Review

Wat 'n wereld, wat 'n wereld, die van moeders zulke monsters maakt

Theo Thijssen: Verzameld werk II (Schoolland, De gelukkige klas, Het grijze kind). Bezorgd door Peter-Paul de Baar en Rob Grootendorst. Thomas Rap, Athenaeum-Polak & Van Gennep, Amsterdam; gebonden, 678 blz. - ¿ 59,90.

In de jaren zestig en zeventig kwam daar langzaamaan verandering in, door openlijke waardering van schrijvers als Carmiggelt en Campert, de criticus Fens en de neerlandicus Grootendorst. Op het ogenblik is er geen verschil van mening meer over de literaire status van Thijssen: hij is in de canon opgenomen, een prijs is naar hem vernoemd, hij heeft zijn eigen museum in de Amsterdamse Jordaan en, het belangrijkste in dit verband, zijn Verzameld Werk is aan het verschijnen.

Het eerste deel bevat het wat al te brave 'Barend Wels' uit 1908, het enige kinderboek dat hij schreef, 'Jongensdagen', uit 1909, en het onsterfelijke 'Kees de jongen' uit 1923. In de jaren twintig gaf hij zijn onderwijzerschap op ten gunste van zijn activiteiten voor de Bond van Nederlandse Onderwijzers en dat bezorgde hem kennelijk de tijd om nieuwe boeken te schrijven. Ze verschenen eerst anoniem als feuilleton in wekelijkse afleveringen in het ouderblad 'School en Huis'.

In een interview heeft Thijssen beweerd dat hij op maat werkte en zelden meer schreef dan direct nodig was. Ik denk dat nadere beschouwing van de structuur van deze boeken hun feuilletonkarakter zal onderstrepen.

'Barend Wels' is de eerste schoolroman van Thijssen. Samen met 'Schoolland' (1925) en 'De gelukkige klas' (1926) vormt het boek een trilogie die het beroepsleven van de volksschoolonderwijzer tot onderwerp heeft. In 'Barend Wels' heeft Thijssen naar eigen zeggen “de worsteling van de nog niet gerijpte persoonlijkheid met een klas” willen beschrijven; 'Schoolland' laat zien, in dagboekvorm, hoe de onderwijzer “met zijn klas samengroeit tot een eenheid” en in 'De gelukkige klas', de titel duidt er al op, is die eenheid een feit en daardoor kan de roman gelezen worden als “een hymne op het onderwijzerschap”.

Het zijn vooral deze schoolromans geweest die, naast 'Kees de jongen', het beeld van de schrijver Thijssen bepaald hebben. Het is het beeld van de gezellige, wat romantisch aangelegde onderwijzer, met grote snor, die prachtig kan vertellen, van kinderen houdt en die op zoek is naar nieuwe, meer passende lesmethoden, die wars is van opvoeden in de traditionele betekenis van het woord en die zich volkomen inzet voor de ontwikkeling van het kind.

Daar komt nog bij dat Thijssen, hoewel geïnspireerd door de Beweging van Tachtig, een bijzonder levendige en onopgesmukte stijl van schrijven heeft, die dichtbij het sprekend vertellen ligt, wat de indruk nog versterkt dat uit de boeken een persoon tot ons spreekt.

Het tweede deel van het Verzameld Werk besluit evenwel met een roman die in allerlei opzichten haaks staat op Thijssens overige werk: 'Het grijze kind' (1927). Fens heeft zich al in de jaren zestig afgevraagd hoe het mogelijk is dat de man die 'Kees de jongen' schreef ook dit boek heeft geschreven, “binnen de wereld van Thijssens werk is het niet te plaatsen”. Zelf lijkt de schrijver daar anders over gedacht te hebben, getuige zijn uitspraak: “O, ik hou ook veel van 'Kees', al was het alleen maar, omdat ie het beste verkocht is, maar 'Het Grijze Kind' ligt me het naast aan het hart.”

'Kees de jongen' is, bij alle realisme dat erin bedreven wordt, een idealistisch boek, een eerbetoon aan de verbeelding waarmee Kees, zoals men weet, rijk gezegend is. 'Het grijze kind' daarentegen is de roman van de ontmaskering, de melancholische en licht ironische toon heeft erin plaatsgemaakt voor een kritisch, sarcastisch, hier en daar zelfs cynisch geluid. Het is een onthutsende ervaring om de wereld te beschouwen door de ogen van dit grijze kind, “het kind met de blik van de grijsaard; het kind dat al veel beleefd had; het kind met de onbestaanbare voorlijkheid van begrip (. . .), dat de ervaringswijsheid van enige generaties bezat”.

Henricus van der Stadt heet het kind. Het groeit op in een kleinburgerlijk gezin, niet in het volksmilieu dat Thijssen meestal beschreef, en het bestudeert en doorziet genadeloos “al deze poppenkast des fatsoenlijken levens”. Zowel op school als in het gezin, met vader, moeder en oudere zus, bestaat het leven grotendeels uit leugen en bedrog en dat feit wordt onbarmhartig en tot in het absurde blootgelegd in de waarnemingen en overwegingen van het grijze kind. Zelden of nooit zal de onwaarachtigheid van een bestaansvorm zo genadeloos en breed zijn uitgemeten, zo realistisch en tegelijk schokkend uitvergroot.

De olympische positie die het grijze kind inneemt, is uitzonderlijk en zo wordt het dan ook behandeld ten slotte, want op zijn twintigste jaar wordt het opgeborgen in een gesticht, krankzinnig verklaard door een wereld die zelf bevolkt wordt door notoire krankzinnigen. Vanuit dit gesticht vertelt het grijze kind zijn verhaal. Het leven op school en thuis, de opvoeding die hij er geniet, er blijft niets van heel, de weergave en de analyse geven het bedrieglijke karakter ervan goed weer.

Op een zeker ogenblik, hij is dan zestien jaar, weigert het grijze kind naar school te gaan en komt hij in opstand tegen zijn ouders, dat is: tegen de leugenachtige wereld die zij vertegenwoordigen en in- standhouden. “'Hè, Henricus?' zei ze, wéér met dat accent van waarachtigheid, en ik raakte in de war en kuste haar domme gezicht en dacht: wat 'n wereld, wat 'n wereld, die van moeders zulke monsters maakt, dat je je eigenlijk geneert ze te zoenen!”

Het grijze kind moet dikwijls gapen, wat een duidelijk teken is van de ennui die hem bevangt. Huilen heeft hij nog nooit gedaan. De enige wereld waarin hij zich goed voelde is die van tante Neeltje, maar door zijn ouders wordt op haar slordige en volkse bestaan misprijzend neergekeken, het mag dan 'echt' zijn, het is niet 'op stand'.

Is deze voorstelling van een wereld waarin “de volwassenen per se leugenachtige, eeuwig komediespelende idioten zijn” niet wat overtrokken, vraagt het grijze kind zich voor zijn lezers een keer af.

“Ach, ik wou dat u gelijk had en dat deze idioterige opvoeders de uitzonderingen waren in hun zo fatsoenlijke, gegoede, brave omgeving. Helaas. Het was precies andersom: al onze ouders waren zo. Geen enkele had belangstelling voor onze geestesgroei, werkelijke vreugde aan onze ontwikkeling - ze brachten het nooit verder dan tot ordinaire malle verkikkerdheid op allerlei uiterlijke tekenen van goed onderlegd zijn, tot waarderen van de mogelijkheid om tegenover andere ouders de rol te spelen van iemand die het met z'n kinderen toch maar getroffen heeft. Geloof maar gerust, als andere mevrouwen eens geen kinderen hadden gehad, dan was er voor mijn moeder absoluut geen aardigheid aan geweest een zoontje te hebben. Voor haar had ik alleen maar waarde als zoveelste aanleiding tot lekkere vergelijking met anderen.”

Het grijze kind schrijft vanuit het gesticht, hij is dus een patiënt in de ogen van de wereld. Thijssen zal moedwillig voor deze positie van de verteller gekozen hebben, om daarmee, althans in schijn, het pijnlijke demasqué van zijn verhaal wat te relativeren. Overigens zit het grijze kind uit overtuiging in het gesticht, in de wetenschap dat het niet botert tussen hem en de wereld. “En zou iemand dan denken dat ik lust had afzondering van al de anderen te bepleiten? (. . .) Nee, het is zó het eenvoudigst en het meest praktisch.”

'Het grijze kind' is in het oeuvre van Thijssen een uitzonderlijk boek en ook in de literatuur kent het zijn weerga niet. Dat het zijn schrijver het naast aan het hart lag, moet wel betekenen dat de ontmanteling van de schijn een innige behoefte van Thijssen was.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden