Review

We hebben het Sint Nicolaaspak op zolder zien hangen Wij kleden Hem aan op hoop van zegen Franje liever als franje erkennen

Zeker weten, voor wie geen grond meer onder de voeten heeft, zo heet het nieuwe boek van de gereformeerde theoloog H. M. Kuitert dat deze week verschijnt. In zijn voorwoord maakt hij duidelijk dat hij zich richt tot mensen die geen grond meer onder de voeten voelen, maar dat wel graag zouden willen. Het bovenstaande is een voorpublicatie (hoofdstuk 10 1) uit: 'Zeker weten', uitgegeven door Ten Have, Baarn; 160 pagina's, ¿ 29,90.

Waar het in dit laatste deel over zal gaan is de frustratie die we opgelopen hebben toen we onze eigen rol onder ogen moesten zien: alles wat we aan zekerheden hebben, stamt uit onze eigen koker, is door onszelf benoemd als en verheven tot zekerheid. Dat geldt niet alleen voor de routine waarmee we de wisselvalligheden van het bestaan in de hand houden, het heeft ook op het godsdienstig geloof betrekking. God is onze idee, onze hoogst eigen idee. Idee is niet hetzelfde als illusie, zeg ik er voor de zekerheid (!) bij, onzekerheden kunnen ook nog eens door misverstanden aangejaagd worden. Maar dat woordje 'idee' is al erg genoeg in het licht van wat van huis uit de vaste grond van het bestaan was: kennis van God en Zijn werk. Is die kennis nu ineens een idee? Hoe valt dat te combineren met wat gewoonlijk geloof heet, met “zeker weten”?

De frustratie is dus de onmacht, de voorlopige onmacht (zeg ik alvast) om twee dingen tegelijk te doen: te relativeren, onderuit te halen, lijkt het wel en tegelijk vast te houden aan wat je mee kreeg. Het doet mij denken aan een briefje dat ik - lang geleden - van een student uit Wageningen kreeg. Wat u doet, schreef hij, is zoiets als de kinderen meenemen naar de zolder en ze laten zien waar het pak van St. Nicolaas hangt. Maar dan kunnen ze toch niet meer in St. Nicolaas geloven? Als ik eenmaal weet hoe we eraan gekomen zijn, aan het geloof, dan is het voor mij afgelopen, ik kan het dan niet meer serieus nemen.

Een uitstekende vergelijking, ik ben er die student tot op vandaag dankbaar voor, want je kunt niet beter uitleggen wat er aan de hand is, dan met behulp van deze metafoor. Teruggebracht tot wat minder beeldsprakerige taal: wat is waarheid en waarde van onze voorstellingen nog, als die niet herleid kunnen worden tot een zekere basis, tot betonnen ondergrond? Hebben ze nog wel een ondergrond, zweven we niet met voorstellingen en al in de lucht, kun je ze nog wel verdedigen tegenover anderen of is alles van gelijke waarde want even weerloos? Kortom, is waarheid en waarde van de voorstellingen niet zo betrekkelijk gemaakt, dat je er niet meer je zekerheid in kunt verankeren? Moet het geloof niet iets stevigers hebben om zich in te kunnen vastbijten?

Dat zijn inderdaad de vragen. Ik zal de beide laatste delen van het boek besteden aan de beantwoording ervan, natuurlijk onder het beding dat mijn antwoord niet meer is dan wat één mens als paadje in de jungle uithakt. Er zijn anderen die andere wegen willen bewandelen. Dat is geen ramp, de praktijk alleen kan uitmaken of het echte wegen zijn: de wandel maakt tenslotte de weg. De enige randvoorwaarde die we van te voren kunnen aanbrengen is dat we ons wel rekenschap dienen te geven van het omslagpunt waarop we ons bevinden en dat verder gaan in het oude spoor hetzelfde is als het spoor bijster raken: het loopt dood.

Zwemmen, kerel!

Het St. Nicolaaspak hebben zien hangen en toch nog denken dat kinderen dan in St. Nicolaas kunnen geloven? Kom nou, zei de student, dat is een vorm van overvragen. Ik heb een antwoord op zijn probleem.

Ten eerste kan ik die vergelijking gebruiken om te laten zien wat echt niet kan en met welke kluitjes we ons dus niet in het riet moeten laten sturen. Niemand kan over zijn eigen schaduw springen, of - als de baron von Münchhausen - zich aan zijn eigen haren uit het moeras trekken. Ik geloof dus niet in pep-talk, in de oproep om het relativeren nu maar eens te laten voor wat het is en de twijfel voorbij te gaan. Een verlegenheidsoplossing, lijkt mij, zoiets als het dempen van een gat met de aarde die je krijgt door weer een ander gat te graven. Het neemt bovendien de hoorder niet serieus. Je bent bezig als de man die een drenkeling toeroept: “zwemmen, kerel!”, maar dat kon het slachtoffer juist niet. Als de twijfel echt is, de onzekerheden niet gespeeld zijn, het “alles wankelt gevoel” geen modieuze tic, dan helpt stellige taal niet. Het is niet zo dat de waarheid klaar ligt en het enige wat er nog gebeuren moet is dat je mensen zover krijgt dat ze die onderschrijven. Dat is een vergissing. Teveel gelovige mensen, al dan niet ambtsdragers, gaan op die manier met het geloof om. Je hebt de vraag nog niet gesteld, de woorden zijn nog niet droog achter de oren, of je krijgt de antwoorden al, uit voorraad leverbaar. Aangedragen op een schotel, als was het het hoofd van Johannes de Doper.

Maar die waarheid is altijd nog wat de christelijke kerk, temidden van de andere religies, voor waar houdt, zulks bovendien in de versie van een bepaalde confessie en die dan nog eens aan de man gebracht volgens de persoonlijke kijk erop die verkondiger zich heeft eigen gemaakt. Het kan niet anders dan zo, maar het zijn en blijven onze eigen constructies. En al zal ik de laatste zijn om te beweren dat ze dus willekeurig zijn, op vele kruispunten en wissels wordt de richting tenslotte door een keuze bepaald, al was het maar omdat de kerkelijke dogmatiek geen rangeerterrein mag worden.

“Stop de relativering” gaat - om samen te vatten - van de premisse uit dat mensen stuurloos en richtingloos ronddobberen maar ook wel anders zouden kunnen, als ze zich maar wat flinker verweerden. Nee dus. Ze hebben gezien wat ze niet meer kunnen terugdraaien: dat niet God spreekt, maar zijn handlangers. Daarom kunnen ze niet meer geloven op de traditionele, door hun kerken voorgehouden manier, terwijl ze nog niet geleerd hebben zelf de verantwoordelijkheid voor hun geloof op zich te nemen.

Het brengt mij op een tweede gebruik dat ik van de metafoor van de Wageningse student kan maken. Hij heeft het over kinderen die niet meer in Sinterklaas kunnen geloven, als ze zijn kleren op zolder hebben zien hangen. De suggestie die ervan uitgaat is dat geloven iets is dat bij kinderen hoort, geloven als kinderspel. Maar dat is een misvatting, gebruikelijk, dat wel, maar toch een misvatting. Ik zal er straks nog wel wat dieper op ingaan, maar teken hier alvast aan dat die parallel met St. Nicolaas - waar toch ook in geloofd moet worden, wil het heerlijk avondje niet bedorven worden - beter dan welke andere omschrijving ook, laat zien wat geloven juist niet is, niet kan zijn, maar waar het wel voortdurend mee verward wordt, namelijk met het erop na houden van voorstellingen die je voor waar moet houden anders gaat het spelletje niet door.

Het punt is niet dat gelovige mensen niet voor waar houden, ze doen dat zonder twijfel. Het punt is ook niet dat we kleren voor God, om het zo maar te zeggen, niet zelf gemaakt zouden hebben. Ook dat lijkt mij buiten kijf. Maar daarmee houdt het op. God 'aankleden' is wat anders dan een uitvergroot St. Nicolaas feest opzetten, omdat het bij het eerste om heel wat anders gaat en omdat het dus ook heel anders werkt, dat aankleden. De kleren van Sinterklaas hangen op zolder en Sint Nicolaas staat al klaar om ze aan te trekken, elk jaar dezelfde kleren. Met het 'aankleden' van God staat het heel anders: we kunnen alleen aan elkaar laten zien hoe zijn kleren worden gemaakt, maar hingen ze maar klaar, wisten we maar welke kleren Hij aan heeft en of de kleren die wij denken dat hij draagt en die we in de godsdienstige geloofstraditie zien afgebeeld, wel de echte zijn. Maar dat weten we juist niet; daarom hangen er zoveel verschillende kleren op zolder. Wat de goede zijn moet nog blijken, daarover is nog niet beslist. Ik laat dan nog onbesproken, dat we met de kleren van God ook nog eens zelf op het spel staan, we kleden Hem aan op hoop van zegen. De parallel heeft dus zijn grens: alleen dat wij mensen kleermakers voor God zijn, en dat Zijn kleren niet “van Boven” worden aangeleverd, kun je ermee duidelijk maken. Onze rol in het geheel kunnen we ermee toelichten, maar daar blijft het bij. Die rol maakt de kleren niet onbelangrijk, prikt het geloof niet door, maakt het niet tot een doorgestoken kaart, waarmee alleen maar vals spel gespeeld kan worden. Het wordt er wel anders van, zoals ik in het vervolg probeer te laten zien.

Moet de christenheid dan niet tegen al die tendensen van relativering en twijfel ingaan? Nee dus. Dat is te gemakkelijk en te weinig, er is meer nodig om geloven een aangelegenheid te laten blijven waar mensen ook met hun verstand bijval aan verlenen. Waarop het voorstel neerkomt, dat ik in de komende delen onder woorden breng, vat ik kort samen. De lezer heeft dan de draad in handen die verder lezen tot een goed einde kan brengen.

Relativering voorbij

Godsdienstige geloofstradities (van shinto tot christendom) zouden we moeten opvatten als ruwe schetsen van God, die de ervaringen van vorige generaties samenvatten en die wij - de nieuwe generaties - als zoekontwerpen in de hand gestopt hebben gekregen om ermee op pad te gaan. Al die tekeningen zijn ontwerpen van beneden, ze tekenen 'God'. De aanhalingstekens zie je in de krant als iemand wordt geciteerd: de woorden komen uit de mond van de spreker of verteller. Dat bedoel ik ook hier met die aanhalingstekens: de verhalen over God zijn 'quotes', zoals het heet, ze stammen van ons zelf, we voeren ons zelf onder aanhalingstekens in. Ik zal die aanhalingstekens verder niet gebruiken omdat hetzelfde ook anders kan worden uitgedrukt, anders is hier zelfs beter. God, zoals wij hem in de geloofstradities kennen, is ons beeld van God, andere beelden hebben we niet, we doen het er dus mee. Maar ze verwijzen naar wat Tillich eens genoemd heeft: “God beyond God”, God voorbij de Godsbeelden van onze plaatjes, God achter God. Om daar terecht te komen, moeten we de relativering voorbij, maar dan letterlijk: niet anders dan via het (kunnen en durven) relativeren van onze zoekontwerpen komen we bij God achter God uit.

Relativeren is niet hetzelfde als afschaffen of onbelangrijk maken. Wat we met onze geloofstradities aan moeten, waar ze goed voor zijn, wat we er niet mee kunnen en wat wel, kortom: wat we aan zeker weten overhouden en wat niet, zal ik aan de hand van deze onderscheiding proberen uit de verf te halen. Het zal een verarming betekenen aan de zo broodnodig geachte leerstelligheid (vandaar 'overhouden'), het afstropen van veel leerstellige franje, of liever (want waarom zou franje niet mogen?) franje erkennen als franje. Maar wat intimiteit - een trefzeker kenmerk van geloven - betreft een verrijking.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden