Slavernijmuseum

Wat moet er in het Nederlandse slavernijmuseum staan?

Welkom in het Letter&Geest slavernijmuseum. Amsterdam wil een nationaal museum slavernijverleden. Letter&Geest, de weekendbijlage van Trouw, vraagt specialisten: welk verhaal zou u daar vertellen en welke objecten móeten we zien?

De vitrine van Peter Frankopan

Peter Frankopan is verbonden aan de universiteiten van Oxford en Leiden en schreef  het boek ‘De Zijderoutes: Een Nieuwe Wereldgeschiedenis’. 

Denk na voordat je 'Ciao' zegt
Je bent op vakantie in Italië. ‘Ciao’, zeg je, als je een café binnenloopt voor een drankje. Gewoon een groet. ‘Hallo!’ Maar het betekent niet ‘hallo’. Het komt van het Venetiaans ‘schiavo’: “Ik ben je slaaf.”

De slavernijgeschiedenis van Europa is lang: van de Romeinse Tijd tot de enorme slaventransporten van Afrika naar de beide Amerika’s en Azië. Dat is bekend. Maar Europa kent een duister geheim: het is nog veel inniger met slavernij verbonden. Wie dat snapt, snapt Europa. De slavenhandel vormde de Middeleeuwen.

In de decennia na de dood van de profeet Mohammed in 632 veranderde de wereld. Het imperium dat ontstond, verbond Spanje, via het Midden-Oosten tot aan de Himalaya; daarin lag ook de Zijderoute waarin goederen, ideeën, talen, modes, geloof en wat niet al rondgingen. Alles centraal geregeerd, en welvarend. Steden als Merv (nu Turkmenistan) en Bagdad hadden een miljoen inwoners. Zoiets vond je in heel West- of Noord-Europa bij lange na niet. Hoe konden zij toegang krijgen tot al die welvaart? Ze hadden geen goud of zilver, hooguit noten, valken en amber. Maar één grondstof hadden ze in overvloed: mannen, vrouwen en kinderen.

Veel grote Europese steden - Dublin, Mainz, Utrecht en Venetië - waren vanaf de achtste eeuw knooppunten voor mensenhandel richting de islamitische wereld. De paus verbood de verkoop van christenen, anderen hadden minder geluk. Eeuwenlang wachtte de inwoners van de Slavische landen een hels bestaan als slaven - ze danken er zelfs hun naam aan. Afgaand op de stroom zilveren en gouden munten vanuit het Midden-Oosten richting Europa, moet hun aantal verbijsterend zijn geweest. Er viel zoveel winst te behalen met de mensenhandel, dat er concurrenten kwamen: de Scandinavische Vikingen. Ze namen de markt over, en deden dat zo bruut, dat een Frans gebed uit de negende eeuw luidt: ‘Red ons, o Heer, van de woeste Noormannen die ons land vernietigen... en onze onschuldige jongens wegvoeren.’

De Vikingen bouwden een enorm bevoorradingsnetwerk van de Wolga tot de Kaspische Zee, wat leidde tot de bouw van nieuwe steden, zoals Chernihiv en Novgorod. Ze konden floreren dankzij de toenemende uitwisseling met het Midden-Oosten en Centraal-Azië, waarvan de slavenhandel een essentieel onderdeel was. Om enig idee te geven van de schaal ervan: Novgorods voornaamste markt lag op de kruising van de Hogestraat en de Slavenstraat.

De rijzige en ruwe Scaninaviërs werden berucht. De middeleeuwse literatuur mat hun orgies, tatoeages en gewelddadigheid breed uit. Dus als u de volgende keer ‘ciao’ zegt of over de Slaven praat, bedenk even wat die woorden betekenen. Geschiedenis is ten slotte belangrijk.

Beeld free

Ketens
Een stel negende-eeuwse ijzeren ketens die werden gebruikt bij het slaventransport. Die zijn nogal zelfzaam, maar de herinneren ons aan een vreselijke geschiedenis.

Beeld Frank Castelein

Een tattoe-kit
Geen zichzelf respecterend bendelid kan zonder goed inktmerk, en de middeleeuwse Vikingen waren niet anders. 

Qabus Nama
Een exmplaar van de Qabus Nama. “De meesten denken dat slaven kopen gelijk alle vormen van handel is, ze snappen niet dat dat een kunst is, een tak van filosofie”, zo staat in het geschrift waarin de Perzischeprins Kai Ka’us (1021-87) jongere prinsen tips geeft, onder andere over het kopen van slaven – ‘witte en zwarte’. Zoals: bestudeer hun gelaatstrekken, want daaruit kun je hun karakter aflezen. Hou slaven met vochtige ogen uit de buurt van slavinnen. Voor Armenen, Turken en divere kasten van hindoes somt hij de karaktereigenschappen op. Pas ook op met Slaven en Russen: die zijn weliswaar artistiek begaafd, en ze hebben een goed geheugen en zijn goede gidsen, maar ze zijn ook geneigd tot ‘diefstal, ongehoorzaamheid, indiscretie, ongeduld, domheid en ontsnappen.’ Byzantijnen zijn vrolijk en ondernemend, maar roddelen en zijn laf, waarschuwt de prins. 

De vitrine van Mercedes Zandwijken en Machiel Keestra

Mercedes Zandwijken is met Machiel Keestra initiatiefnemer van de Keti Koti Tafel. Een van Zandwijkens voorouders kocht na afschaffing van de slavernij (en de daarop volgende tien jaar dwangarbeid) een stukje land in Paramaribo om als boer een bestaan op te bouwen. Dit land is nog steeds in haar familie.

Machiel Keestra is filosoof en verbonden aan het Institute for Interdisciplinary Studies van de Universiteit van Amsterdam.

Een geschiedenis vol bittere tranen
Voor sommige bezoekers zal het slavernijmuseum herinneren aan een bittere familiegeschiedenis, terwijl het voor anderen om een lang vervlogen verleden op andere continenten gaat. Hopelijk bevordert zo’n museum dat die ervaringswerelden elkaar meer raken; deze bittere geschiedenis is nog steeds van invloed op ons samenleven.

Het nieuwe National Museum of African American History & Culture in Washington dient ons ter inspiratie. Dat informeert niet alleen, maar laat je ook voelen hoe het is om tot slaaf gemaakt te zijn, of zelf slavenhouder te zijn en hoe schizofreen dat is; president Thomas Jefferson bevorderde de vrijheid, maar bezwangerde als slavenhouder herhaaldelijk de tot slaaf gemaakte Sally Hemings en liet hun kinderen in slavernij opgroeien. Het museum doordringt de bezoeker ervan dat de cultuur waarin slavendrijvers hun gang konden gaan, niet met de afschaffing van de slavernij is verdwenen.

Beeld Mercedes Zandwijken

Keti Kotitafel
Wat is uw betrokkenheid bij de slavernij en haar gevolgen? De één zal zelf vaak gediscrimineerd worden om zijn huidskleur, de ander beseft nu pas dat zij in welstand leeft vanwege een familiekapitaal dat zijn oorsprong in een plantage in Suriname heeft.

De dialoogtafel Keti Koti (‘De ketenen verbroken’) nodigt mensen uit hun ervaringen en inzichten te delen met een hun onbekende disgenoot. Ze beginnen met het insmeren van elkaars polsen met kokosolie, om de pijn van de slavernij in het verleden en het heden bij elkaar weg te wrijven. ook kauwen ze op bitter hout (zie hieronder).

Met zulke gesprekken hebben we ervaring opgedaan tijdens ‘Keti Koti dialoogtafels’: meer dan tienduizend mensen schoven al aan in musea, bibliotheken, politiekorpsen, theaters, en scholen in Nederland, Duitsland en de VS. Ook de museumbezoekers van het slavernijmuseum zullen verrast merken hoe snel zo’n persoonlijke, vaak emotionele uitwisseling totstandkomt en bijdraagt aan wederzijds begrip. 

Beeld wikipedia

Kwasi's bitter hout
Iedere bezoeker mag zuigen op bitter ‘kwasi-hout’. een tot slaaf gemaakte Surinamer, Kwasi, had de geneeskrachtige werking van dit (kininehoudende) hout ontdekt; de boom heet sindsdien Quassia amara. Kwasi werd in 1776 door prins Willem V onderscheiden. al kauwend kun je tot je laten doordringen hoe sindsdien vele generaties in Nederland op hun verre reizen hebben geprofiteerd van dit heilzame Surinaamse product, zonder enig besef van het verband met de slavernijgeschiedenis. 

Laat bezoekers ten slotte hun bitter houtje wisselen voor een stuk suikerriet – een hoofdproduct van de Surinaamse slavernij, waarmee Nederlanders destijds hun leven verzoetten.

Tranen slaan een gat in de grond
Bittere familiegeschiedenissen dreigen in de vergetelheid te raken, uit schaamte over het verleden van slaafgemaakten én plantagehouders. Een slavernijmuseum dient de oral histories vast te leggen. Dat kunnen de verzwegen verhalen zijn, maar ook de van generatie op generatie doorgegeven liederen, verbonden met het slavernijverleden.

De sokopsalms zijn Surinaamse negro spirituals, zoals ze op de plantages werden gezongen.

Watra lon na mi ai
A boro gron,
a boro grong,
watra lon na mi ai Fad’ang
mi hatti tap’a boro grong

Tranen stromen uit mijn ogen
Het sloeg een gat in de grond,
de tranen die ik heb geweend...
De tranen vielen eerst in mijn hart en
belandden uiteindelijk op de grond.
Het huilen was zo heftig
dat de tranen met een enorme kracht
vanuit mijn hart op de grond vielen
en een gat in de grond sloegen. 

De vitrine van Stijn Schoonderwoerd

Stijn Schoonderwoerd is directeur van het Nationaal Museum van Wereldculturen, de fusie van Afrika Museum (Berg en Dal), Rijksmuseum Volkenkunde (Leiden) en Tropenmuseum (Amsterdam).

Kennis over vroeger verbindt mensen nu
Omdat we als museum onze oorsprong (deels) vinden in de koloniale praktijk, voelen we een blijvende verantwoordelijkheid om die geschiedenis aan de orde te stellen. Op 6 oktober opende in het Tropenmuseum de tentoonstelling ‘Heden van het Slavernijverleden’, voorafgegaan door de eerste Nationale conferentie over slavernij, ‘Een Gedeelde Geschiedenis’.

Beide gaan niet alleen over slavernij, maar ook en vooral over de doorwerking daarvan naar onze samenleving, bijvoorbeeld in patronen van stereotypering en discriminatie. Juist musea van wereldculturen kennen het belang van dialoog bij deze onderwerpen. Daarom werken we altijd samen met activisten, wetenschappers, ervaringsdeskundigen, andere musea, instellingen en gemeenschappen.

Een belangrijke boodschap van elke tentoonstelling over slavernij is dat de cultuur en geschiedenis van mensen met een Afrikaanse achtergrond niet begint bij slavernij, en dat de diasporacultuur zich ook na afschaffing van de slavernij steeds heeft ontwikkeld. Zo laten onze tentoonstellingen Rhythm&Roots en Fashion Cities Africa zien hoe muziek en mode wereldwijd beïnvloed worden door die diasporacultuur. Dat levert een brede en eigentijdse blik op wat ons als mensen verbindt.

In 2021 staat de grote opvolger gepland van ‘Heden van het Slavernijverleden’. Die gaat over het Nederlandse koloniale verleden, ook weer met aandacht voor verleden en heden van de slavernij. En niet alleen in Amsterdam, maar ook in Leiden, Rotterdam en Nijmegen.

Het is belangrijk om dat perspectief toe te voegen aan het collectieve geheugen van Nederland.

Beeld tropenmuseum

Brandmerk
Op slavenschepen werden slaafgemaakten – geen mensen maar handelsobjecten – vaak geregistreerd met nummers, niet met namen. Dit teken werd in hun huid geschroeid met een brandmerk. Een slavenhandelaar omschreef dat moment: “De binnenplaats stinkt naar brandend vlees, overal klinken uitroepen van doodsangst en pijn.” Suriname; begin 19de eeuw; smeedijzer.

Schedelmeter
Racisme is een machtssysteem dat is gemaakt door mensen, en geen inherent sociaal of biologisch gegeven. Europese religie en wetenschap speelden, ook in het Tropenmuseum, een belangrijke rol in het creëren van dit sociaal-cultureel systeem. Huidskleur, lichaamsbouw bepaalden in de fysische antropologie tot welk raciale type iemand behoorde, vaak vastgesteld door schedelmeting. Op basis hiervan deden wetenschappers uitspraken over iemands persoonlijkheid, karakter en intelligentie.

Achter de meetbare ‘feiten’ school een indeling waarbij wit superieur was en zwart meest inferieur. Zo legitimeerde de wetenschap de koloniale verhoudingen en het in stand houden van slavernij. Zürich, Zwitserland; begin 20ste eeuw; metaal.

Beeld tropenmuseum

Banjo
Op sommige plantages was het verboden om trommen en blaasinstrumenten te maken. Daarom werden snaarinstrumenten ontwikkeld. Deze banjo, de oudste van het Amerikaanse continent, is gemaakt door slaafgemaakten in Suriname. Een kalebas dient als klankkast met een schapevel erover gespannen. De kam heeft vier ijzeren snaren en de hals is gemaakt van hout. Suriname; 1770-1777; hout, ijzer, kalebas, schapevel.

De vitrine van Reggie Baay

Reggie Baay schreef tal van boeken en artikelen over Nederlands-Indië. Zijn laatste boek is ‘Daar werd wat gruwelijks verricht’.

Afgeschaft? In Indië ging de slavernij gewoon door
Als zo’n nationaal museum er komt - wat ik van harte hoop - dan ontkom je er niet aan om het verhaal vanuit internationaal perspectief te vertellen en dat te laten uitmonden in het heden. Het is immers een mondiaal ‘verschijnsel’ dat vandaag nog voortduurt. Het Nederlandse verleden van slavernij en slavenhandel maakt deel uit van dat internationale verhaal.

Een nationaal museum zal de nadruk wel sterk op het Nederlandse slavernijverleden moeten leggen, dat voor het grote publiek nog zo onbekend is. Dat geldt voor de trans-Atlantische slavenhandel, maar nog veel meer voor het Nederlandse slavernijverleden in het Indische Oceaangebied. Dit deel van de Nederlandse geschiedenis heeft altijd ontbroken. Als een Slavernijmuseum die omissie niet goedmaakt, tast dat de geloofwaardigheid ervan aan.

Ik kies drie objecten die samenhangen met Nederlands slavernijverleden in het Indische Oceaangebied. De VOC haalde de slaafgemaakten uit een groot gebied: van Voor-Indië, Ceylon, Malakka, Birma (Arrakan) tot de Indonesische eilanden Sumatra, Celebes en Bali. Maar ook uit Oost-Afrika. Al kort na 1600 kocht de Compagnie met enige regelmaat Afrikanen, bestemd voor de Oost, op de slavenmarkten van Madagaskar en Mozambique.

Het museum moet zich richten op een zo breed mogelijk publiek en een landelijke functie hebben, zeker voor de (school-)jeugd. Als straks onze ‘Wilhelmus’-zingende jongeren verplicht langsgaan bij het Rijksmuseum, dan lijkt het me niet meer dan logisch dat ze het Slavernijmuseum bezoeken. Als tegenwicht en omdat kennis van deze schaduwkant van het nationale verleden een belangrijk instrument kan zijn bij het tegengaan van intolerantie, racisme en vreemdelingenhaat.

Beeld free

Regeringsreglement 1854
Het besluit uit het regeringsreglement van 1854 mag in de collectie niet ontbreken. Die tekst begint zo: ‘Uiterlijk op den 1sten Januarij 1860 is de slavernij in geheel nederlandsch-indië afgeschaft.’ Het is een onweerlegbaar bewijs van het bestaan van de slavernij in de Oost destijds en, in de aanloop ernaar toe, een illustratie van de moeizame politieke besluitvorming rond de afschaffing, die later ook een rol speelde bij de afschaffing in de west. 

Beeld voc

VOC-briefwisseling
Hoe de Compagnie (VOC) betrokken was bij de slavenhandel, bewijst de brief van VOC-gouverneur-generaal Pieter de Carpentier van 1 februari 1623. Hij meldt daarin aan de Heren XVii (bestuurders) in patria dat een Compagnieschip met ‘omtrent duysent ingecochte slaeven ende slaevinnen’ is gearriveerd. Om vervolgens de Heren te verzoeken weer snel schepen te mogen uitsturen om ‘sooveel volcx’ te kopen als de schepen vervoeren kunnen. Dat verzoek wordt ingewilligd. 

Beeld A.C. Kruijt / Leiden University Library

Hier woont de slavenhouder
Deze foto, in 1905 gemaakt door de zendeling A.C. Kruyt, toont volgens het bijschrift ‘een versterkte woning van een slavenhouder te Kalosi, Zuid-Cele bes’. Let op dat jaartal: 1905. Toen, aan het begin van de twintigste eeuw, bestond er met medeweten van de Nederlandse en koloniale overheid, ondanks de formele afschaffing in 1860, nog steeds slavernij in grote delen van Nederlands-Indië. 

De vitrine van Piet Emmer

Piet Emmer was hoogleraar Europese expansie en migratie. Hij schreef ‘De Nederlandse slavenhandel 1500-1850’.

Er is meer dan brandijzer en zweep
Geen land ter wereld staat zo vol musea als Nederland. Het is dan ook geen goed idee om daar nog een museum aan toe te voegen. De mislukte poging om tot een nationaal historisch museum te komen, is een waarschuwing. Toen de overheid moest bezuinigen, werden de plannen afgeblazen. Weg 15 miljoen (!) euro al geïnvesteerd belastinggeld.

Als er een dergelijk Amsterdams slavernijmuseum komt, dan hoop ik dat het onderdeel wordt van een bestaand museum. Daar kan de bezoeker dan op de hoogte worden gebracht van de geschiedenis van de slavenhandel en van de rol van Amsterdam daarin.

Het zal overigens niet gemakkelijk zijn om voldoende voorwerpen te vinden om de slavernij en de slavenhandel aanschouwelijk te maken. Wat brandijzers en een zweep zijn niet voldoende. Er zit weinig anders op dan de tentoonstelling te voorzien van borden met veel tekst en afbeeldingen van oude prenten.

Beeld Frank Castelein

Investeringsgolf voor plantages
Dit aandeelhoudersbewijs van een plantagelening illustreert de bijzondere rol van Amsterdam bij de financiering van plantages en de verkoop van plantageproducten. De ruim 60 miljoen gulden, tussen 1750 en 1775 als hypotheken verstrekt aan de nederlandse en buitenlandse plantages in West-Indië, waren voor een groot deel afkomstig van amsterdamse beleggers. In geen ander land is de groei van de plantagesector door zo’n speculatieve investeringsgolf gefinancierd en nergens zijn zo snel zulke financiële verliezen geleden: slechts een kwart van die 60 miljoen gulden is op den duur afgelost. 

Beeld Frank Castelein

Opperkoopman VOC
Op dit schilderij van een Amsterdamse opperkoopman van de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) zijn ook slaven te zien zijn. De meeste aandacht gaat doorgaans uit naar de trans-Atlantische slavenhandel, maar ook elders bestond slavernij; het aantal slaven in en rond de vestigingen van de VOC was waarschijnlijk groter dan in de West.

Beeld Dames-Comité ter bevordering van de evangelie-verkondiging en de afschaffing der slavernij te Suriname

Damesverzet
In 1842 en 1855 pleitten vrouwen bij de koning voor afschafing van de slavernij. Vergeefs. Daarop richtten ze het amsterdamse ‘Dames-Comité ter bevordering van de evangelieverkondiging en de afschaffing der slavernij in suriname’ op – niet tot genoegen van veel mannen. Hun oorkonde markeert de eerste keer dat vrouwen hun stem in het publieke debat lieten horen. Rotterdam had ook zo’n comité, maar dat was kleiner en minder invloedrijk. Hun inspiratie kwam van de Britse ‘anti-slavery society’; de afschaffing was sowieso een typisch westers product. 

De vitrine van Ellen Neslo

Juriste Ellen Neslo promoveerde in 2016 op ‘Ongekende stilte. De opkomst van een gekleurde elite in koloniaal Suriname 1800-1863’.

Ga niet voorbij aan de moderne mensenhandel
Een permanent slavernijmuseum vertelt het verhaal over het slavernijverleden in de Nederlandse koloniën, Brazilië, Suriname, Guyana, de Nederlandse Antillen, Sri Lanka, Indonesië.

Ook aan moderne mensenhandel/roof mag zo’n museum niet voorbijgaan: seksuele en schuldslavernij en slavenjacht (= krijgsgevangen maken van mensen). We hebben nog steeds de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens nodig, aangezien er ook nu zo’n 40 tot 45 miljoen mensen gedwongen werken zonder loon, ze worden verhandeld (soms voor de seksindustrie), mishandeld of misbruikt.

De kennis over de trans-Atlantische slavernij, een gedeelde geschiedenis van Nederland en Suriname, kan ervoor zorgen dat alle huidige vormen van slavernij worden uitgeroeid.

In een interactieve database moeten bezoekers die wortels in de slavernij hebben - uit de koloniën - kunnen zoeken. Dat kunnen ook witte Nederlanders zijn; ze weten vaak niet dat ook zij voorouders als slaven hebben gehad. De database kan mede door informatie van genealogen worden gevuld. De slavernijgeschiedenis is geen ver-van-mijn-bed-show.

Het museum moet een breed publiek trekken, Nederlanders én toeristen, en een must zijn voor scholen. Net als het Joods Museum in Berlijn en het Hiroshima Peace Memorial Museum in Japan, moet het slavernijmuseum een plaats zijn die tot nadenken stemt. Opdat we slavernij nooit meer tolereren.

Beeld Hollandse Hoogte / Barcroft Media LTD

Hedendaagse slavernij
De relevantie van een slavernijmuseum zit niet alleen in de erkenning van het verleden, maar ook in het alert maken in het heden. Naar schatting 40 tot 45 miljoen mensen werken, anderhalve eeuw na de afschaffing van de slavernij, als moderne slaven. Beruchte sectoren: de seks- en textielindustrie. 

Beeld Ellen Neslo

Eerste geschiedenisboek van Suriname
De niet-blanke onderwijzeres Maria Louisa Vlier is geboren in 1828, ten tijde van de slavernij. Haar moeder was als slavin geboren en kreeg op haar 16de de vrijheid. Ook haar overgrootmoeder van vaderskant was als slavin geboren en werd op oudere leeftijd vrijgemaakt. In 1861 schreef vlier het ‘eerste geschiedenisboek over Suriname’ voor de Surinaamse schooljeugd. 

Beeld Ellen Neslo

Vrijheidsbrief
Vanaf de start van de slavernij (±1650) konden slaven hun vrijheid herkrijgen. eerst waren het vooral blanken die een slaaf vrijlieten of -kochten. Vanaf eind 18de eeuw neemt het aandeel van vrije niet-blanken in het vrijkopen van slaven (veelal familieleden) snel toe. Aan het begin van de 19de eeuw was hun aandeel in Paramaribo groter dan dat van de blanken; aan het eind van de slavernij (1863) woonden er ongeveer 14.000 vrije niet-blanken, 2.000 blanken en 5.000 slaven.

Bij vrijkopen kreeg de ex-slaaf een manumissiebrief, als bewijs van diens vrijheid. Dat vrijkopen kostte veel geld, in de 19de eeuw zo’n 1500 gulden (11.000 euro). Veel vrije niet-blanken waren ambachtslieden. Ze speelden een belangrijke rol in de ontwikkeling van Paramaribo.

De vitrine van Nancy Jouwe

Nancy Jouwe (Delft, 1967) onderzoekt de postkoloniale geschiedenis, gender, ras, seksualiteit en populaire en visuele cultuur. Ze is projectleider van onderzoeksproject Mapping Slavery NL. Onlangs publiceerde ze ‘Dutch New York Histories, Connecting Native American, African and Slavery Heritage’.

Kijk maar naar deze drie vrouwen
De slavernijgeschiedenis van Nederland is lange tijd losgezongen van de Nederlandse geschiedenis: de twee hoorden niet bij elkaar. Daarnaast werd het vooral gekoppeld aan nazaten van Caribisch Nederland. Maar ook in Nederlands-Indië en grotere delen van Azië was er slavernij en slavenhandel en speelde de VOC een belangrijke en sturende rol.

Ik stel voor beeltenissen te tonen van vrouwen die op drie continenten leefden, in Nederlandse koloniën, als slaafgemaakten van Nederlandse eigenaren. Daar was het leven van mannen en vrouwen fundamenteel verschillend. Gender was een belangrijke categorie van verschil, samen met ras en klasse. De levens van deze slaafgemaakte vrouwen laten dat bij uitstek zien, en maken de geschiedenis bovendien menselijk en tastbaar. Met hun verhalen ontpopt de Nederlandse slavernijgeschiedenis zich tot mondiale geschiedenis, die vier continenten en drie eeuwen bestreek.

Beeld Musée del'Homme

Saartje Baartman
Saartje Baartman (1789–1815) was een Khoikhoi vrouw uit Zuid-Afrika. Ze was in eigendom van Nederlandse Boeren, en sprak vloeiend Nederlands. Ze werd meegenomen naar Engeland en geketend tentoongesteld, omdat haar fysiek afweek van de Europese norm. Ze stierf in Frankrijk. Tot 1975 was een afgietsel van haar te zien in het Parijse Musée de l’homme; ook haar hersenen en genitalia werden tentoongesteld in Parijs. Dankzij Zuid-Afrikaanse interventies werden haar overblijfselen in 2002 teruggebracht en begraven. 

Beeld Frank Castelein

Sojourner Truth
Sojourner Truth (ca 1797-1883) woonde in Nieuw Nederland, de latere staat New York, waar zij tot haar negende in eigendom was van een Nederlandse eigenaar en Nederlands sprak. Deze rijzige vrouw van 1 meter 80 ontpopte zich als vrije vrouw tot publiek spreker, abolitioniste en voorvechter van vrouwenrechten. Ze won ook diverse rechtszaken, in de eerste kreeg ze haar slaafgemaakte zoon vrij. 

Beeld free

NYAI
De Nyai is een archetypische persoon, een inheemse vrouw in Nederlands-Indië die zorgde voor de duizenden jonge Europese mannen die naar Indië kwamen vanaf de 17de eeuw. Zij leerde de Nederlandse man, vaak vanuit de positie van slaafgemaakte, de lokale taal en cultuur kennen, verzorgde de huishouding én voorzag in zijn seksuele behoeften. Het koloniale bewind stimuleerde dit en liet (op een uitzondering na) witte Nederlandse vrouwen niet toe in Indië. De positie van de Nyai was precair, elk moment kon zij worden afgedaan, als een meubelstuk. Over de kinderen die zij voortbracht, had zij meestal geen zeggenschap.

In de 19de eeuw veranderden de koloniale mores en werden witte Nederlandse vrouwen toegelaten in de kolonie. De rol en de positie van de Nyai werd steeds minder belangrijk en het stigma van de promiscue, immorele vrouw met een apentronie groeide. Zij was inmiddels een gevaar voor de maatschappelijke balans in koloniaal Indië. 

Dit artikel is onderdeel van het speciale themanummer van Letter&Geest over het slavernijmuseum. Meer lezen? Kijk in ons dossier.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden