Wat wij van de Afrikanen kunnen leren

In Afrika wordt veel natuur betaald van de inkomsten uit toerisme. Een heuse 'ontwikkelingswerker' komt hier vertellen hoe Europa kan volgen.

Timothy Ole Mosiany behoort tot de Masai, het oorspronkelijke nomadenvolk uit Kenia en Tanzania. Hij zal vandaag vanachter een katheder in een zaaltje in Driebergen een select gezelschap van Nederlandse natuurbeschermers toespreken. Die willen horen hoe in Afrika het wild wordt beschermd met inkomsten uit het toerisme.

Ole Mosiany weet dat precies. Hij is assistent-manager van de Ol Lentille Lodge, een luxe gastenverblijf in de streek Laikipia in Kenia. Vijfduizend hectare groot, en gedreven door de lokale gemeenschap. Met het geld van de toeristen wordt niet alleen de natuur beheerd, maar is ook een school gebouwd. En een groot deel van de plaatselijke bevolking heeft met het toerisme nieuwe inkomsten.

Komen specialisten uit het Westen vaak in Afrika vertellen hoe ze het daar moeten doen, als het gaat om het beheer van grootschalige en wilde natuur luistert Europa tegenwoordig naar Afrika. Franse, Duitse en Nederlandse organisaties zijn alleen bekend met Nationale Parken die overeind blijven door rijkssubsidies.

Maar in landen als Namibië, Kenia en Zuid-Afrika wordt al vijftien jaar geëxperimenteerd met alternatieve financieringen. Investeerders in de toeristische sector worden in contact gebracht met de lokale gemeenschappen die eigenaar of rechthebbende van de grond zijn. Bedrijven krijgen in zulke constructies de gelegenheid lodges te bouwen en safari's te organiseren, terwijl de plaatselijke bevolking daarvan economisch profiteert. Grote winnaar van deze overeenkomsten is het wild en, in breder verband: de natuur. Die vormt in essentie de waarde binnen het afgesloten contract.

René van der Duim, buitengewoon hoogleraar toerisme en duurzaamheid aan de Wageningen Universiteit (WUR) deed afgelopen jaren onderzoek naar deze vorm van natuurbeheer in Afrika en ontdekte hoezeer Europa van de initiatieven daar kan leren. Kenia bijvoorbeeld heeft enkele officiële wildparken, maar juist de leeuwenpopulaties, olifanten, kudu's en hyena's búiten die beschermde zones staan onder druk. Daar neemt de bevolkingsdichtheid toe, en lopen mens en dier elkaar letterlijk in de weg. "Die buitengebieden zijn van groot belang", zegt Van der Duim, "omdat ze de verbinding vormen tussen de parken. Gaat het in het ene reservaat slecht met de olifant, dan kan deze populatie zich herstellen door migratie van andere kuddes."

Maar ook de mens in datzelfde buitengebied heeft het moeilijk. De boeren of nomadenstammen leiden daar een marginaal bestaan, en een leeuw die de kudde aanvalt of een olifant die door de akkers struint, wordt als vijand beschouwd. "Je kunt niet van een Keniaanse overheid verwachten dat zij in het kader van de protectie van beschermde diersoorten boeren altijd compensatie voor schade aanbiedt. En hoe controleer je als centrale overheid of die schade echt is aangericht?" Je kunt geen gebruik blijven maken van de gelden van buitenlandse donoren, aldus Van der Duim. Daarom hebben ze in diverse landen in Afrika zelf oplossingen bedacht, die allemaal van elkaar verschillen, maar één ding gemeen hebben. Door commerciële activiteiten worden duurzame geldstromen gecreëerd die ten goede komen aan de natuur én plaatselijke bevolking.

In Kenia is African Wildlife Foundation (AWF) de spin in het web rond dit alternatieve beheer. Deze natuurbeschermingsorganisatie bezit de kennis over het gebied, kent de ecologische problemen en kansen, en kan ondersteunen bij aanleg en beheer van infrastructuur. Uit dit AWF is de nieuwe, onafhankelijke organisatie Conservation Capital voortgekomen, die op zoek gaat naar nieuwe, serieuze investeerders, deze doorlicht op betrouwbaarheid, en vervolgens koppelt aan lokale gemeenschappen. Conservation Capital stelt ook het contract tussen beide partijen op, en AWF op haar beurt houdt in de jaren die volgen een vinger aan de pols. Doet het bedrijf wat is afgesproken, en houdt de lokale gemeenschap zich aan de voorwaarden?

Van der Duim: "Lokale arbeiders kunnen bijvoorbeeld worden ingeschakeld voor de aanleg van wegen en de bouw van de lodges. Maar de bevolking als totaal moet afzien van stroperij. Dat is vooral een mentale kwestie. De mensen moeten gaan zien dat die dieren die voorheen voor overlast zorgden, nu de voorwaarde zijn voor hun succes. Ze léven als het ware van de leeuwen en olifanten, die immers de toeristen trekken." Naast de directe inkomsten, ziet de bevolking door de jaren heen beter onderwijs en gezondheidszorg ontstaan. "Je kunt zeggen dat er overdracht van baten plaatsvindt", zegt van der Duim. De gemeenschappen blijven overigens de formele eigenaar van de gronden.

Op den duur zou het management van de lodges volledig in lokale handen moeten komen, zoals dat straks ook met Timothy Ole Mosiany in de Ol Lentille Lodge moet gebeuren. Maar Van der Duim is ook realist. "Daar gaan generaties overheen. De komst van een school is in sommige gebieden al een hele stap. Voordat een gemeenschap geschikte managers kan leveren, ben je zo vijftien jaar verder."

Ook niet alle projecten lopen voorspoedig. Er zijn partijen met forse ruzie uit elkaar gegaan, ook is er geld verdwenen. Het blijft experimenteren, maar langzaam maar zeker tekent het succes zich wel af.

De African Wildlife Foundation heeft in Afrika al meer dan dertig projecten waarbij commerciële partijen natuurcontracten sluiten met lokale gemeenschappen, Kenia alleen al telt er een tiental. In Namibië wordt, in een iets andere juridische constructie, inmiddels een zesde van het totale landoppervlak beschermd door zulke samenwerkingsverbanden. Hier wordt het geld niet zozeer met safari's, maar met jacht verdiend. Toch geldt ook in dit deel van Afrika: wilde dieren vormen de economische basis voor het natuurbeheer.

Europa moet wilder worden
De afgelopen vijftien jaar is in Europa twaalf miljoen hectare landbouwgrond verdwenen. Tot 2030 zal daar nog eens achttien miljoen hectare bijkomen, voorspelt het Institute for European Environmental Policy (IEEP). Dat betekent dat grote gebieden, die samen de oppervlakte van tien keer Nederland vormen, nauwelijks meer een economische functie hebben, terwijl zij nog steeds dunbevolkt zijn.

Vooral de gebieden waarin kleinschalige landbouw werd bedreven, komen nu vrij. In de huidige ontwikkeling naar een grootschaliger en intensievere landbouw vallen de veelal kleine boerenbedrijven als eerste om. Deze gebieden zijn niet geschikt voor moderne en intensieve voedselproductie.

Het verval van het oude Europese boerenland kan gekeerd worden, door de situatie van een totaal andere kant te benaderen; door de 'leegloop' juist als 'ruimte' te zien, waarin natuur de kans krijgt als nieuwe economische drager voor het gebied te dienen. Volgens de organisatie Rewilding Europe kunnen in de gebieden die door de leegloop zeer dun bevolkt zijn geraakt, grote wildernisgebieden worden gecreëerd die allerlei nieuwe economische activiteiten stimuleren, vooral op het vlak van natuur-toerisme.

In 2020 moet minstens één miljoen hectare verlaten boerenland zijn omgetoverd in nieuwe wildernis. Het gaat om tien gebieden die de potentie hebben binnen tien jaar uit te groeien tot een omvang van minstens honderdduizend hectare.

In Rewilding Europe werken het Wereld Natuur Fonds, de ARK Nature, Wild Wonders of Europe en Conservation Capital samen. De Nationale Postcodeloterij steunt het initiatief financieel. Meer informatie over de afzonderlijke projecten en foto's van dieren in het wild in Europa zijn te vinden op www.rewildingeurope.com

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden