Review

We hebben ook tweederangs dichters nodig

In tegenstelling tot wat vaak wordt beweerd, valt er over smaak eindeloos te twisten. Toch zijn de meeste poëzielezers het in grote lijnen wel eens over een bepaalde rangorde in de dichtkunst.

Zo zal geen zinnig mens beweren dat Sjoerd Kuyper, van wie recent de bundel 'Het lied dat mijn moeder zong' verscheen, als dichter ook maar in de schaduw kan staan van bijvoorbeeld Rilke of Pessoa, of van onze eigen Nijhoff of Achterberg. Nou goed, dat zijn dan ook dode literaire reuzen. Hij haalt echter evenmin het niveau van (bijna-)generatiegenoten als Esther Jansma, Tonnus Oosterhoff of K. Michel. Kuyper mag als kinderboekenschrijver zijn strepen en Griffels volkomen terecht verdiend hebben, maar als dichter van volwassenenpoëzie is hij tweederangs.

Daar is trouwens populair gezegd niets mis mee. Ik herinner me een essay van Herman de Coninck waarin hij een warm pleidooi houdt voor tweederangs dichters. Zijn betoog komt er onder meer op neer dat zij de humus vormen waaruit de echt goede dichters kunnen opbloeien en waartegen hun werk ook als eersterangs kan afsteken.

Eersterangs dichters kegelen je vaak omver. Dit laatste overkomt je bij de tweederangs dichter zelden. Hij bevestigt je veeleer in wat je al wist en wat je, als het goed is gedaan, met graagte dan wel weemoed herkent. Menig eersterangs kunstenaar heeft zich overigens door kunstbroeders van de tweede of zelfs derde garnituur laten inspireren. Om er eens een andere muze bij te halen: Schubert betrok zijn teksten voor zijn talloze liederen bepaald niet alleen van Goethe; ook het werk van mindere goden als Wilhelm Müller (Winterreise!) of Ludwig Gotthard Theobul Kosegarten (who the..?) heeft hij getoonzet.

Om te laten zien wat goede tweederangs poëzie vermag citeer ik een gedicht uit Kuypers cyclus 'In de uilenvlucht'. De cyclus als geheel is me wat te uitgekauwd en de gedichten zijn nogal ongelijk van toon en kwaliteit, maar het volgende kan er toch alleszins mee door:

,,Wij fietsten naar Egmond,

mijn liefje en ik.

Al in de schemering.

Een bosuil gleed

stiller dan messen

door de zuurstof boven ons,

streek neer aan de rand van de wei

en schikte het bruin

van een boom om zich heen.

En steeds als we dachten: is hij er nog?

schudde hij nee.

En dan zagen we hem.''

In zijn soort een fraai gedicht, en van een elegante eenvoud die Kuyper ongetwijfeld moeizaam en met een grote ambachtelijke inzet op de taal heeft moeten veroveren. De schemerige, rustieke sfeer, de sterke beelden, het quasi-telepathische contact tussen mens en dier aan het slot en het plotseling helder opdoemen van de uil daarbij: alles klopt en valt perfect op zijn plaats. Toch is het geen overrompelend gedicht. Het is eenvoudig wat het is: een knappe en mooie natuurimpressie. Bovendien qua sfeer heel herkenbaar, ook als je nog nooit een uil in de avondschemering bent tegengekomen.

Er staan veel cycli in deze bundel en het overheer-sende thema is dat van de eerste, nog frisse en onuitwisbaar in het geheugen gegrifte jeugdimpressies. In het geval van Kuyper zijn die oerherinneringen onverbreekbaar verbonden met het NoordHollandse landschap, in het bijzonder met de kust: duinen, dijken, de Noordzee. Hij zoekt als volwassene in zijn geheugen, of daadwerkelijk, dat landschap van zijn jeugd telkens weer op: ,,Ik ging terug naar Camperduin / waar ik twee zomers lang / gelukkig was als kind''. Soms vindt hij het kind in hemzelf daadwerkelijk terug: ,,langs de bulderende zee / kwam een kind, het klom de dijk op / en school weg in mij''.

Camperduin, Petten, Bakkum, Texel: de Noord-Hollandse kust komt steeds ruimschoots aan bod. De openingscyclus heet 'Eerste zomer', in de tweede cyclus, 'Gras', is sprake van 'de vroegste zomer'. Kuyper doelt met dat 'eerste' en 'vroegste' niet op de babytijd (wat weten we daar nog van?), maar op zijn herinneringen als kleuter: ,,Ik werd voorgoed geboren / in Berkhout, aan een slootkant. / Ik was vier, vijf misschien''.

Het toeval wil dat ikzelf geboren en getogen ben in een Noord-Hollandse kustplaats en Kuypers oerbeelden dus gemakkelijk kan delen. Toch hoef je de zee nooit gezien te hebben om de navolgende voorstelling van de strandlopertjes (kleine zeevogels), die 'op hun pootjes van riet' razendsnel nét langs de vloedlijn trippelen, te kunnen waarderen: ,,Zo vallen zij samen / met de vloed / en is de branding / van zacht trillend dons''. Een voortreffelijk beeld, zoals er wel meer in deze bundel staan. Over een door zijn kat verschalkte eekhoorn bijvoorbeeld heet het: ,,In mijn handen / stijfselde de dood zijn staart''. Anderzijds glijdt hij in zijn beeldspraak ook weleens flink uit, zoals in deze al te zotte maritieme metafoor: ,,op zoute lakens // gaat een man scheep in een vrouw''.

Wel, een tweederangs dichter dus, met zijn ups en zijn downs. Niettemin zijn die ups vaak de moeite waard. Natuurlijk kunnen Kuypers strandlopertjes en zijn uil volstrekt niet op tegen de roze flamingo uit Rilke's 'Neue Gedichte', waarvan de talige sensualiteit en plastiek je je leven lang bijblijven. Maar wat dan nog? Er valt plezier te beleven aan een aantal van zijn poëtische voorstellingen en (natuur)taferelen. En waarom zou je jezelf dat plezier blasé misgunnen?

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden