Wat te doen met altruïsme?

Zolang Darwins theorie werd toegepast op planten en dieren, was er niets aan de hand. Maar toen de evolutieleer ook in verband werd gebracht met mensen, ging er een doos van Pandora open.

Survival of the fittest (overleving van de geschikste), struggle for life (strijd om het leven), natuurlijke selectie: het zijn bekende termen uit de evolutieleer van Charles Darwin. Maar ze zijn ook in verband gebracht met de rassenleer van het nazisme, dat het arische ras verheerlijkte en het joodse wilde uitroeien.

Niet alleen de nazi’s en hun ideologische voorlopers vergrepen zich aan Darwins theorie van natuurlijke selectie. Zijn gedachtengoed werd in de 19de en begin 20ste eeuw een grabbelton voor sociale en politieke theoretici van allerlei gezindten, van marxisten tot laissez-faire liberalen. Ideologen pakten eruit wat hen aansprak en bogen het om naar hun eigen ideeën.

Darwin was in de 19de eeuw ongekend beroemd, vertelt Cor Hermans, die in 2003 promoveerde op het sociaal-darwinisme, de stroming die de evolutieleer op mens en maatschappij losliet. „Iedereen schurkte tegen hem aan. Sinds hij in 1859 On the Origin of Species had geschreven, was iedereen vóór of tegen hem.”

Hoe interessant dit boek over de evolutie van vinken, schildpadden en eendenmossels ook was, al vrij snel na publicatie ging de grootste belangstelling uit naar de consequenties voor de mens. Hoe was die geevolueerd? Waar stamde de mens vanaf? Was de mens alleen fysiek of ook geestelijk een product van het evolutionaire toeval? En hoe geschikt was de westerse maatschappij voor het selecteren van de sterkste exemplaren? Halverwege de 19de eeuw had Darwin daar zelf nog niets over geschreven –dat deed hij pas in 1871 in The Descent of Man– maar zijn vrienden en vijanden discussieerden er meteen op los.

Eén vraag hield hen in het bijzonder bezig: was de maatschappijvorm waarbij mensen in een collectief leefden en uit altruïsme voor de zwaksten zorgden, te verklaren uit de natuurlijke evolutie of was het slechts een onverstandige afspraak om het natuurlijke ’recht van de sterkste’ te neutraliseren?

Hermans: „Liberalen, die het individualisme aanhingen, kozen voor het laatste standpunt. Onversneden concurrentie moest de grondslag van de samenleving blijven, want dat was de natuurlijke grondhouding en zou ertoe leiden dat de sterksten overleefden.

„Maar collectivistische denkers gingen er vanuit dat altruïsme bestond omdat het een evolutionair voordeel had. Darwin had immers ook de aandacht gevestigd op sociaal gedrag bij mieren en bijen. Het zorgen voor de zwakkeren in de samenleving was dus op wetenschappelijke gronden als positief en natuurlijk te beschouwen.”

Ook Darwin had moeite met de contra-selectieve gevolgen van het maatschappelijke altruïsme, zegt Hermans. „Zoals velen in die tijd maakte hij zich zorgen over het feit dat mensen aan de onderkant van de samenleving, arbeiders met name, zich sneller voortplantten. Al die monden moesten wel gevoed. Bovendien ging het in tegen het selectieprincipe dat alleen ’de sterkste’ wint en zich voortplant.

„Hij worstelde met de keuze tussen altruïsme en het overleven van de gezondste en de sterkste ten koste van de zwakkeren, maar moest toegeven dat samenwerken en kuddevorming heel normaal waren in de natuur. Het was zelfs een goede strategie om te overleven. Dat we op morele gronden de zwakkeren beschermen, moeten we daarom accepteren, vond hij. Ook al leidde het puur biologisch gezien tot degeneratie.”

Maar anderen legden zich niet bij deze conclusie neer. Hermans: „Francis Galton, Darwins neef, werd een van de voorvechters van de eugenetica, het verbeteren van rassen door gereguleerde voortplanting. Niet alleen in Engeland, ook in de Verenigde Staten en Duitsland waren aanhangers te vinden. In bepaalde Amerikaanse staten leidde het ertoe dat groepen mensen, vooral geestelijk zieken en criminelen, gesteriliseerd moesten worden.”

Dergelijke denkbeelden vonden uiteindelijk ook een plek in het nationaal-socialisme. Is het maken van een onderscheid tussen superieure en inferieure rassen te verenigen met Darwins interesse in de soortenrijkdom en de ontwikkeling van soorten? Hermans wijst op een essentieel verschil: „Omdat Darwin de variatie van soorten erkent als natuurlijk gevolg van evolutie, moest hij niets hebben van het denken in goede en slechte soorten. Volgens Darwin heeft elk menstype dat voortbestaat, zich het beste aangepast aan de omstandigheden waarin hij leeft, of dat nu op Vuurland is of in Europa. Raszuiverheid interesseerde Darwin al helemaal niet. Alle mensen stamden af van de zelfde voorouder.”

Dat je uit Darwins werk kon halen wat je wilde, blijkt uit de aanhang uit een heel andere hoek. Hermans: „Ook Marx en Engels, en later de sociaal-democraten, hebben geprobeerd Darwin voor hun karretje te spannen. Het strikt wetenschappelijke van zijn leer sprak hen aan, evenals de puur materialistische verklaringen. Het ontstaan van het leven en van de maatschappij werd nu eens niet door iets bovennatuurlijks verklaard.”

Eigenlijk wilden alleen de confessionelen niets met Darwin te maken hebben, omdat hij het denken over de schepping en een Schepper overhoopgooide. Ook hier denkt Hermans dat te snel conclusies worden getrokken. „Ik denk niet dat Darwin atheïst was. Hij geloofde in zijn theorie, maar had niet de pretentie daarmee het mysterie van het leven te hebben ontraadseld. Hij zei zelf dat hij alleen een verklaring voor de soortenrijkdom in de wereld had gegeven, niet voor de oorsprong van het leven.”

Na de Eerste Wereldoorlog verdween de aantrekkingskracht van het sociaal-darwinisme. De oorlog had het geloof in de natuurlijke vooruitgang naar steeds betere mensen onderuitgehaald. De sterkste soldaten waren immers als eersten gesneuveld; dit stond haaks op natuurlijke selectie. Het verheerlijken van strijd was even uit den boze. En tot slot waren Darwin en de eerste generatie navolgelingen inmiddels gestorven. Herbert Spencer voelde zich, vlak voor zijn dood in 1903, heel eenzaam in een tijd waarin het liberalistische vooruitgangsgeloof helemaal was verdwenen.

Na honderdvijftig jaar staat Darwins evolutieleer recht overeind, maar de sociale component is verdwenen. Natuurlijke selectie, onderscheid maken in sterke of zwakke ’exemplaren’ en eugenetica zijn geen item meer in de politiek. Hermans vindt dat opvallend, gezien het feit dat we de genetica beter beheersen dan ooit. „Na de Tweede Wereldoorlog werd het denken in rassen vanzelfsprekend taboe.

„Maar er is meer aan de hand. We leven nu in een therapeutische samenleving. De gezondheidszorg is eindeloos veel beter in staat om de zwakkeren te helpen en spoort afwijkingen preventief op. Al het overheidsbeleid is erop gericht de ’fouten’ in de mens te corrigeren en doet dat effectiever dan men in de 19de eeuw ooit kon vermoeden. Daarom kunnen wij het ons veroorloven het zwakkere als een gegeven te accepteren en is het sociaal-darwinisme uitgewerkt.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden