Wat wij vinden is niet wat wij zoeken

Op een gure dag in de afgelopen winter kwam Jan Hoet, de directeur van het Stedelijk Museum voor Actuele Kunst in Gent, binnenvallen in de oude pastorij van het West-Vlaamse plattelandsdorpje Watou, waar de dichter Gwy Mandelinck woont. ,,Heb je het woordenboek van Van Dale in huis?'' vroeg Hoet verhit. ,,Welzeker,'' antwoordde Mandelinck bedremmeld. ,,Zoek op,'' commandeerde Hoet, ,,'serendipiteit'. Dat is Watou!''

Gwy Mandelinck, die dit jaar al weer voor de negentiende keer de 'poëziezomer' van Watou organiseert - waarin werk van dichters en beeldend kunstenaars op het dorpsplein, in de huizen, de stallen en het zacht glooiende landschap met elkaar wordt geconfronteerd - had Jan Hoet vorig jaar gevraagd om als curator van de beeldend kunst op te treden. Mandelinck koos zelf, zoals altijd, de poëzie.

Maar pas ná de tentoonstelling was Hoet per ongeluk op de term gestuit die het geheimzinnige proces dat Watou steeds tot een succes maakt, exact verwoordde. 'Serendipiteit' betekent 'door toeval en intelligentie datgene vinden wat je niet zoekt'.

Mandelinck nam Het Woord van Hoet als uitgangspunt voor de expositie van dit jaar. Maar daar liet hij het niet bij. Anders dan vorige jaren besloot hij zich niet te beperken tot de Nederlandse en Vlaamse poëzie, maar ook Italiaanse, Engelse, Franse en Griekse dichters te selecteren. ,,Normaal is Watou, dat pal aan de grens met Frankrijk ligt, het dievenoog op een andere taal,'' zegt Mandelinck. ,,Maar deze zomer is het dorp de poort naar Europa.''

Om het internationale ook in de beeldende kunst gestalte te geven vroeg Mandelinck - opnieuw op aanraden van Hoet - Giacinto Di Pietrantonio, een Italiaanse professor aan de Academie van Milaan en ervaren expositiebouwer, die waarschijnlijk in het bezit is van de mooiste naam van de wereld. Giacinto (letterlijk: hyacinth) Di Pietrantonio ging in januari aan de slag in Watou en hoopte, zo schrijft hij in de catalogus, dat 'zijn' kunstenaars in Watou het beroemde effect van de vleugelslag van een vlinder zouden hebben: ,,Een vlinder die met zijn vleugels fladdert in Lissabon brengt een minieme hoeveelheid lucht in beweging die veel later uitgroeit tot een wervelstorm in Japan.''

Het is inderdaad het patroon dat de tentoonstelling, verdeeld over vijf verschillende locaties in en om het dorp, te zien geeft. Het begin is licht, maar al direct bij de eerste locatie hangt de dreiging in de lucht. De Brit Martin Creed heeft de kamer van een huis gevuld met fel gekleurde balonnen. Tot anderhalve meter hoog. Door de ramen zijn ze van buiten al te te zien. De bezoekers treden binnen, lopen erdoorheen, zien de grond niet langer en denken even dat ze vliegen. Ze voelen het vederlicht weerstaan van de balonnen die tegen het plafond schieten. En terug. Maar ze zijn gewaarschuwd.

Charles Ducal dicht in 'Icarus', over de mythische held die even vloog maar hoogmoedig neerstortte: ,,Wij zien door het raam hoe onhoudbaar / de vlucht, hoe zeker de val. Weten beter.''

Toch blijft de illusie nog even zweven. In de andere kamers van het huis blijven de kunstenaars tasten naar begrip, maar slagen niet. ,,Hoe zal ik dit uitleggen, dit waarom / wat wij vinden niet is / wat wij zoeken.'' dicht Rutger Kopland in 'Enkele andere overwegingen'. De briljante slotregel van zijn gedicht luidt: ,,Ik zal dit uitleggen.'' Om vervolgens te zwijgen. Het is de perfecte definiëring van het paradoxale thema van de tentoonstelling. Serendipiteit!

Op de tweede locatie in Watou, een vervallen arbeidershuisje aan de Kleine Markt, speelt het toeval ook een cruciale rol. De Italiaanse kunstenaar Alberto Garutti vindt dat een huis slechts leeft, omdat er buren zijn. Hij heeft in elk kamertje een gloeilamp opgehangen, die pas gaat branden als er activiteit is bij de buren. Garutti nam zijn eigen elektricien mee om sensoren in de naastgelegen huisjes te monteren. Het heeft een schrikbarend effect. Donkere, lege kamers blijven dood tot plots, plop, het licht aan schiet. En weg is het licht weer. ,,'t is weg / het licht / de nacht, een bijl,'' klinkt de prachtige stem van de Vlaamse acteur Dirk Roofthooft, die op alle locaties is te horen. Hier spreekt hij de regels van Hubert van Herreweghen.

Toen Garutti in het arbeidershuisje bezig was, kwam hij op een tweede idee. In een van de kamers zijn de aantekeningen van zijn hand nog in potlood op het verschoten behang te vinden. 'Milano' staat er, en een pijl naar 'Watou'. En wat cijfertjes. Naar de vernissage, weken na de installatie van zijn lampen, nam Garutti vervolgens een enorme spoel met rode draad mee en gaf die aan Gwy Mandelinck. Die ligt nu in dezelfde kamer met de tekst: ,,Deze draad van 1073 kilometer en 900 meter verbindt de deur van mijn huis in Milaan met de deur van het huis van Watou.''

Verder gaat het door het dorp. Naar een nieuw spel van licht en donker. In de breedte van een enorme koeienstal heeft de Nederlander Tom Claassen lange rijen van dezelfde witte piepschuimen vormen neergezet. Hij vertelde Mandelinck dat hij de vorm heeft ontleend aan de zaaibedden die hij uit Limburg kende, maar op het eerste gezicht rijst uit het piepschuim geen leven, maar slechts de dood op. Het zijn net witte sarcofagen, die het licht dat door de ramen naar binnen valt alle kanten op kaatst.

,,Waarlijk, zoveel licht vernietigt alles,'' beweert de Spaanse dichter Rafaël Alberti. ,,Het valt als onmetelijk stof omlaag, / het veegt de profielen uit, verdunt, / de vormen, de volumes.'' De woorden en het felle wit van de sarcofagen vullen de ruimte als een hand een handschoen.

Zo strak en soepel gaat het in de stal van de 'Douviehoeve', de vierde locatie, niet toe. Daar heeft de Japanner Masato Kobayashi een slagveld aangericht. Hij woonde een maand in Watou, staarde over de golvende velden, dronk Hommelbier in het café en sliep 's nachts af en toe zelfs in 'zijn' stal om zich de ruimte toe te eigenen. Koboyashi strooide het stro rond zoals hij wilde, smeet grote hanebalken als mikadostokjes tegen de wand en timmerde sommige balken tegen elkaar aan. En tenslotte smeerde hij zich in met gele en rode verf en rolde zich van een doek, dat nu wel met bloed besmeurd lijkt. Na afloop liet hij opzettelijk de bewijzen van zijn strijd met de elementen achter. Tussen het stro liggen verlaten verftubes als geweren en spijkers als patronen.

Dit is het moment waarop, om in de beeldspraak van Giacinto Di Pietrantonio te blijven, de vleugelslag van de vlinder tot orkaankracht aanzwelt. De theatraliteit vindt een hevig einde bij het oude Blauwhuys, de laatste locatie. Die plek is door de Indonesiër Tiong Ang voor even veranderd in het voorgeborgte van de hel. Hoog op een hooizolder crepeert een muis op een tv-scherm en beweegt langzaam het kale, bebrilde hoofd van een oude mongool op een enorm projectiedoek. Hij is verschrikkelijk. Op zolder is alles verloren, hebben intuïtie en intelligentie de strijd gestreden. Tevergeefs. De mongool rijst op, in de woorden van Esther Jansma, als ,,een monster met een vacht / die slechts ontstaan kan in het donker / onder stenen. Het was een wonder / dat hij zag dat ik er stond.''

Er rest niets anders dan een vlucht uit het donker. Weg van de hooizolder, de steile houten trap af en naar buiten. Eindelijk. Lucht! Licht! Als de ogen daar weer aan zijn gewend, valt op dat de zon over de velden strijkt en er een verfrissend windje opsteekt. Aan de hel ontsnapt en met twee voeten in het gras van Watou, Dat kan, serendipiteit of niet, geen toeval zijn.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden