Review

Wat zou Hammacher vinden van de Nieuwe Wilden?

Een enkele maal kun je het voorrecht hebben hem op een opening van een tentoonstelling of gewoon zomaar tijdens een museumbezoek aan te treffen: A.M.Hammacher, Bram voor vrienden en bekenden, maar zeker niet voor de vele jongere generaties die hem consequent met mijnheer Hammacher aanspreken omdat hij door zijn rijzige, bijna aristocratische houding veel respect afdwingt.

Hammacher hoort inmiddels tot de ijzer sterken. Geboren in 1897 in het Zeeuwse Middelburg, waar kunst uitsluitend op provinciaal niveau te beleven viel, hoort hij nog net tot de eervorige eeuw, al verdiende hij zijn sporen nog voor 0de Tweede Wereldoorlog met kritieken van 20ste-eeuwse kunst. Op dat vlak -hij schreef naast een langdurige baan bij de PTT voor het NRC, maar ook voor De Gids, Elsevier's Geïllustreerd Maandschrift en Forum - is hij waarschijnlijk de belangrijkste kunstpublicist van zijn tijd geweest.

Behalve als kunstcriticus (en later hoogleraar kunstgeschiedenis aan de TH in Delft, hoewel hij wat kunstbeschouwing betrof selfmade was) is hij ook bekend geworden als directeur van het Rijksmuseum Kröller-Müller in het Veluwse Otterlo. Daar kwam hij in 1947 als conservator en waarnemend directeur binnen, om pas in 1963 met pensioen te gaan. Sinds die tijd heeft hij opnieuw een stroom aan kritische beschouwingen gepubliceerd. Bijna elk jaar verschijnt er wel een bijzondere studie, over kunsthistorische figuren als Henry van de Velde, Barbara Hepworth, René Magritte, Fausto Melotti en Georges Seurat, Van Gogh en Jean Pierre Raynaud. Ter gelegenheid van zijn honderdste verjaardag in 1997 bood het Kröller-Müller hem een eerbetoon aan in eigen huis, in de vorm van een vierluik van Spaanse beeldhouwers: Picasso, González, Miró en Chillida. Hoewel Hammacher zeker grote waardering voor deze kunstenaars moet hebben gehad, werd zijn Franse oriëntatie op de kunst hiermee onvoldoende recht gedaan.

Bram Hammacher was voor kunsthistoricus Peter de Ruiter een dankbare aanleiding voor zijn proefschrift. Dat leidde weer tot een handelseditie die met ruim 600 pagina's volledig recht doet aan deze unieke figuur. Op zich is het natuurlijk opmerkelijk dat een (oud-)museumdirecteur nog tijdens zijn leven zo uitvoerig in biografische vorm wordt neergezet. De Ruiter beperkt zich in zijn studie tot de relatie die Hammacher met de kunst én de kunstenaars onderhield, wat hem tot de kernachtige titel 'Kunst als levens essentie' brengt. Maar hij schroomt om over al te persoonlijke zaken te spreken, wat in het geval van Hammacher wel zo jammer is. Want de persoonlijke betrekkingen die de criticus en museumdirecteur met de kunstenaars van zijn tijd onderhield, lijken op het eerste gezicht bovenmatig interessant. Hammacher deelde vriendschappen met talloze Nederlandse schilders van zijn tijd. Opvallend is wel dat hij weer weinig was geïnteresseerd in die kunstenaars die in dezelfde tijd werden geboren als hij, zoals de generatie van 1900. Een voorbeeld is Kees Verwey, die slechts één keer in het boek wordt genoemd, en dan nog in het kader van een eenmalige expositie waar figuratief werk moest hangen. Een ander voorbeeld is Willem de Kooning. Hammacher heeft de naar Amerika geëmigreerde schilder gesproken, maar zag niet veel meer dan 'een sterk talent' in hem waar hij geen expositie aan hoefde te wijden. Dat heeft geduurd tot Edy de Wilde directeur van het Stedelijk Museum in Amsterdam werd.

Het is ook de vraag of Hammacher internationaal gezien zijn museum een belangrijke rol heeft laten spelen. Hij is zeker geen Sandberg geweest, die hoogsteigenwijs zijn eigen smaak wilde doordrijven, een smaak die toevallig wel van kunsthistorisch belang is geworden. De Ruiter noemt tal van schilders die Hammacher graag in zijn museum wilde hebben, maar die hij niet wist te verwerven. Veelzeggend zijn De Ruiters typeringen van Hammachers smaak in de eerste jaren van zijn directoraat: ,,Veel van Hammachers acquisities hebben gemeen dat ze een naar binnen gekeerde, verstilde, intieme of serene sfeer oproepen, een weerspiegeling van zijn persoonlijke smaak. In de aankopen domineert de mensfiguur, figuratief danwel in geabstraheerde vorm. Verschillende sculpturen verbeelden een diep tragisch moment of een gevoel van extase. Markante voorbeelden daarvan zijn de aankopen van Bourdelle, Martini, Lipchitz, Mario Marini, Maillol en van de Belg Constant Permeke.' Het zou interessant zijn om te weten wat Hammacher vindt van de installatiekunst zoals die sinds de jaren zeventig is ontstaan (en bij zijn opvolger in het museum, Rudi Oxenaar, vaak aan de orde werd gesteld) of een beweging als de Nieuwe Wilden in Duitsland. In hun kunst is de mens nog oppermachtig aanwezig en ook worden gevoelens van extase en tragiek opgeroepen. Voor Baselitz, Immendorff, Richter of Beuys had hij in ieder geval weinig of geen belangstelling.

De Ruiter, die zijn onderwerp in een oneindig aantal gesprekken aan de tand heeft gevoeld, komt tot een uitvoerig en goed gedocumenteerde kenschets van de museumman Hammacher. Die blijft echter wel een figuur met een beperkte historische reikwijdte, die na zijn vertrek eind jaren zestig uit de actieve museumdienst definitief tot de kunstgeschiedenis ging behoren. Het feit dat hij ruim acht decennia van moderne kunst heeft overspand, blijft daarmee een theoretisch gegeven. Maar Hammacher behoort dan ook niet tot de generatie van tentoonstellingsmakers van het type Szeemann, Hoet, Fuchs of Nittve, die de kunst naar hun hand willen zetten en er met hoogstpersoonlijke oordelen op reageren. Als criticus was Hammacher een volger, als tentoonstellingsmaker verzuimde hij de gelegenheid te grijpen om duidelijke voorbeelden te stellen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden