Wat zou hij schilderen?

Zuidplaspolder. Zo heet de polder ten westen van Gouda. Erin bevindt zich het laagste punt van Nederland. Als het water hier zijn gang kon gaan dan stond het hier bijna zeven meter hoog. Erlangs ligt de spoorlijn naar Den Haag.

Ik zat in de trein op die lijn gisterochtend. Het was nog vroeg, de wind, zoals al dagen, vuil en koud. De wolkenlucht was opengetrokken. Ik dommelde wat achter de krant, ik kende deze route, de weiden en sloten aan weerszijden, besteedde er geen aandacht aan.

In het Gemeentemuseum in Den Haag wachtten vriendelijke medewerkers, er was koffie en fris, de directeur stelde zich voor. 'Holland op z'n mooist' heette de tentoonstelling die zijn museum in samenwerking met het museum in Dordrecht en met Natuurmonumenten had ingericht. Vandaag mocht de pers komen kijken, een voorbezichtiging, heel wat werken stonden nog op blokken van schuimrubber op de vloer te wachten op hun plaats aan de wand.

De directeur sprak ons toe, 'Holland op z'n mooist' is een verzameltentoonstelling van schilders van de negentiende-eeuwse Haagse School. Ruim tweehonderd werken, verdeeld over Dordrecht - de vroegere periode, de worteling in de Romantiek - en Den Haag, waar de landschappen hangen die een land vasthielden dat op het punt van verdwijnen stond, landschappen, lage polders onder hoge luchten, die onze blik vormden, ons bewustzijn.

En toen sprak de directeur die sleutelzin uit. "Zonder die kunstenaars had u niet van die landschappen gehouden." Toen al zag men dat. Nauwelijks waren ze uitgeschilderd of Jac. P. Thijsse richtte Natuurmonumenten op. Dit was in 1905. Je begon de samenwerking tussen musea en stichting te begrijpen.

Natuurmonumenten 'schildert' inmiddels naar de Haagse School. Een landschapshistoricus, aan Natuurmonumenten verbonden, liet lichtbeelden zien waarin hij doeken van de Haagse School en beschermde of herstelde landschappen van nu naast elkaar zette. Zie de slootkant, zie de knotwilgen, zie de vermenigvuldiging van koeienrassen. Er volgde een rondgang langs de doeken aan de wanden en aan onze voeten, molens, velden, duinen, koeien, en boven alles de wolken. Altijd wolken, nooit een stralend blauwe hemel, al kwam Jan Hendrik Weissenbruch er met zijn 'Zicht op Haarlem' en 'Zijn polderlandschap met pramende boer' heel dichtbij.

Ach, Weissenbruch.

Alleen al voor hem moet u naar de musea snellen, dan begrijpt u waarom ze dit tijdsgewricht ook de tweede Gouden Eeuw noemen. Het is oogverblindend hoeveel licht hij in zijn lucht kon werken.

Op de terugweg keek ik meer naar buiten, ook de schilders van toen namen al de trein. Maar wat zou Weissenbruch nog kunnen schilderen, in Nootdorp, de vinex van Ypenburg, Zoetermeer? Het distributiecentrum van Intertoys? De hogesnelheidslijn? De hoogmasten? De A12, de A20, de N209?

Hij zou nu verder moeten reizen, voorbij het laagste punt, voorbij Gouda, naar het polderland achter de Reeuwijkse Plassen misschien, verkaveld tekentafelland, sloot na rechte sloot, maar erboven die eeuwige wolken van weleer.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden