'We hebben wel wat teweeggebracht'

Soms verschijnt er een zweem van vocht in de ooghoeken van de bondscoach van Oranje. Als hij na het bereiken van de WK-finale zegt dat dit bijna niet te bevatten is. Als hij, met een lichte trilling in de stem, zegt dat dit niet niks, of nee, geweldig is: na 32 jaar weer in de finale, met zo’n klein land.

Maar Bert van Marwijk zou Bert van Marwijk niet zijn als hij zichzelf aan het eind van een opnieuw bejubelde avond in Kaapstad weer niet snel onder controle heeft. Ook na de 3-2 zege op Uruguay, de zesde achtereenvolgende op dit WK, steekt hij zijn gebruikelijke verhaal af. Over de mentaliteit die hij heeft willen creëren: niet te snel tevreden zijn. Daarmee is het feitelijk samen te vatten.

Maar is het hem kwalijk te nemen dat hij toch elke keer maar weer uitgebreid wil stilstaan bij dat proces van twee jaar, sinds zijn aantreden in 2008? Dat hij iets wat ooit begon met een afspraak tussen spelers en coach in stilte, nu als het ware met de wereld, althans met de voetbalbevolking daarvan, wil delen? Het ís toch intrigerend zo niet bijna onwerkelijk?

Van Marwijk wilde breken met slechte Nederlandse gewoonten, wat velen voor hem vroeg of laat niet gelukt was. Een mindere dag op een toernooi moest nu eens worden overleefd, en zie: in de kwartfinale ontworstelde Oranje zich aanvankelijk met hangen en wurgen aan de suprematie van Brazilië en in de halve finale tegen Uruguay daalde de ploeg opnieuw zonder nadelige gevolgen herhaaldelijk af naar een zorgwekkend om niet te zeggen feitelijk onaanvaardbaar niveau.

Dat is koel geanalyseerd. Er mag nu ruimte zijn voor emoties, voor weidsere bespiegelingen ook. Kijk hem daar ná de persconferentie staan, Bert van Marwijk, de ongekunstelde import-Limburger: handen in de zakken, nonchalant tegen een pilaar geleund. Wéér kijkt hij eerst naar het geheel. „We hebben wel wat teweeggebracht”, mompelt hij wat voor zich uit. Van Marwijk doelt op de euforie in Nederland. „Het is jammer dat we daar niets van meekrijgen”, zegt hij. „Aan de andere kant is het maar goed ook. Het heeft ons in het verleden te vaak slecht beïnvloed.”

Ook dat is met een brede blik bekeken, zoals het een coach betaamt. Maar kijk hem hier in engere zin staan: juist hij, die bijvoorbeeld nooit een topclub trainde, is nu toegetreden tot de eregalerij van coaches die Oranje naar een WK-finale leidden. Denkbeeldig flankeert hij Rinus Michels en Ernst Happel, de goeroes van de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw. Nu glinsteren zijn ogen. „In de laatste minuten van de wedstrijd kwam dat besef wel boven”, zegt Van Marwijk. Op de namen van zijn illustere voorgangers gaat hij nog niet in. Misschien durft hij dat wel niet, uit respect – of uit onverminderde bescheidenheid. Hij wil en mag er nog niet aan denken dat hij twee van de grootste trainers uit de voetbalhistorie zondag kan overtreffen.

Er is uiteraard gesproken over 1974, die onuitwisbare herinnering uit een ander, onvergelijkbaar tijdsgewricht – uit de tijd ook dat Van Marwijk zelf voetbalde, als een grillige vleugelspits nog die deed en liet wat hij wilde. Het Oranje van Johan Cruijff, zijn idool, betoverde de wereld met zijn totaalvoetbal. Vooral daarop baseren romantici sindsdien hun opvatting dat door schoonheid herinnerd te worden mooier kan zijn dan winnen. Van Marwijk is in Zuid-Afrika al vaker aangesproken op het slechts bij vlagen vloeiende spel van zijn Oranje. Het lijkt er dan vaak op of een voetbalwedstrijd wordt beoordeeld alsof het een theatervoorstelling is, alsof het altijd en aanhoudend mooi kan en moet zijn.

De bondscoach heeft zich verdedigd, voor zover dat nodig was, met een verwijzing naar de ontwikkeling van het voetbal. Het spel is bijna onmetelijk veel sneller geworden, spelers benaderen een maximale fitheid en de ruimtes waarin ze elkaar moeten bekampen zijn kleiner en kleiner. Kijk de beelden terug van het WK 1974 en zie, met alle respect, hoeveel ruimte er was en hoe traag soms het spel verliep. Als je een heel grove lijn over de eeuwwisseling heen trekt, kun je stellen dat in de jaren zeventig verdedigers ook aanvallers konden zijn en dat nu aanvallers ook verdedigers moeten zijn.

Wie een eigentijdse vorm van totaalvoetbal wil spelen, moet nu misschien wel in eerste instantie óók achteruit kunnen denken. Van Marwijk wordt er niet moe van Barcelona ten voorbeeld te stellen. Als liefhebber van het kunstzinnige Spaanse voetbal heeft hij dan óók de bereidheid voor ogen van grote voetballers als Messi en Iniesta om onmiddellijk mee te werken om een verspeelde bal te heroveren. Dat heeft hij van meet af aan ook de spelers van Oranje voorgehouden. Van Marwijk heeft hen, in zijn woorden, geleerd als team te verdedigen. In Zuid-Afrika draagt spits Van Persie ondanks een magere vorm in dit opzicht zijn steentje bij. Sneijder misschien nog het minst, maar daar staat tegenover dat de verre van groots spelende strateeg er bij voortduring in slaagt beslissend te zijn.

Als teamspeler bij uitstek is de nimmer versagende Kuijt van grote waarde. Ook dat is weer een zoete constatering voor Van Marwijk, die de allrounder als minst geraffineerde aanvaller bewust handhaafde, ook toen – hoe lang is het alweer geleden? – een lobby voor de ’ grote vier’ losbarstte, die ten koste van Kuijt had moeten gaan. Ook daarmee droeg Van Marwijk bij aan de eendracht die binnen Oranje is ontstaan. Zijn team zal niet voortleven, zoals dat van 1974, door de stijl van voetballen, maar het zou zich in de geheugens kunnen vestigen vanwege de saamhorigheid en de lotsverbondenheid – en dat in het tijdvak van de individualisering.

Wie dat overdenkt kan, al staat hij als de nuchterste trainer te boek, niet alle oogvocht meer bedwingen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden