerde hij 'ik' te zeggen, zo laat Palmen hem hier besluiten: "En ik, die zo lang de vijand was van het onthullendste woord uit de taal (...) volgde haar naar buiten, en ik zei het, ik."

Het is die verlossende daad - waarin we ook Connie Palmens eigen 'strijd' herkennen - die dit verhaal over de lang ongrijpbare dichter roerend afsluit, maar het ook erg netjes rond maakt. En dat is meteen de kracht en de zwakte van deze hoe dan ook rijke, verbeeldingsvolle 'faction'. Blijft er bij de confessionele poëzie van zowel Plath als Hughes altijd alles te raden over, na lezing van 'Jij zegt het' heb je even het idee dat je zíjn hele verhaal nu kent.

Connie Palmen: Jij zegt het. Prometheus; 267 blz. euro 19,95

Dan verschijnen de eerste scheuren. Door Sylvia's humeurigheid en depressies, haar jaloezie, achterdocht, venijn

Soms herken je in het boek Connie Palmens eigen strijd.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden