We denken veelal in de schemer

We 'ikken' de dag door: Ik ga straks... ik wil morgen... Maar is die ik meer dan een schepsel van de taal? Ook al lijkt er iemand aanwezig boven, toch komen onze gedachten en emoties vaak tevoorschijn uit een verhuld decor. Deel 2 van een tweeluik.

Buikspreker Edgar Bergen was in een diepzinnig gesprek met zijn beroemde, socratische pop Charlie McCarthy, waarin hij hem vroeg naar het wezen van de liefde en ware deugd, toen zijn tekstschrijver onverwacht binnenkwam. Rood aanlopend bekende de Amerikaan Bergen: "Charlie is de wijste persoon die ik ken." Waarop de tekstschrijver protesteerde: "Ja zeg, 't is jouw geest, jouw stem in die houten pop." "Uiteindelijk wel", beaamde Bergen, "maar ik stel hem die vragen, en 'k heb geen idee wat-ie gaat zeggen. Hij weet zoveel meer dan ik."

Deze anekdote deed het goed in paranormale hoek. Men zag er een bewijs in van channeling, het ontvangen van wijze boodschappen uit onbekende, spirituele contreien. En de suggestie volgde dat Bergen onder invloed van Charlie 'uit zijn eigen persoon was gestapt'. Maar stel jezelf nu eens een lastige vraag: je gaat zoeken, je wikt en weegt, knikt bij ingevingen of verwerpt wat, en daar is het, een stukje huisfilosofie dat je niet achter jezelf had gezocht.

En van waar of wie kwam het? Niet van een bewoner boven, vertelde deel 1 van dit tweeluik (29 maart). Voor zover je kunt spreken van een 'denker', betreft het een etherische filosoof, net zo vluchtig als het mannetje van de radio. Natuurlijk denken we, maar er is niemand bij. De taal heeft ons leren 'ikken': alsof er in de uitdrukking 'Ik heb de slappe lach' ook echt een ik boven zit die die lach heeft. Zoek, je vindt niemand, behalve die lach.

Dat er geen dirigent boven woont, willen we nog aannemen, maar ons komt natuurlijk die andere kroon toe: het bewustzijn. 'Ik ben me bewust van mijn gedachte', waarmee we toch weer een toeziende instantie in het denkproces veiligstellen. Het is helaas een ondoorgrondelijke opzichter, en menig neuroloog betwijfelt of bewustzijn meer behelst dan het systeem van rondwegen dat ons brein kenmerkt: het zien van een mooie dame komt laag binnen in het visuele systeem, reist naar hogere cognitieve sferen, om van daaruit weer naar basale perceptieregionen te worden teruggekoppeld. Zo zou het proces naar zichzelf kunnen kijken.

We doen dat maar spaarzaam, hooguit een minuscule fractie van onze cerebrale bedrijvigheid verschijnt aan het venster. En bewuste gedachten zouden nimmer vooraan staan, als er per definitie lager breinwerk aan vooraf gaat. Mogelijk spelen specifieke hersencellen (Economo-neuronen) een rol, die bruggen slaan over grote afstanden in het brein. Je kunt je voorstellen dat dankzij die ruime bestrating de terugkoppelende hersenen een soort reflectie op eigen denkwerk hebben ingebouwd. Maar of het of deze manier juist is verwoord?

Mochten neurologen niet overtuigend het centraal gezag bij ons boven ontkennen, dan deed fysioloog Benjamin Libet het wel. De man leeft niet meer, maar heeft ons beteuterd achtergelaten met zijn experimenten waaruit bleek dat je hersenen al een poosje onderweg zijn voordat je zelf bewust doorhebt dat je deze of gene actie gaat ondernemen. Ter herinnering: proefpersonen werd iets simpels gevraagd, zoals een knop indrukken, waarbij ze het tijdstip waarop ze bewust tot de actie besloten, moesten onthouden aan de stand van een wijzer op een grote plaat voor hun neus.

Libet mat tot ieders verbazing dat het brein al een fractie van een seconde actief is voordat de proefpersoon bewust besloot de vinger te gaan tillen. Ontsteltenis alom, bewuste besluiten staan niet aan de basis van ons handelen, de hersenen bleken op eigen houtje al het initiatief te hebben genomen. Dat 'op eigen houtje' deed zeer. Libets experimenten zijn veelvuldig herhaald, en de slotsom blijft luiden dat de cascade van hersenprocessen die tot de druk op knop leidt, niet pas op gang komt met het bewuste besluit.

Zo zadelde Libet ons op met de eigenaardige conclusie dat het brein regeert en de eigenaar buitenspel staat. In het verlengde daarvan sneuvelde de vrije wil, want wie kan ons op de vingers tikken om een vergrijp dat is bekokstoofd buiten ons bewustzijn om: de hersenen zijn schuldig, zelf kijken we onschuldig en machteloos toe. Maar naar die onschuldige ik in de crimineel, die het zijn eigen brein net zo kwalijk neemt als de rechter die hem veroordeelt, zul je vergeefs zoeken. Dit slachtoffer bestaat gewoon niet, dat was immers een fictieve bewoner. (zie kader)

Is er wel een probleem? Tuinen we niet in een verkeerd beeld van hoe we denken en besluiten? Bewust? Natuurlijk, we staan toe dat het brein de gang naar de koelkast om een slok karnemelk ondoordacht volbrengt, net als een groot deel van de dagelijkse gang die we maken. Totdat 'echt denken' is vereist, ware aandacht: bij hogere cognitieve vraagstukken moeten we er uiteraard zelf bewust bij zijn, en denken in vol ornaat.

Maar veel vaardigheden bestaan juist bij gratie van verborgen kennis. Autorijden kun je pas echt als het getob over rempedaal en versnellingspook uit de bewuste beleving zijn verdwenen. Een kwestie van oefenen, maar volgens kenners is daarbij een wezenlijke omslag nodig: het weten 'hoe' moet weg uit de aandacht, moet achter de horizon verdwijnen.

Bakker of broodmachine
Soms is die kennis of vaardigheid zo complex dat ze nooit echt in beeld komt. Een illustratief voorbeeld is het ontwerp van een broodmachine voor huiselijk gebruik in Japan. Het kneden van het deeg moest in het programma worden verwerkt, maar geen bakker kon de software-ontwerper precies vertellen hoe hij dat deed. Waarop de computerman noodgedwongen enige tijd bij een topkneder in Osaka is gaan werken.

Sociaal psychologen lieten zien dat verborgen denken bij beslissingen van alledag, tot het kopen van huis of auto aan toe, soms tot een voordeliger resultaat leidt dan aandachtig wikken en wegen. Let wel, die verborgen afwegingen van het brein worden gedragen door heel veel kennis: tacit knowledge in het jargon, kennis die we impliciet leren. En die de grootmeester in staat stelt om onmiddellijk in te zoomen op de brandhaarden in een schaakstelling, zonder dat hij goed het hoe en waarom kan aangeven. Mogen we hier wel denigrerend spreken van een onbewust departement binnen het denken of is deze heimelijke werkmodus heel gangbaar, en volwaardig, maar slaan we hem minder hoog aan. Omdat 'de baas (ik zelf) er zogenaamd niet bij is'.

Impliciete kennis bouwen we razendsnel op, menen evolutiepsychologen, om ons aardse bestaan veilig te stellen: we blinken daarom vooral uit in onderhuidse sociale oordelen. Schuilt er kwaad in de mens op ons pad? "De intuïtie zegt...", maar in werkelijkheid regeren hier stiekeme inzichten én vooroordelen. Zo legt de impliciete associatietest onverbiddelijk de afkeer vast van kleurling of een medemens van andere gezindte, en dat doet de test ook bij wie zich uiterst tolerant tegenover hen waant.

Kortom, onze geesteszaken verschijnen maar mondjesmaat in het volle daglicht, we denken veelal in de schemer. Dat klinkt naar onbewust en automatisch handelen, een voor velen onuitstaanbare boodschap. Sociaal psycholoog John Bargh vatte de weerstand tegen dit schemerdenken ooit samen met de sarcastische titel: The unbearable automaticity of being.

Een automaat? Zo wensen we niet tegen de mens aan te kijken, zaak dus om de meubelen te redden. Marc Slors, hoogleraar cognitiefilosofie, beaamt in 'Dat had je gedacht!' dat we tal van ondoordachte 'koffieleuterige' praatjes maken en vele handelingen grotendeels onbewust uitvoeren, maar niet nadat er op een eerder moment bewust de basis voor is gelegd. "Zo denken we bijna nooit bewust na over wat we zeggen, terwijl we meestal wel zeggen wat we bedoelen." Is herkenbaar.

Het bewustzijn werkt dus in het vooruit, en is niet louter 'de sullige toeschouwer' die menig neuroloog ervan maakt. In allerhande plannen en motieven programmeren we onszelf voor - bewust: we 'zetten de dingen klaar', meent Slors, de uitwerking kan daarna deels in het donker. We spreken zaken met onszelf af, vormen 'langeretermijnintenties'. Zeg dat Slors volgende week dinsdag om 3 uur 's middags ergens in Amsterdam moet zijn: als hij het voorwerk boven rond heeft, weldoordacht, kan de feitelijke riedel van fiets, stalling, treinkaartje en lopen naar de bestemming dinsdag tamelijk ondoordacht worden afgewerkt. De bewuste reflectie vond immers al vroeger in het traject plaats.

Niettemin lijken tal van handelingen en beslissingen op te borrelen uit het duister, mogelijk omdat te veel motieven meespelen om het besluit rationeel, in klaar daglicht te nemen. En dan dringt zich toch weer de misvatting op dat dit geblindeerde deel van onze cognitie achter onze rug om gaat, alsof het brein in het geniep het bewuste ik dom zit houden. Maar wie was die ik ook alweer?

Buikspreker Edgar Bergen had het goed begrepen: zijn pop Charlie gaf die diepzinnige antwoorden, verder was er niemand thuis.

Het zijn toch steeds mijn gedachten
Kunnen we eigenlijk wel zonder een ik? Die bewuste gedachten en gevoelens zijn toch van mij. Niet per se, betoogt de filosoof Thomas Metzinger in 'The Ego Tunnel'. Patiënten met het syndroom van Cotard lijken 'zelfloze' bewuste ervaringen te hebben. Sommigen zeggen niet te bestaan, reden waarom een patiënte zich ooit als Madam Zero beschreef. En mystici uit variërende culturen dalen zelfloos af in de spirituele diepten. Maar bovengronds weet neuroloog Paul Broks, schrijver van 'Into the Silent Land', dat we die elementaire beleving van door de tijd heen dezelfde jongen te blijven, nimmer zullen kunnen afwerpen. Die gedachten en emoties doen zich altijd maar voor in zijn tijd en zijn buurt, dus als theoreticus leeft hij weliswaar zonder ziel of ego, maar als Paul Broks van alledag mét. Dan kenmerken zijn geesteszaken zich door de ervaring van mijnheid, 'het zijn toch steeds mijn gedachten'.

Maar zitten we werkelijk voortdurend een zelf of eigenaarschap te ervaren bij al wat we denken en voelen? Hoogleraar cognitiefilosofie Marc Slors betwijfelt het, en wees onlangs in een essay ter illustratie op de glimlach op het gezicht van de Mona Lisa. Je ziet hem, tot je er goed naar gaat kijken. Dan verdwijnt-ie. Misschien geldt hetzelfde voor dat sluimerende zelfgevoel dat bij al wat we doen en laten door de dag heen met ons mee zou reizen. En dat al ons wel en wee van boven het stempel 'Van mij' meegeeft.

Slors vermoedt juist dat die mijnheid tamelijk geruisloos aan ons voorbijgaat tot we "Hé, wat nou" roepen: op het moment dat we iets denken of doen wat een beetje wringt, omdat het niet naadloos in ons repertoire past. Kortom, er is geen permanent 'zelf', maar eerder een incidenteel 'niet-zelf': namelijk als je jezelf betrapt op een dissonante gedraging waarvan je denkt "Goh, dat past helemaal niet bij mijn manier van doen". Alleen op zulke momenten ben je er echt even.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden