Column

We hebben geen baat bij een cynische schuldbekentenis van de slavernij

Het Nationaal Monument Slavernijverleden tijdens de nationale herdenking van de afschaffing van de slavernij in het Oosterpark in Amsterdam. Beeld ANP

De Rotterdamse burgemeester Aboutaleb heeft het geweten dat hij vorige week het kabinet opriep tot excuses voor het Nederlandse slavernijverleden. In de krochten van de sociale media daal ik liever niet af. 

Thierry Baudet kwam op Twitter met een interessantere reactie: ‘Ik draai het liever om: laat de rest van de wereld excuses maken voor het NIET afschaffen van de slavernij! Wij, Europeanen, Christenen: wij hebben die immers afgeschaft! Wij hebben de morele en juridische gelijkheid van eenieder als eerste onderkend.’

Mijn collega-columnist Stevo Akkerman reageerde met onversneden ironie: 'Wees blij dat wij, Europeanen, christenen, de slavernij bedreven. Anders hadden wij die immers nimmer kunnen afschaffen.' Het is een geestige variant op de oude christelijke gedachte ‘felix culpa’, die afkomstig schijnt te zijn van Augustinus. God zij dank zijn wij zondig, zodat ons de zaligheid van de verlossing ten deel kon vallen!

Theologisch zit het vernuftig in elkaar, maar Baudet bedoelde iets anders. Wat je er ook van mag vinden, de erfenis van het slavernijverleden is niet eenduidig. Er is verschrikking in te vinden, maar ook grootheid – zij het misschien niet in gelijke mate. Nieuw is die gedachte niet. Ik las haar voor het eerst bij de Australische essayist Robert Hughes in zijn boek ‘The culture of complaint’ en dat is alweer 25 jaar oud. Bij de juistheid ervan hoort hoogstens de aantekening dat de Druzen de slavernij al in de 11de eeuw schijnen te hebben afgeschaft.

Schuldvraag

Eén ding moet je je wel afvragen. Ís er wel sprake van een ‘erfenis’? De westerse cultuur heeft sinds lang leren inzien dat de zonden van de vaderen niet worden overgedragen op de zonen, tot in de zevende generatie. Voor verdiensten geldt dat net zo. Alle Nederlanders hebben een ding gemeen, zo schreef Hugo Brandt Corstius ooit: dat zij geen van allen (minus één) de Nachtwacht hebben geschilderd.

Hoe zit het dan met die schuld waarvoor excuses moeten worden uitgesproken? Op de debatsite Joop kwam de schrijver Pascal Vanenburg met een verlossend woord: ‘Niemand vraagt van individuele Nederlanders om door het stof te gaan voor die eeuwen waarin ver weg, aan de andere kant van de oceaan de meest gruwelijke praktijken werden uitgevoerd. Niemand beweert dat Nederlanders anno 2018 schuld dragen aan die verschrikkelijke slaventijd.’ Dat is goed om te weten, want wie de discussie over het slavernijverleden aanhoort krijgt licht de indruk dat dat nu juist wél het geval is. In plaats daarvan vraagt Vanenburg excuses van de overheid, zoals Aboutaleb dat vroeg van het kabinet. Stevo Akkerman sloot zich in zijn column daarbij aan.

Dat is geen onzinnige gedachte. Alle direct betrokkenen mogen dan allang dood zijn, de Nederlandse staat overbrugt de generaties en draagt zijn schuld met zich mee. Maar wanneer we ons eenmaal op dit niveau van precisie begeven, doemen wel meteen andere vragen op. Welke staat en welk Nederland? De staat die nu excuses zou uitspreken bestaat net twee eeuwen. In de eerste vijftig jaar daarvan maakte ook hij zich schuldig – maar met de ‘Grauwe Eeuw’, zoals de hoogtijdagen van de Republiek hier en daar worden genoemd, heeft hij weinig van doen.

Haarkloverij

Minstens zo problematisch lijkt mij een ander formeel aspect van zo’n spijtbetuiging van de overheid, waar de burgers part nog deel aan zouden hebben. Zoiets ontaardt al snel in een schimmenspel waarin een staat zonder mensen excuses aanbiedt voor wat hij mensen heeft aangedaan die er ook niet meer zijn. Of dat veel leed zal stelpen, betwijfel ik.

Maar waarom al die haarkloverij? Is het zo moeilijk excuus aan te bieden, kun je hier en daar schamper horen. Komt het woord ‘sorry’ zo moeilijk over de lippen?

Ja, dat doet het – en dat is maar goed ook. Haarkloverij is dat hoogstens op dezelfde manier waarop de door de Nederlandse overheid al meermalen uitgesproken spijt onvoldoende wordt geacht en alleen het woord ‘excuus’ verlichting heet te bieden. Er schijnen juridische verschillen tussen die twee te zijn, maar voor wie het om de ernst van het hart gaat lijken me die verwaarloosbaar.

Niet vanwege de juridische maar juist vanwege de morele ernst van de zaak moet men schuldbekentenis zorgvuldig reserveren voor waar schuld ís. Bij té veel geroep om een spijtbetuiging hoor ik geen groothartigheid maar frivoliteit. Maak toch excuses, en je bent ervan af. Zelfs Aboutaleb ontkomt er onbedoeld niet helemaal aan. ‘Excuses: daar roep ik het kabinet toe op. Zodat we een punt kunnen zetten achter slavernij.’

Ik denk niet dat zo’n punt gezet zal worden – en mág worden. Daarvoor is de zaak te ernstig. Maar daarvoor is de geschiedenis ook te zeer een verleden dat alleen heden kan zijn in onze herdenking, niet in een uitwissing van de tijd. Of in een té gemakzuchtige, in de grond van de zaak cynische schuldbekentenis.

Ger Groot doceerde filosofie aan de universiteiten van Rotterdam en Nijmegen. Voor Trouw bekijkt hij de actualiteit door een filosofische bril.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden