We hebben een anti-liberaal juist hard nodig Besmet denken

Mag je met een omstreden figuur als Carl Schmitt in zee gaan? Ja, want juist ongemakkelijke denkers wijzen ons op de beperkingen van onze eigen opvattingen.

Afgelopen zaterdag haastte de filosoof Ad Verbrugge zich in Letter & Geest afstand te nemen van de Duitse rechtsgeleerde Carl Schmitt.

Aanleiding was de overeenkomst die socioloog Dick Pels tussen de cultuurkritiek van Verbrugge en Schmitts politieke filosofie meende te ontwaren. Ook de directeur van de conservatieve Edmund Burke Stichting, Bart Jan Spruyt, werd onlangs verweten dat hij in zijn essay 'De toekomst van de stad' Schmitt aanhaalde. Onterecht: Carl Schmitt is een omstreden, maar buitengewoon relevant politiek denker.

In zijn hoofdwerk 'Der Begriff des Politischen' (1932) -'Het begrip politiek', Boom, 2001) schrijft Carl Schmitt dat ,,de eigenlijke politieke onderscheiding de onderscheiding tussen vriend en vijand is''. De politiek dient volgens Schmitt dan ook rekening te houden met de Ernstfall (de noodtoestand), waarin het diplomatieke verkeer het laat afweten en twee partijen onwrikbaar tegenover elkaar staan.

Schmitt wordt vaak geduid als de representant van een radicaal machtsdenken dat in Duitsland tussen 1933-1945 zijn hoogtepunt bereikte. Een denken dat met minachting neerkeek op het compromis maar bewondering opbracht voor de politieke geweldenaar die knopen doorhakte. Ook vanwege zijn persoonlijke biografie is Schmitt omstreden. Zijn promotie tot kroonjurist van het Derde Rijk is door vele biografen uitvoerig gedocumenteerd.

Lange tijd leek het voor ons moeilijk de radicaliteit van Schmitts politieke theorie na te voelen. Vooral in een land als Nederland dat, op zijn zachtst gezegd, niet uitblinkt in harde confrontatie als het gaat om politieke geschillenbeslechting. Maar de aanslagen van 11 september 2001 in New York en 11 maart 2004 in Madrid veranderden het politieke denken. De gedachte van een vriend-vijand-tegenstelling als uitgangspunt voor de politiek wekte niet langer bevreemding. Ook de moord op Theo van Gogh kan worden gezien als een Ernstfall in Schmittiaanse zin. En dit is precies waar het iemand als Bart Jan Spruyt om gaat. De politieke islam vormt in zijn ogen een grote bedreiging voor de westerse democratie die het beste vanuit een vriend-vijanddenken kan worden bestreden. Maar deze aan Schmitt geschoolde gedachten stuiten op grote weerstand.

Twee kampen staan in het huidige politieke debat tegenover elkaar. Het links-liberale kamp zweert nog altijd bij de dialoog als de koninklijke weg naar de overeenstemming. Zolang de open en eerlijke discussie maar voortduurt, is de oplossing bereikbaar, meent het links-liberale denken van de Duitse filosoof Jürgen Habermas tot de Canadese filosoof Charles Taylor.

Deze houding was kenmerkend voor de Nederlandse politiek tot aan de opkomst van Pim Fortuyn. Wie aan de redelijkheid van de consensus twijfelde, gold als politiek verdacht.

Het andere kamp twijfelt in navolging van Schmitt aan deze gedachte. Zo houden Bart Jan Spuyt en zijn politieke geestverwant Geert Wilders het liberale concept voor een naïef Wunschdenken waarvan de grenzen door de moord op Theo van Gogh nog eens op niet mis te verstane wijze werden gemarkeerd.

Critici wijzen terecht op de omstreden erfenis van Schmitt; moet je met een omstreden denker in zee gaan? Dit ethische dilemma is vanuit de westerse preoccupatie met het nationaal-socialistische verleden begrijpelijk, maar mag er niet toe leiden dat wij de kritiek van ongemakkelijke denkers achteloos terzijde schuiven. Er zijn meer denkers met wie de omgang moeilijk is -Ernst Jünger, Martin Heidegger- maar juist zij kunnen ons de beperkingen van onze eigen opvattingen duidelijk maken. Het liberale Westen heeft een anti-liberaal als Schmitt juist nodig om zijn gebreken in te zien. Wie Schmitt in het nazistische klimaat van de jaren dertig opsluit, gaat voorbij aan de zeggingskracht van zijn politieke filosofie voor onze tijd.

Veel van Schmitts critici verwerpen zijn conceptuele gedachten vanuit de biografie van de denker, in plaats van dit denken zelf te analyseren. Wordt bij linkse denkers als Jean Paul Sartre het politieke verleden vaak losgeweekt van de conceptuele gedachten, bij rechtse denkers als Schmitt meent men zijn filosofie vanuit een biografische kritiek te kunnen verwerpen. Het reduceren van de voorstellingen van een denker tot de politieke omzetting ervan in zijn eigen leven is niet alleen problematisch, maar wordt ook nog eens eenzijdig toegepast.

De vrijheid van het denken mag niet ten prooi vallen aan politieke correctheid. De problemen, waarover Schmitt in een scherp proza schreef, hebben de laatste jaren aan betekenis gewonnen. Ook in Duitsland, waar het aanhalen van Schmitt lange tijd uit den boze was, wordt minder moraliserend en met meer ontzag over de ,,oude boze man uit Plettenberg'' gesproken. De afwijzende houding sinds het eind van de vorige eeuw heeft plaatsgemaakt voor een -terechte- kritische herwaardering.

Drs.J.B.Spits is als germanist verbonden aan de Universiteit Leiden.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden