Watou dompelt zich een zomerlang in beelden en poëzie rond Hugo Claus

Kunst op een plek buiten de geijkte schouwburg, concertzaal of het museum. Daarover gaat de serie die in juli en augustus bericht over plaats-gebonden evenementen. In deze tweede aflevering een bezoek aan een Belgisch dorp. Tot en met 11 september elke dag toegankelijk van 14 tot 19 uur.

Het dorp heet Watou en al jarenlang worden er 'poëziezomers' gehouden, onder leiding van de dichter Gwij Mandelinck. Het zijn eigenlijk exposities die hij maakt, want op verschillende locaties worden gedichten tentoongesteld samen met beeldende kunst. Het gaat Mandelinck om de wisselwerking tussen de kunsten, ook de muziek, het geluid, de voordracht speelt een rol, evenals de architectuur waarbinnen het geheel zich afspeelt, en zelfs het landschap moet meedoen.

Vorig jaar stond een beeldend kunstenaar centraal, Roger Raveel, en moesten de gedichten bij hem aanschikken of maakte hij iets dat er prachtig bij paste en toch helemaal een Raveel was. Een paar opvallende restanten van die gedenkwaardige poëziezomer zijn ter plekke gebleven, zoals de enorme, feestelijk gekleurde schildering op een zijmuur van het Douviehuis en het standbeeld voor Hugo Claus op het marktplein.

Dat beeld geeft overigens goed de bedoeling aan van deze zomers. Raveel heeft namelijk Claus' silhouet in een rechtopstaande inoxplaat uitgespaard en wie naar hem kijkt ziet dus niets anders dan de werkelijkheid die zich op dat moment binnen Claus' omtrekken afspeelt. Kunst stuurt onze kijk op de wereld, de wereld vult onze vormen van kunst.

Vijftienduizend mensen zijn er vorig jaar naar Watou gegaan. In het weekeinde kwamen er dikwijls zo veel dat Mandelinck een doordeweeks bezoek moest aanraden, wilde men in alle rust de locaties tot zich laten doordringen. Ook dit jaar zal het niet stil blijven in Watou, want nu is het Vlaanderens grootste dichter, de vijfenzestigjarige Hugo Claus die de bindende factor is.

Drieëntwintig gedichten van hem zijn gekoppeld aan drieëntwintig beeldende kunstenaars, die of uit reeds bestaand werk iets toepasselijks gekozen hebben, of iets speciaal voor de gelegenheid hebben gemaakt. Het zijn kunstenaars van heel diverse aard, van Corneille tot Tajiri, van Alechinsky tot Roobjee, van Bogart tot Vermeersch.

Drie verlaten gebouwen zijn dit keer in gebruik genomen: als altijd het Douviehuis, aan de markt, en de Douviehoeve, buiten het dorp, maar nu ook een anderssoortig huis, het Wethuis, eveneens aan de markt. In dat laatste huis zijn nog allerlei sporen van bewoning aanwezig, alsof de mensen er nog maar net uit zijn weggegaan: gordijnen, kastjes, een bed, huisraad, lampen. Dat is allemaal zo gelaten en het versterkt de tentoonstelling.

Een van de eerste kamers die een overrompelende indruk op me maken is de slaapkamer, waarin een donker, nachtelijk doek van Karel Dierickx staat opgesteld en, binnen het frame van een ledikant, een liggend videoscherm dat van heel nabij de mond van Claus laat zien. Hij leest een gedicht voor; het is intiem en obsceen tegelijk om zo dichtbij te zijn. De stem van Claus, zijn manier van voorlezen, is onovertroffen en daarom is het puur geluk dat hij overal klinkt, uit video's, door koptelefoons, uit luidsprekers, zelfs uit een die in een boom hangt.

Voor het gedicht 'De moeder' is een grote kamer vol met vochtige, geurende, zwarte aarde gestort, om uitdrukking te geven aan de eerste regel van het gedicht: “Ik ben niet, ik ben niet dan in uw aarde.” Jan Vanriet illustreerde het gedicht met een suggestieve tekening. Elke kamer die ik binnenga levert verrassingen op: soms is het gedicht uitgeschreven op de vloertegeltjes of op de muur, soms is de bundel opengeslagen of is het te lezen op een lichttegel. Geen oplossing voor het probleem van de presentatie van de tekst is dezelfde. Het gedicht 'In het museum van Chicago' moet je uit zo'n bakje halen dat aan de muur hangt, zoals in een museum expositie-informatie.

Watou betekent een onderdompeling in Claus, in de veelzijdigheid van Claus. Hij kan hoog en laag zingen, verheven en triviaal, satirisch, geil, en al die verschillende kanten van zijn poëzie zijn hier vertegenwoordigd en komen, verhevigd door de locaties en de kunstwerken, tot hun recht.

Het gedicht 'Zij' met de regels “In het onzalig koren / nagel ik haar aan het zand” speelt zich af in een hoerig, van rood neonlicht voorzien kamertje, dat veel weg heeft van een uiterst korte steeg. Reinier Lucassen maakte een assemblage van hout, waarop woorden uit het gedicht zijn verwerkt.

Meer dan levensgroot, zijn lichaam verdeeld over zes opeengestapelde videotoestellen, is Claus te zien in de dubbele salon van het Wethuis. Hij draagt een van zijn beste gedichten voor, 'Dichter', met de regels: “Hoe dichter de dichters bij hun sterven geraken / Des te grimmiger kermen zij naar de sterren.” De beeldende kunst is hier afwezig - aanvankelijk zou Claus zelf de kamer beschilderen - maar wel is er kamerrond op het behang het meer dan honderd pagina's tellende manuscript geplakt van Claus' bewerking van 'Romeo en Julia'. Bij de opening van de poëziezomer hoor ik dat het hem een groot genoegen zal doen wanneer veertienjarige, roodharige meisjes uit bewondering deze handschriften met hun gelakte nageltjes van de muur zouden krabben.

Toen ik terugreed uit Watou had ik weer hetzelfde gevoel als vorig jaar, en de jaren daarvoor: dat er door kunst iets gezegd en zichtbaar gemaakt wordt waardoor alles er anders uit gaat zien en iets anders gaat betekenen, alsof de oude en verstofte werkelijkheid is opgefleurd en springlevend is geworden. Watou is een kuur.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden