Wat onze cultuur aan het christendom dankt

Schoppen tegen de joodse en christelijke traditie is populair. Toch reiken de wortels van de westerse beschaving diep in die tradities. Sam Janse belicht vijf schatten.

De kerk mag wat hem betreft per ingang van nu opgeheven worden, zei columnist Bert Keizer eerder dit jaar in Trouw. Dat gold de rooms-katholieke kerk, maar ik maak me geen illusie dat hij voor mijn protestantse kerk een uitzondering maakte. Het zijn gewoon foute clubs. Van het lezen van het evangelie is volgens Keizer nog nooit iemand beter geworden.

Hij is de enige niet die dit zegt. Een behoorlijk deel van onze intelligentsia betreurt het dat de klassieke wereld destijds de afslag naar het christendom heeft genomen en niet bijvoorbeeld naar een epicuristische levensfilosofie, waarin de mensen een stijlvol hedonisme leven.

Zo is het niet gegaan. Het christendom heeft de westerse wereld veroverd en houdt niet op door te werken, ook nu het, althans in het Westen, op zijn retour is. Het lijkt me niet verkeerd om de christelijke wortels van onze beschaving nog eens op te sporen. 'Gij leeft te zeer in uw bewogen heden' dichtte Anton van Duinkerken, en dat is tachtig jaar later nog niet beter geworden.

Laat ik mijn apologie inzetten met de erkenning dat het boek dat christendom heet vele zwarte bladzijden, zelfs hele zwarte hoofdstukken kent. Ik weet het, ook een 'Sorry' kan een psychologische truc zijn: erkende schuld is als gras dat voor de voeten van de aanklager wordt weggemaaid. Toch laat ik me, zonder de zwarte bladzijden te ontkennen, niet weerhouden de witte te schrijven.

Ik stip wel kort de zwarte bladzijden aan. Het antisemitisme zit diep in het historische christendom. De kerk heeft zich te vaak met de heersende macht vereenzelvigd. Discriminatie van heidenen, Joden en ketters heeft ze te vaak toegejuicht. En dan de Inquisitie nog en de kruistochten. En de christelijke ideologie die met westers superioriteitsbesef het kolonialisme onderbouwde.

Christenen dienen te erkennen dat ze niet in de voorste linies hebben gestaan bij de emancipatie van vrouwen en homo's (wel trouwens van slaven) en dat ze tot op de dag van vandaag soms nog een remmende factor vormen in emanciperende processen. Ze zijn ook medeschuldig aan de catastrofale explosie die overbevolking heet.

Maar het gaat me hier om de positieve rol die het christendom in de geschiedenis van onze westerse beschaving heeft gespeeld. Op vijf punten: de indamming van het geweld, de kritiek op de heersende macht, de alfabetisering van de mensheid, de intensivering van het moreel appèl en de ontwikkeling van onze samenleving in de richting van een schuldcultuur.

Tegen het hoongelach van de seculieren in geloof ik dat het christendom op sommige punten heeft geholpen om het geweld in te dammen. In de Grieks-Romeinse Oudheid was het pasgeboren leven niet beschermwaardig. Pas als de vader het in een speciale ceremonie in zijn armen had genomen en als zijn kind had aanvaard, was het doden ervan strafbaar. De Romeinse dichter Ovidius vertelt in zijn 'Metamorfosen' een mythe over een vader die tegen zijn zwangere vrouw gezegd had dat het kind, als het een meisje was, gedood moest worden. Het was een meisje en ze kon alleen gered worden doordat ze als jongen verkleed werd. Ook de grote filosofen Plato en Aristoteles meenden dat gehandicapte borelingen die ten laste van de samenleving zouden komen gedood mochten worden

Dat de Joden het anders deden, viel op. Tacitus, de Romeinse historicus van rond 100 na Chr., vindt het merkwaardig dat de Joden hier van een misdaad spreken. En Seneca, de milde, stoïsche wijsgeer, zegt in alle nuchterheid: 'We verdrinken zelfs kinderen die zwak en mismaakt geboren worden'. Niet in een vlaag van woede, voegt hij eraan toe, maar vanuit een rationele overweging dat dit leven onder de maat is.

Voor Joden en christenen was het doden van kinderen een grote zonde. De Didachè, een oudchristelijk geschrift uit de eerste helft van de tweede eeuw, noemt het in een reeks van andere zonden: 'U zult geen pasgeborene doden.' Wie dat wel doet, volgt 'de weg naar de dood'. Pas onder de christelijke keizer Valentinianus I werd het doden van zuigelingen strafbaar (374 na Chr.). Het is schokkend om te bedenken dat praktijken die ons nu aan de nazistische bevolkingspolitiek doen denken in de klassieke Oudheid gebruikelijk waren. Juist op zo'n punt wordt duidelijk hoeveel onze cultuur te danken heeft aan de Joods-christelijke traditie.

En dan de gladiatorenspelen: in het Rome van de keizers, samen met de wagenrennen, het volksvermaak bij uitstek. Fik Meijer beschrijft in Gladiatoren een dagje Colosseum: een dagvullend programma met heel veel bloed. 's Morgens dierengevechten, van dier tegen dier en dier tegen mens, vervolgens in de pauze de executies van misdadigers en dan, als hoogtepunt, het gevecht van de gladiatoren die, goed getraind, een strijd op leven of dood voerden.

Was er protest tegen dit gruwelijke bloedvergieten? Amper. De filosofen Cicero en Seneca vonden het doden van dieren en mensen zinloos volksvermaak. Christenen waren explicieter in hun oordeel. Vele christenen hadden in de arena het leven gelaten. Bovendien koesterden ze een diep wantrouwen tegen de Romeinse ideologie van het recht van de sterkste, zowel op het slagveld als in de arena. De gekruisigde Galileeër had Gods strategie laten zien: 'het zwakke van God is sterker dan de mensen' (Paulus). Het kan niet toevallig zijn dat het een christelijke keizer was, Constantijn, die in 325 de gladiatorengevechten officieel verbood.

Mijn tweede punt: de Bijbel heeft ons geholpen om kritisch na te denken over macht en gezag. Ondanks de onzalige verbindingen van de kerk met de heersende macht blijft het waar dat de Bijbel ons een antenne heeft gegeven om ongecontroleerde macht te signaleren.

Toen in Egypte en Mesopotamië heersers nog onbeperkte macht hadden, werd in Israël na veel aarzelingen het koningschap ingesteld, en wel met een wet erbij die de macht van de heerser beperkte. De koning moest ook nog rekening houden met een profeet die hem aan kon spreken op zijn gedrag: Natan bij koning David en Elia bij koning Achab. Dat is in het hele oude Midden-Oosten ongekend.

De westerse cultuur heeft uiteindelijk ontdekt hoe gevaarlijk absolute macht is en heeft op een goed moment de machten gescheiden. Machthebbers hebben zich aan wetten te houden en kunnen door rechters teruggeroepen worden. Ze worden gecontroleerd door gekozen volksvertegenwoordigers. We zoeken nog steeds verder naar checks and balances: pers, social media, ombudsman. Dit alles kent men in het oude Israël niet. Maar er is wel een grondbesef hoe gevaarlijk macht is. En dat macht altijd bekritiseerd en gecontroleerd moet kunnen worden.

Dat is een niet te overschatten bijdrage van jodendom en christendom aan de westerse cultuur.

En dan, ten derde, de alfabetisering van de mensheid. De monotheïstische religies zijn boekreligies. Dat betekent voor Joden en christenen: leren lezen, en wel zo vroeg mogelijk. In 2 Timoteüs 3:15 wordt tegen Timoteüs gezegd: Je 'bent van kindsbeen af vertrouwd met de heilige geschriften die je wijsheid kunnen geven'. De Misjna, de eerste grote schriftelijke samenvatting van uitspraken van Joodse wijzen (begin derde eeuw na Chr.), stelt dat een kind van vijf geschikt is om de Heilige Schrift te lezen. Ongetwijfeld worden hier de jongens bedoeld, maar het blijft een belangrijk gegeven in de alfabetisering van een samenleving. Dat heeft het jodendom weinig analfabeten en veel Nobelprijswinnaars opgeleverd.

Deze inzet is in het christendom niet altijd volgehouden. In het middeleeuwse, kathaarse Montaillou, Frankrijk, waren naar de berekening van Le Roy Ladurie amper vier van de tweehonderdvijftig inwoners geletterd. Maar het protestantisme betekende een nieuwe impuls voor de alfabetisering. In Zweden werd in 1686 zelfs een wet aangenomen die het analfabetisme moest uitroeien, zodat iedereen, ook kinderen, boerenknechten en dienstboden 'met hun eigen ogen' konden zien en lezen wat God in zijn Woord verkondigd had. Ik denk dat de conclusie gewettigd is dat jodendom en christendom een positieve invloed hebben gehad op de alfabetisering van de mensheid.

Mijn vierde punt is: de intensivering van het moreel appèl. Seculiere denkers lopen te hoop tegen de stelling dat er zonder religie geen moraal mogelijk is. Christenen kunnen dat ook beter niet beweren. De theoloog Augustinus schrijft kort na het omineuze jaar 410, waarin Rome veroverd was door de Visigoten, dat God in het Romeinse Rijk heeft laten zien hoeveel de burgerlijke deugden waard zijn, zelfs zonder de ware godsdienst. Hij denkt hier aan politiek beleid en maatschappelijke ordening. Er is een sterke theologische traditie in het christendom die erkent dat een mens zonder God nog geen onredelijk en onzedelijk wezen hoeft te zijn.

Maar ik denk wel dat het christelijk geloof (om me daartoe te beperken) het moreel besef een grotere intensiteit kan geven. Dat is hoog spel. Religie, zeker in zijn monotheïstische vorm, kan een mens tot afschuwelijke, terroristische daden brengen, maar religie kan mensen ook tot grote daden van naastenliefde en opoffering voeren. De uitersten liggen hier ver uit elkaar. Dat moet ermee te maken hebben dat religie dieper bij de mens binnenkomt dan welke ideologie of seculiere moraal ook. Er is een ervaring van een ultieme werkelijkheid, een laatste appèl, een Moeten van Godswege. Daarbij vergeleken is het humanisme een wat kabbelende, veelal ook wat rationalistische ideologie. Het bederf van het beste zal ook hier wel weer het slechtste opleveren. Het beste blijft wel het beste. Tegen seculiere denkers zeg ik daarom: als je religie en moraal loskoppelt, bedenk dan dat er ook verliesposten zijn.

Cijfers van TNS Nipo laten onveranderlijk zien dat christenen in Nederland bovengemiddeld geven aan charitatieve doelen. Gaf de gemiddelde Nederlander in 2011 per maand 16 euro, leden van de Protestantse Kerk in Nederland gaven het dubbele. Ook op het punt van duurzaamheid en vrijwilligerswerk scoren christenen hoger. Om een onverdachte getuige als Herman Vuijsje te citeren: "Actieve kerkleden - van welke kerk maakt weinig uit - verlenen gemiddeld ook meer informele hulp, doen meer aan ondersteuning van vluchtelingen, leggen meer medegevoel en verantwoordelijkheid voor anderen aan de dag, en zijn beleefder en minder crimineel dan niet-kerkleden".

Dan mijn vijfde en laatste punt: het christendom heeft een belangrijke rol gespeeld in de ontwikkeling van onze westerse samenleving in de richting van een schuldcultuur.

Henk Singor stelt in zijn boek over keizer Constantijn de Grote dat het aan het christendom te danken is dat het Westen een schuldcultuur en geen schaamtecultuur kent. In een schaamtecultuur kijken mensen met de ogen van anderen naar zichzelf: zij keuren je gedrag af en daarom vind je het zelf ook verkeerd. Dat kan tot zelfmoord of eerwraak leiden.

In een schuldcultuur daarentegen wordt wat afkeurenswaardig is bepaald door een morele code die kan afwijken van 'wat men vindt'. Het individu staat hier in de regel sterker tegenover het collectief.

Dat betekent dat ook de geseculariseerde eenentwintigste-eeuwer het christendom enige dank verschuldigd is. Ik zou deze ontwikkeling althans een grote stap willen noemen in de richting van de humanisering van de samenleving.

In een schaamtecultuur dient een mens ineen te krimpen als hij (vaker misschien nog een zij) schuldig geacht wordt, ook al is hij het niet, terwijl hij onbewogen zijn leven voort kan zetten als zijn schuld niet openbaar wordt. Hier komt een bedenkelijke heteronomie aan het licht en krijgt de hypocrisie grote kansen.

Ik denk dat er wel reden is om enig verband tussen het christelijk geloof en het ontstaan van een schuldcultuur aan te nemen. Als God het laatste woord heeft in mensenlevens, is wat Hij zegt doorslaggevend en niet wat de familie of de buurt of een hele samenleving zegt. Geloof in deze Ene relativeert de (im)morele codes van de omgeving.

Dat kan leiden tot mensen die als ongeleide projectielen hun weg gaan, het kan ook leiden tot een dappere en onafhankelijke houding in de samenleving.

Heeft het christendom een batig slot als alle plus- en minpunten verrekend zijn? Dat is een rekenkunst waar ik mij niet aan waag. Ik beperk me tot de conclusie dat de stelling dat de ellende in de wereld uitsluitend of hoofdzakelijk de schuld van de religie, of preciezer nog, van kerk en christendom is, op zijn minst eenzijdig is.

Dit essay is een voorpublicatie uit Sam Janse:

Is het de schuld van de ENE? In gesprek met Paul Cliteur en anderen over monotheïsme en geweld.

Sam Janse (1949) is bijbelwetenschapper.

Essay De wortels van de westerse beschaving

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden