We dreigen onszelf te verliezen

De wereld van het grote geld ziet zichzelf als een 'amoreel universum', maar hoe zit het elders met de moraal? 'Dit is een kantelpunt.'

Stevo Akkerman (1963) is redacteur van Trouw. Met 'Donderdagmiddagdochter' won hij vorig jaar onder meer de Belgische prijs voor 'het beste spirituele boek'.

In 2008 moest de belastingbetaler, in sommige kringen ook wel aangeduid als 'de hardwerkende Nederlander', eraan te pas komen om de banken te redden van de ondergang. Het was een ongekende manoeuvre: de bastions van de vrije markt konden alleen overleven dankzij de staat. De rekening voor de 'overmoed en hoogmoed' van de bankiers (Jeroen Smit) was niet gering. De nationalisatie van alleen al ABN Amro kostte de samenleving omstreeks 28 miljard euro.

Dit debacle zou de financiële sector tot 'bescheidenheid en zelfkritiek' moeten brengen, zei PvdA-staatssecretaris Frank Heemskerk, oud-werknemer van ABN Amro.

Menig bankier zei het hem na. Maar hoe diep ging die zelfkritiek? In 2015 veroorzaakte diezelfde ABN Amro weer een nationale rel door een loonsverhoging voor de top af te kondigen. Vervolgens dook de 'staatsbank' begin 2016 op in de Panama Papers: ABN Amro bleek mee te werken aan verhullende bedrijfsconstructies in belastingparadijzen. Het zou zo zomaar kunnen dat de overheid indirect zelf de hand heeft in belastingontduiking of -ontwijking. Dat ligt zelfs in de rede; waarom zouden klanten anders kiezen voor dergelijke constructies?

ABN-dochter Martello, gevestigd in het belastingparadijs Guernsey, fungeert als nominee shareholder, aandeelhouder in naam, voor vennootschappen waarvan de eigenaren buiten beeld willen blijven. ABN Amro heeft nog ten minste vijf andere internationale dochters die dezelfde diensten aanbieden, terwijl Rabo en ING zeggen dat ze daar al jaren geleden mee zijn gestopt. Het zou ABN Amro gesierd hebben, zeker na de reddingsoperatie door de staat, als de bank dat voorbeeld had gevolgd.

Minister van financiën Jeroen Dijsselbloem reageerde voor een sociaal-democraat nogal laconiek op het nieuws over 'zijn' bank. Het was aan de klanten zelf om hun vermogen op te geven bij de fiscus. Vreemd: wetend hoe schimmig de wereld van de nominee shareholders is, wil de minister deze constructie gaan verbieden voor trustkantoren die niets anders doen dan het beheren van vennootschappen voor anderen. Maar blijkbaar vertrouwt hij het ABN Amro wél toe in dit moeras te opereren.

De constructie 'aandeelhouder in naam' is gewoon wettelijk toegestaan, luidt de verdediging van de bank - en daarmee legt men, onbedoeld, de vinger op de zere plek. Blijkbaar geldt, alle mooie woorden over cultuurverandering ten spijt, aan de Amsterdamse Zuidas nog steeds het adagium: zolang het niet verboden is, is het oké. Belastingontduiking is illegaal, maar belastingontwijking niet - dat is het zoeken van de mazen in de wet, de fiscale sluiproute naar de vestigingsplaats met het laagste tarief. Welke gevolgen dat heeft voor de samenleving, doet er niet toe, want het maatschappelijk belang ligt voorbij de horizon van de bank.

Waar is de professionele moraal gebleven? Die is uitgeschakeld, constateerde Joris Luyendijk in zijn boek 'Dit kan niet waar zijn'. De City, het financiële centrum van Londen, was voor bankiers een 'amoreel universum'. Vervolgens kreeg hij bij lezingen overal te horen dat zijn beschrijving van de City angstig nauw aansloot bij de ervaringen van mensen met doorsneebanen in doorsneeplaatsen als Oss en Terneuzen en Schagen. "Ik ontmoet heel gewone mensen die zeggen: in mijn ziekenhuis gaat het net zo, of op school, of in mijn bedrijf", zei hij toen ik hem interviewde voor Trouw.

Die opmerking was aanleiding voor een serie gesprekken in deze krant. Steeds vroeg ik hoe het komt dat de bedoeling of de zin van

ons professionele handelen uit het zicht is geraakt en of het resultaat niet eerder immoreel is dan amoreel.

De Tsjechische econoom en publicist Tomáš Sedlá¿ek is daar duidelijk over: "Er geen sprake van het ontbreken van een moraal, men hanteert een ándere moraal, namelijk de economische." Sedlá¿ek dacht zelf ook een tijdlang dat het economisch denken 'strikt mathematisch' was, maar dat was naïef, zegt hij nu. "Economie heeft juist een zeer sterke morele lading. Egoïsme, eigenbelang, het geloof in de heilzame werking van de onzichtbare hand van de markt, het idee dat mensen cijfermatig gedefinieerd kunnen worden, dat de zin van het leven bestaat uit het bevredigen van behoeften en de zin van ondernemen uit winstmaximalisatie - het zijn allemaal ontegenzeggelijk morele noties. En die vormen samen een nieuwe religie."

Deze religie leidt in de meest flagrante gevallen tot onwettig gedrag. De Amerikaanse justitie onderzoekt op dit moment of oliemaatschappij Exxon vervolgd kan worden wegens misleiding. Het bedrijf beschikte op grond van eigen wetenschappelijk onderzoek al jaren over bewijzen van klimaatverandering, maar hield die bewust onder tafel en beweerde in het openbaar het tegenovergestelde van wat de eigen data aantoonden.

Shell pakte het subtieler aan en lobbyde met succes bij de Europese Commissie tegen opgelegde normen voor duurzame energie.

De vermindering van de CO2-uitstoot zou net zo goed kunnen door in te zetten op gas, stelde Shell in documenten die The Guardian boven tafel kreeg. "Daardoor wordt het concurrentievermogen van de industrie in stand gehouden, werkgelegenheid en koopkracht beschermd en economische groei gestimuleerd", aldus Shell.

Maar zelfs als bedrijven wel degelijk streven naar 'maatschappelijk verantwoord ondernemen' (mvo), is hun armslag beperkt. Dankzij gedragscodes, protocollen en mission statements wordt op allerlei vlakken wel vooruitgang geboekt, maar wezenlijke dilemma's blijven nog steeds onbesproken. Na tien jaar directeur te zijn geweest van MVO-Nederland erkende Willem Lageweg in juni 2016 in Trouw dat de 'ethische aspecten' het onderspit dreigen te delven. Hoe moeten MVO-managers dilemma's in een bedrijf aankaarten 'zonder het gevoel te hebben dat ze verraad plegen?'

Lageweg spreekt van 'gebrek aan morele moed' bij de top. Dat leidt tot onwil bij supermarkten om kiloknallers uit te bannen, onwil bij energiebedrijven om afstand te doen van hun kolenstrategie, en onwil bij Shell om ruim baan te geven aan duurzame energie. En soms is het niet eens onwil, maar onmacht, die in de weg staat tussen droom en daad, zelfs bij toplieden van de grootste bedrijven.

Iets daarvan proefde ik bij KPMG-bestuurslid Egbert Eeftink en KLM-president-commissaris Hans Smits. Het laatste wat ze willen is amoreel zijn of beweren dat hun bedrijf dat is, maar als er grote dingen op het spel staan (belastingontwijking, CO2-belasting) stuiten ook zij op grenzen. De organisatie is te groot, de wereld werkt niet mee, het economisch systeem laat het niet toe. Uiteindelijk is een topman ook deel van een groter geheel waar hij geen greep op heeft.

Om die reden kunnen we de fundamentele kwesties niet aan de bedrijven overlaten, concludeert Johan Siebers, die als moraalfilosoof zeven jaar bij Shell heeft gewerkt, en nu verbonden is aan twee universiteiten in Londen. Siebers ondervond bij Shell hoe hardnekkig het verschijnsel is van vervreemding in het werk, hoe moeilijk het is een klimaat te creëren waarin mensen het gevoel hebben dat ze zinvol bezig zijn. "Ik denk dat ik door mijn jaren bij Shell de marxist ben geworden die ik nu ben. Als je mensen individueel spreekt, herkent iedereen de vervreemding, maar het systeem laat zich niet veranderen. Daar stuit je op het conflict tussen het bedrijf als geldmachine en als gemeenschap van mensen."

John Ashton, lang de Britse regeringsafgevaardigde op klimaatconferenties, schreef in een open brief aan Shell-topman Ben van Beurden dat diens bedrijf wordt bevolkt door mensen van goede wil die werken in een organisatie die vasthoudt aan een slecht idee, namelijk de voorrang voor fossiele brandstoffen.

Siebers denkt daar net zo over, maar wijst erop dat ook Van Beurden niet de vrijheid heeft dat slechte idee overboord te zetten. "Hij ziet zich al bij zijn aandeelhouders aankomen, en die aandeelhouders, dat zijn wij allemaal - via de pensioenfondsen. Daarom zeg ik: we moeten het niet hebben van de individuele moraal van mensen als hij. We moeten de politiek aanspreken, en die zal zich veel meer los moeten maken van de verstrengeling met de grote economische machten. Shell is niet zozeer het probleem, het is de samenleving."

Ook Paul van Tongeren, emeritus-hoogleraar wijsgerige ethiek in Nijmegen - Siebers is een oud-student van hem - denkt dat het tijd is om de steven te wenden. Van Tongeren verwijst naar een uitspraak van een bankier in Luyendijks boek, die zegt dat hij zichzelf dreigt te verliezen. "Dat is een kantelmoment", aldus Van Tongeren. "Jezelf nog niet verloren zijn, maar weten dat dat gevaar bestaat. En zoals dat voor deze bankier geldt, geldt het voor onze hele samenleving."

Inderdaad, we hebben burgers, ondernemers en politici nodig die dat zien en die durven kiezen. Voor het goede, en dat is meer dan datgene wat niet verboden is. Zijn we er met deze conclusie? Nee, hier begint de zoektocht pas echt, want nu doemt natuurlijk de vraag op wat het goede dan wel is. Op het gevaar af de rijkdom van filosofie en theologie te bruuskeren door een overzicht van historische definities achterwege te laten, stel ik voor het goede te zien als de notie dat de vrijheid en de rechten van de een niet los kunnen worden gezien van die van de ander, inclusief degenen die na ons komen.

Zo algemeen uitgedrukt zal dit ideaal wellicht niet op grote weerstand stuiten, maar als het praktisch wordt, wordt dat anders. Alle spelers in het maatschappelijke veld hebben hun beperkingen. Burgers kunnen de mooiste initiatieven ontplooien, en het is belangrijk dat ze daarmee tonen dat er alternatieven zijn voor het primaat van de markt, maar het heeft niet voldoende gewicht om het hele economische systeem te laten kantelen. Bedrijven kunnen verantwoord willen ondernemen, maar ze opereren in een context (aandeelhoudersbelangen, globalisering) die haaks staat op het maken van eigen morele afwegingen. Daarom is het aan de politiek om grenzen te stellen, maar de politiek kan ook niet alles, tenzij we een dictatuur invoeren, en zelfs dan zal de maakbaarheid van de samenleving tegenvallen.

Intussen kunnen politici wel minder 'labbekakkerig' zijn (Van Tongeren) en laten zien waar ze voor staan. Nu hebben we een premier die in Brussel Europeaan is en in Den Haag anti-Europeaan. En een regering die wel klimaatverdragen tekent, maar door een milieuorganisatie voor de rechter moet worden gesleept om ze na te komen.

Wat nodig is, is dat politici politiek gaan bedrijven. Ze willen dat wel eens vergeten, al dan niet met opzet, en hanteren dan hetzelfde beperkte technocratische denkraam als procesmanagers in andere sectoren. Van Tongeren: "Deze politici leggen de technische kwestie - het hoe - over de morele vraag heen."

Voor zover ze dat doen uit angst moralistisch te worden gevonden, is dat voorstelbaar: moralisme is zeker niet het antwoord op de leegte van het amorele systeem. Zelfs het morele is dat niet, althans niet als wondermiddel om schone handen te houden. Er schuilt een gevaar in de gedachte 'alles binnen het morele te kunnen oplossen', zoals Van Tongeren het verwoordt. "Ik denk dat er onvermijdelijk tragische situaties zijn waarin we niets anders kunnen doen dan iets waarvan we weten dat het niet goed is."

Het benoemen van het tragische - vluchtelingen veiligheid bieden én erkennen dat er grenzen zijn, bijvoorbeeld - is de enige manier om recht te doen aan de realiteit. Een appèl aan het morele vraagt van politici dat ze open zijn over hun afwegingen, inclusief hun ambivalenties en aarzelingen. Dit heeft alles te maken met wat integriteit betekent: een 'heel' mens zijn. Van Tongeren omschrijft het als 'het bij elkaar houden van ideaal en feitelijkheid'. "Niemand is alleen maar feitelijkheid, niemand is alleen maar idealiteit. Er is altijd spanning, altijd onvolkomenheid. Wie dat niet meer voelt, zit in de gevarenzone."

Wellicht schuilt de 'scheppende kracht van de hoop' (theoloog Jürgen Moltmann) in het samenspel van een niet-labbekakkerige politiek met initiatieven vanuit de samenleving zelf. Voorbeelden te over: buurthuizen gerund door buurtbewoners, wijken waar burgers zelf de groenvoorziening ter hand nemen, lokale energie-coöperaties, broodfondsen van zzp'ers die geld opzijleggen voor als er eentje langdurig ziek wordt.

Ze vormen niet het antwoord op alle vragen, maar ze wijzen wel in een bepaalde richting. Hans Achterhuis spreekt in zijn jongste boek 'Koning van Utopia' van 'olifantenpaadjes': de weggetjes die mensen zelf maken, vaak haaks op de keurig aangelegde bestaande wegen, en volop in gebruik - vandaar dat ze zijn platgestampt als door olifantenpoten. Ze zijn niet bedacht door utopische architecten, zegt Achterhuis, maar ze laten 'mensen de stoute schoenen aantrekken om zelf een weg te vinden'.

Dit zijn de kleine utopieën die, anders dan de grote, niet een totale omwenteling beloven en dan steevast eindigen in totalitaire verschrikking, maar die 'laten zien hoe het anders, hoe het beter kan'. Zodat de zaken niet alleen maar kloppen, maar nog deugen ook.

Dit essay is een voorpublicatie uit

Stevo Akkerman: Het klopt wel, maar het deugt niet. De maatschappelijke moraal in het nauw. Lemniscaat; 116 blz. euro 9,95.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden