We hebben de morele plicht de ander in nood te helpen

Mensen die bezwaar hebben tegen het afstaan van organen, hebben wat uit te leggen. Want ook bij orgaandonatie geldt: 'voor wat, hoort wat.'

door Ron Berghmans

In het huidige tijdsgewricht houden we individuele zelfbepaling en autonomie hoog in het vaandel. We bepalen graag zelf hoe we ons leven leiden en dat strekt zich uit tot beslissingen die na onze dood over ons lichaam worden genomen. Voor velen is het een welhaast onverdraaglijke gedachte dat na hun overlijden organen uitgenomen zouden worden, zonder dat ze daar zelf bij leven uitdrukkelijk hun toestemming voor hebben gegeven.

Maar als we ziek zijn, dan haasten we ons naar de dokter en plukken we als het een beetje meezit de vruchten van de offers die anderen zich voor ons getroost hebben, toen ze als proefpersoon meededen aan medisch-wetenschappelijk onderzoek dat heeft geresulteerd in het pilletje tegen de hoofdpijn, of de ingreep die moet helpen tegen de hartritmestoornis.

En wie van ons gaat er niet stilzwijgend van uit dat hij in aanmerking komt voor een donororgaan als dat ooit nodig mocht zijn? Weinigen lopen rond met een schriftelijke wilsverklaring dat orgaan- of weefseltransplantatie ongewenst wordt geacht, ook als dit levensreddend mocht zijn.

Over orgaandonatie wordt veel gediscussieerd, maar over de morele kant van de zaak hoor je weinig. Wat zijn we als individuele burgers eigenlijk aan elkaar verplicht? Hoe vrijblijvend mag eenieder zich in deze opstellen? Mag ik zo maar 'nee' zeggen tegen orgaandonatie?

De Amsterdamse hoogleraar filosofie Govert den Hartogh heeft het kernachtig geformuleerd: 'Iedere potentiële ontvanger heeft een niet-vrijblijvende morele plicht om beschikbaar te zijn als potentiële donor.' Met andere woorden: 'voor wat hoort wat.' Bij orgaandonatie geldt het principe van de Barmhartige Samaritaan: we zijn moreel verplicht om iemand te helpen die in ernstige nood verkeert. Als deze hulpvaardigheid geen extreme offers van de gever vergt, er sprake is van ernstige nood bij het slachtoffer en de betrokkene in de positie verkeert om die hulp te bieden, dan vinden we het moreel afkeurenswaardig als hij dit nalaat.

Iedere vrijblijvendheid is dus uit den boze. Niet degene die zich bereid toont om organen af te staan heeft iets uit te leggen, maar degene die bezwaar heeft of die het onverschillig laat. Welke zijn diens redenen, en zijn die goed genoeg? Het Nederlandse beleid rond orgaandonatie heeft te lang in het teken van deze vrijblijvendheid gestaan. Vanuit de veronderstelling dat burgers zelf bepalen of ze al dan niet altruïstisch zullen handelen, dat wil zeggen onverplicht iets goed doen voor een ander, is er nooit geappelleerd aan een morele plicht tot wederkerigheid en aan de Samaritaanse plicht. In voorlichting en publiekscampagnes mag, nee moet een dergelijk moreel appèl worden gedaan. De burger moet zich aangesproken voelen en daardoor aangespoord om zichzelf de vraag te stellen of hij goede redenen heeft om niet als donor beschikbaar te zijn.

Een of andere variant van het geen-bezwaar systeem past het best bij dit, op wederkerigheid gebaseerde morele uitgangspunt. Of zo'n dit systeem ook tot een daadwerkelijke toename van het aantal donororganen zal leiden is ongewis. Maar de erkenning van en bevestiging door de overheid van onze wederzijdse afhankelijkheid -in gezondheid en ziekte, bij leven en na overlijden- zal zeker bijdragen aan het morele gehalte van beslissingen rond orgaandonatie, of het nu gaat om individuele burgers die zich bezinnen op hun donorschap of om naasten die om toestemming gevraagd worden voor postmortale orgaanuitname bij de overledene.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden