Wat Vincent van Gogh in Parijs in de spiegel zag beeldende kunst

Van Goghs Parijse zelfportretten. Prentenkabinet Rijksmuseum Vincent van Gogh, Amsterdam. Dagelijks 10-17 uur, t/m 9 oktober.

Daarvan ontstonden er 29, toen hij zich - van maart 1886 tot februari 1888 - in Parijs ontworstelde aan de sombere tonen van zijn Hollandse palet. Hij schilderde die portretjes veelal op karton of op al gebruikte doekjes. In het Van Goghmuseum kan men er nu vijf zien die op de keerzijde van Nuenens werk staan.

Kennelijk ging het Van Gogh in de meeste gevallen inderdaad niet om zelfrepresentatie of zelfonderzoek. Zijn spiegelbeeld was niets anders dan een goedkoop model. Het hield gewillig 'hoofd links' of 'hoofd rechts' en het vergde geen flatteus resultaat. Vincent ging met het bekketrekken niet zo ver als Rembrandt, toen die zich oefende in het schilderen van 'tronieën'. Toch blijkt uit de onderlinge verschillen dat sommige koppen niet precies tonen hoe de man er werkelijk uitzag. Vooral het onderscheid tussen twee portretten op de keerzijde van Nuenense stillevens is zeer groot. Die schilderijtjes maken wèl duidelijk hoe Van Gogh naar een eigen schildertrant toe werkte.

Overigens geven mensen die Vincent persoonlijk hebben gekend, ook wel tegenstrijdige beschrijvingen van zijn voorkomen. Op zijn 24e was hij volgens de Dordtse boekhandelaar Dirk Braat “geen aantrekkelijke jongen, zoo met die dichtgeknepen oogjes.(. . .) Hij was goed gebouwd, met rossig haar, dat steil op zijn hoofd zat, met een onknap gezicht met zomersproeten, maar dat geheel veranderde en opluisterde, wanneer hij in geestdrift geraakte en dat gebeurde nog al eens.”

Zijn schoonzuster, Johanna, lijkt een nauwkeurig waarneemster te zijn geweest. Zij vond dat hij er veel sterker uitzag dan haar man, Theo. Ze beschreef hem als “tamelijk breed in de schouders, en hij maakte een stoeren, stevigen indruk . . . ” Hij had net als Theo “lichtblauwe oogen, die zich soms verdiepten tot een groenachtig blauw”. Een huisgenoot van Vincent uit zijn Dordtse tijd vond net als Braat zijn gezicht “leelijk, zijn mond min of meer scheef (. . .) maar als hij sprak over godsdienst en over kunst en dan, wat hij al gauw deed, in vuur raakte, dan schitterden zijn oogen en maakten zijn trekken op mij tenminste een diepen indruk; 't was zijn eigen gezicht niet meer, 't was mooi geworden.”

Volgens de beeldhouwer Mendes da Costa had Vincent geen steil staande, maar sluike roodblonde haren en een “bekorende vreemdheid”. De schilder Hartric, die hem meemaakte in het Parijse atelier van Cormon, beschreef hem later, in 1939, als “een vrij spichtig klein mannetje, met geknepen gelaatstrekken, rode haren en baard en lichtblauwe ogen. Als hij eenmaal op gang was, kwam er een ware stortvloed van woorden in het Nederlands, Engels en Frans uit zijn mond, waarna hij over zijn schouder nog een blik naar je wierp en tussen zijn tanden siste.” Anderen hebben verteld dat bij Cormon achter zijn rug wel om hem werd gelachen, maar voorzichtig, want men vreesde hem een beetje. Aan zijn zuster, Willemien, schreef Vincent uit Arles “dat eenzelfde persooon mijns inziens stof tot erg uiteenlopende portretten oplevert”.

Foto's corrigeren het beeld in dit geval niet. Op de expositie zijn er twee, maar die zijn van de 13-jarige en de 18-jarige Vincent als een keurig in het pak gestoken domineeszoon. Op een foto met zijn collega Emile Bernard langs de Seine zien we hem op de rug. Toen hij onverhoeds zijn broer in Parijs op het dak viel, had hij zich blijkens enkele zelfportretjes ook zo netjes mogelijk gekleed - in zijn 'principalenpak', zoals het werd genoemd door kunstenaars die op een opdracht uit waren. De reeks die nu op de tentoonstelling hangt, geeft een kijkje op een garderode die drie hoeden omvatte, waaronder de geliefdste blijkbaar een strohoed was.

Twee minder kleine zelfportretten zijn gesigneerd. Een daarvan heeft iets van een meesterproef aan het slot van zijn Parijse studietijd. Het streeft naar een gelijkende weergave en naar het uitdrukken van een gevoelstoestand, terwijl het ook toont dat de schilder zich terdege de kleur eigen heeft gemaakt. In een brief uit Arles aan Willemien beschreef hij het zelf: “Een rozegrijs gelaat met groene oogen, aschkleurig haar, rimpels in voorhoofd en om den mond, stijf, houterig, een zeer rooden baard, vrij ongeredderd en triest, maar de lippen zijn vol. Iets anders dan een photografie”, besloot hij. Aan de expositie zijn zelfportretten toegevoegd van Bernard, Laval en Gauguin.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden