Waterwantsen: rovers, schaatsers, waterbijen en waterkrekels

In een beschutte kreek in het rietmoeras drijven dode lisdoddenstengels wanordelijk bijeen. Een paar zijn gesierd met lange rijen witte draadjes, steeds twee in V-vorm bij elkaar. Door de loep bekeken blijken aan elke twee draadjes langwerpige voorwerpjes in het weke ontbonden plantenweefsel te zitten, die op graankorrels lijken. Het zijn de eitjes van een waterinsect, de staafwants.

Met haar legboor sneed het vrouwtje van de staafwants voor elk eitje een opening in de vergane plantenstengel, waar ze het eitje in schoof. De twee uitstaande borstels zorgen ervoor dat die openingen zich niet sluiten, zodat de larven bij het uitkomen gemakkelijk de stengel kunnen verlaten.

De staafwants leeft in het water. Het langgerekte, bruine en daardoor goed gecamoufleerde insect lijkt op een wandelende tak of wellicht nog meer op een bidsprinkhaan. Zijn voorpoten vormen een vangapparaat, waarvan de scherpe punten als een knipmes open en dicht geklapt kunnen worden. De staafwants vangt er watervlooien en andere waterdiertjes mee.

Twee lange, in de lengte gegroefde staartdraden vallen onder water samen tot een adembuis, die als een periscoop boven water kan worden gestoken. Net zo'n adembuis heeft de waterschorpioen, die veel breder is, niet ongelijk een zwart verrot wilgenblad, maar verder in bijna alles eender als zijn spichtige verwant. Hoewel familie leeft de waterschorpioen op andere plekken dan de staafwants. Door zijn platte vorm en de adembuis ziet hij er gevaarlijk uit, wat in zijn naam tot uitdrukking komt.

ONDER WATER ADEMEN

Staafwants en waterschorpioen hebben geen kieuwen, maar kunnen dank zij de adembuis onder water ademen. Bij de achterlijfspunt monden een paar tracheeën uit, vertakte luchtbuizen die door het hele insectenlijf lopen en zuurstof brengen in het vrij tussen de organen door stromende bloed. Beide soorten waterwantsen maken hun hele levenscyclus van ei tot volwassen insect _ zonder popstadium, want dat kennen wantsen niet _ in het water door. Toch kunnen ze het water verlaten, als dat nodig is. Ze hebben goed ontwikkelde achtervleugels, die verborgen en beschermd zijn opgevouwen onder de leerachtige voorvleugels.

De staafwants leeft vooral in rustige delen van heldere plassen en vaarten. Hij vliegt naar ander water als zijn woonplaats te sterk begroeid raakt of vervuild wordt. De waterschorpioen kruipt langzaam rond tussen de waterplanten of op de bodem van soms heel ondiepe watertjes vol verrot boomblad, waar hij moeilijk te vinden is. Hij moet vliegend op zoek naar een nieuwe leefplek, als het slootje opdroogt.

SCHAATSENRIJDERS

In dezelfde beschutte kreken, waar ik de staafwantseneitjes aantrof, vluchten schaatsenrijders voor de roeiboot uit. Dat zijn waterwantsen, die niet in, maar op het water leven. Ze schaatsen op de waterspiegel dank zij de oppervlaktespanning. Daarbij raakt hun lijf het water niet. Als je goed kijkt, zie je dat hun vier op het water rustende poten de oppervlakte lichtelijk indeuken, wat je ook aan de grappige schaduwen op een lichte zandbodem kunt zien, zoals in beken, waar de grotere beekschaatsenrijders leven. Zeep en andere detergentia zijn fataal voor schaatsenrijders, omdat die de oppervlaktespanning verlagen, waardoor de insecten door de waterspiegel zakken en jammerlijk verdrinken.

Hun middenpoten zijn het langst; daarmee maken ze roeibewegingen, terwijl de wijd gespreide achterpoten hoofdzakelijk als steun en roer dienen. Hun voorpoten zijn minder effectieve grijpers dan die van staafwants en waterschorpioen. Ze dienen vooral om trillingen van de waterspiegel waar te nemen.

Schaatsenrijders jagen op in het water gevallen insecten. De een zijn dood is de ander zijn brood. Als echte wantsen _ denk aan de bedwants of wandluis! _ hebben ze stekende monddelen, die een holle naaldvormige snavel vormen. Daarmee zuigen ze hun buit uit. Dat doen ook de vijverlopers, die niet schaatsen, maar traag over de waterspiegel lopen. Alle poten van deze wants zijn even lang en grijpen doen ze er niet mee. Soms verzamelen ze zich bij tientallen op een groot verdronken insect. Ze vangen ook water-vlooien en muggenlarven, die zich net onder het wateroppervlak bevinden, door er hun zuignaald in te steken.

Vanwege hun bedachtzame manier van voortbewegen op de waterspiegel gaf de wetenschap de vijverloper de naam Hydrometra, watermeter. Vijverlopers houden zich tussen de oeverplanten op, want ze kunnen niet tegen sterke stroming. Ze zijn bijna altijd praktisch vleugelloos. Soms ontwikkelen zich exemplaren die kunnen vliegen. Deze zorgen voor verspreiding van de soort naar andere wateren.

PIJNLIJKE STEEK

Sommige waterwantsen lijken op waterroofkevers. Vooral de platte zwemwants, eirond, anderhalve centimeter lang en bruingroen van kleur met donkere stippels, wordt vaak voor een waterkever gehouden. Hoewel de achterpoten echte roeipoten zijn, met een brede franje van stijve haren, kan de zwemwants er minder snel mee zwemmen dan duikerwantsen en waterkevers. Je vindt dit roofzuchtige dier voornamelijk in dicht begroeide wateren, waar hij kruipend tussen algen en waterplanten loert op andere waterdieren, van bullekopjes en libellenlarven tot jonge salamanders en stekelbaarsjes. Het laatste lid van de voorpoten is een scherp gepunte dolk, die als een knipmes past in een gleuf van het tweede pootlid. De zwemwants kan pijnlijk steken, als je hem onvoorzichtig aanpakt.

De zwemwants bewaart de ademlucht in de fluwelige buikbeharing, maar tegelijk ook onder de vleugels. Bij het verversen ervan komt hij met het achterlijf aan de waterspiegel, dus net als een waterroofkever. Dat zie je ook de bootsmannetjes doen, waarvan het in de kreken krioelt. Die bootsmannetjes zwemmen ondersteboven; vandaar hun tweede naam rugzwemmer.

BOOTSMAN EN DUIKER

Als bootsmannetjes niet zwemmen, komen ze als een kurk bovendrijven door de ademlucht, die ze onder de vleugels meenemen. Aan de waterspiegel hangen ze ondersteboven te wachten totdat een insect in het water valt. Tegelijkertijd verversen ze de ademlucht via hun achterlijfspunt, die ze iets boven water steken. Heel anders dan de duikerwantsen, die op bootsmannetjes lijken, maar vegetariërs zijn (ze leven van kiezelwieren) en normaal zwemmen, met de rug naar boven. Duikerwantsen nemen de ademlucht mee aan de buik. De luchtbel moet af en toe worden ververst, wat het dier doet door met het borststuk boven water te komen, waarbij het de kop pompend op en neer beweegt. De mannetjes maken een knerpend geluid, een soort sjirpen. Het klinkt als een tamelijk luid, krekelachtig “kriep-kriep-kriep...”. Vroeger dachten we dat de 'waterkrekels' dat geluid maakten tijdens het luchtverversen, maar ze doen het onder water.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden