'Wat Kafka is voor Praag, is Van Ostaijen voor Antwerpen'

Tentoonstelling 'Het bordeel van Ika Loch' 28 augustus in het Archief en Museum voor het Vlaamse Cultuurleven, Minderbroedersstraat 22, Antwerpen, open 10-17 uur, behalve maandag; catalogus BF 150.

Niet bekend

Het is een curieus schilderij. In de trant van de impressionisten, met veel vlekken en vegen in lichte pasteltinten, op de schoenen en de parasol na die fel rood zijn. Ondanks de naaktheid van de vrouw, is het een ernstig schilderij. Van Ostaijen kijkt strak voor zich uit, net als de vrouw die haar hoofd een tikkeltje scheef houdt. Het is duidelijk dat hij zich met hogere zaken bezig wil houden dan het alledaagse en het platvloerse. Ook zijn 'muze' is doordrongen van de ernst van zijn opdracht: de dichter te zijn van de moderne tijd.

Het schilderij is te zien in het Archief en Museum voor het Vlaamse Cultuurleven in Antwerpen, en maakt deel uit van een grote tentoonstelling over de Antwerpse Avant-Garde in de jaren twintig. De expositie heet 'Het bordeel van Ika Loch', naar een groteske van Paul van Ostaijen uit 1925. Oorspronkelijk zou Rogier Avermaete centraal staan op de tentoonstelling, oprichter en eerste hoofdredacteur van het Franstalige Antwerpse literaire tijdschrift 'Lumiere' die precies honderd jaar geleden werd geboren, maar om praktische redenen zag het museum daar vanaf. Averzaete is in de vergetelheid geraakt, in tegenstelling tot Paul van Ostaijen die nog altijd tot de verbeelding spreekt. Op de tentoonstelling is dan ook terecht de meeste ruimte vrijgemaakt voor 'de poeet' zoals Paul van Ostaijen zichzelf gekscherend op een briefkaart noemde.

Op de tentoonstelling zijn naast brieven, handschriften, manuscripten en foto's ook een aantal portretten van Paul van Ostaijen te zien. Dat is niet zo verwonderlijk. Van Ostaijen was met veel Antwerpse schilders en beeldhouwers bevriend, zoals Paul Joosten, de al eerder genoemde Jos. Leonard en de gebroeders Oscar en Floris Jespers. In Berlijn, waar hij tot 1921 in ballingschap verbleef, ging hij voornamelijk met beeldend kunstenaars om. Van Ostaijen was daardoor goed op de hoogte van de recente ontwikkelingen in Europa. Vanuit de wijk Halensee in Berlijn onderhield hij zijn in Antwerpen achtergebleven vrienden nogal autoritair over zijn pas verworven inzichten. Niet tot ieders genoegen, zoals later uit het In Memoriam van Paul Joosten bleek, die Van Ostaijen de 'Paus van Halensee' noemde "die zijn bulla's over de wereld liet rollen en wij kregen het gepantserd of geemancipeerd kubism. Onnoodig te zeggen dat de kunstenaars nooit in de gelederen der Tucht marcheerden. De commandos brachten scheuringen, dwalingen, ketterijen en ongehoorzaamheden te weeg."

Van Ostaijen vluchtte eind oktober 1918 naar Berlijn, samen met zijn vriendin Emmeke. Beiden hadden een goede reden voor hun vertrek, vlak voor de wapenstilstand. Van Ostaijen was tot drie maanden gevangenisstraf veroordeeld vanwege zijn deelname aan een verboden demonstratie op 16 september 1917 tegen kardinaal Mercier, de Fransgezinde prelaat uit Gent. Van Ostaijen had tijdens diens bezoek aan Antwerpen 'Weg met de kardinaal' geroepen en pamfletten uitgedeeld met de tekst: "Heilige Lutgardis, patrones der Dietse Gouwen, geef Vlaanderen weldra een Vlaamse bisschop!" . Zijn vriendin Emmeke had zich tijdens de oorlog vermaakt met enkele hoge Duitse officieren.

In Berlijn schreef Van Ostaijen 'Bezette Stad' en 'De feesten van angst en pijn', twee dichtbundels die door hun bijzondere belettering en vormgeving er nog altijd uitspringen. Op de tentoonstelling in Antwerpen hangt levensgroot een van de bekendste bladzijde uit 'Bezette Stad', die begint met BOEM PAUKESLAG. In beide bundels is de invloed van de Dadasten merkbaar, maar er is ook verwantschap met de Franse dichter Guillaume Appolinaire, hoewel Van Ostaijen datzelf ontkende. Hij hield vol dat het in 'Bezette Stad' om een 'ritmiese typografie' ging, de gedrukte tekst was volgens hem vergelijkbaar met een partituur in de muziek.

Op de wikkel voor de boekhandel kondigde hij 'Bezette Stad' alsvolgt aan: "Met tekeningen en originaalhoutsneden van OSKAR JESPERS/ cliches in zwartrood naar manuscript/ Ritmiese typografie/ een boek zonder bijbelse schoonheid/ een boek voor royalisten en republikeinen/ voor dokters en analfabeten/ een boek met een register van al de beroemde liedjes der tien laatste jaren/ kortom: onmisbaar gelijk een kookboek/ 'Wat ieder meisje weten moet'."

In een van de vitrines van het Antwerpse museum ligt ook het originele exemplaar van 'De feesten van angst en pijn', dat Van Ostaijen geheel met de hand heeft geschreven, met verschillende kleuren inkt, in samenhang met de tekst. Hij droeg het op aan Oscar Jespers, in wiens huis hij zich enige dagen schuil hield nadat hij in mei 1921 naar Antwerpen terugkeerde. Hij had de bundel al eerder aan Jespers willen geven, bij diens bezoek aan Berlijn, maar hij had toen te weinig geld voor dun Chinees papier dat hij voor de bundel wilde gebruiken.

In 'De feesten van angst en pijn' formuleert Van Ostaijen aan het einde van Vers 6 zijn nieuwe 'ars poetica': 'Ik wil bloot zijn en beginnen'. Emmeke Clement reisde niet mee terug naar Antwerpen. Zij bleef in Berlijn waar zij bevriend was geraakt met de fysicus Peter Pringsheim, de zwager van Thomas Mann, met wie zij in 1923 zou trouwen. Van Ostaijen hoopte op intrekking van zijn vonnis, wat inderdaad ook gebeurde.

De tentoonstelling in het Archief en Museum voor het Vlaamse Cultuurleven is georganiseerd buiten verantwoordelijkheid van Antwerpen 93, tot spijt van de conservatoren. Een beetje extra geld hadden ze namelijk goed kunnen gebruiken. Nu moesten ze voor de tentoonstelling vooral uit de eigen archieven putten, waarin de documenten in de meerderheid zijn. Paul van Ostaijen (1896-1928), toch een van de grootste en belangrijkste dichters uit Antwerpen, komt er in de officiele programmering van Antwerpen 93 nogal bekaaid af. In het openingsweekend eind maart van 'Antwerpen culturele hoofdstad van Europa' kwam de Franse vertaling uit van 'Bezette Stad', gemaakt door Willy de Vos die in het dagelijks leven de toespraken van Europarlementariers in het Frans vertaalt, dus geen literair vertaler van huis uit. Maar een beetje intendant had wat originelers rond Van Ostaijen bedacht, een film bij voorbeeld of een songfestival op basis van de liedfragmenten in 'Bezette Stad'. Zoniet Eric Antonis, de intendant van Antwerpen 93.

Hansjurgen Bulkowski is de Duitse vertaler van Paul van Ostaijen. In 1991 verscheen 'Besetzte Stadt' bij Text + Kritik in Munchen, een uitgeverij die zich specialiseert in teksten van de Vroege Modernen. Bulkowski legt momenteel in het Vertalershuis in Amsterdam de laatste hand aan de Duitse vertaling van 'De bankroet-jazz', een filmscenario dat Van Ostaijen in 1920 schreef na het zien van de eerste internationale Dada-Messe in Berlijn. Het scenario gaat over de verovering van het failliete Europa door jazz en Dada en de redding van Charlie Chaplin. Van Ostaijen hield van films. In 'Bezette Stad' droeg hij een gedicht op aan Asta Nielsen, de blonde ster uit het hoge noorden - 'Onze Lieve Vrouw van Denemarken'.

In het Duits gaat de vertaling 'Pleite-Jazz' heten. In een nog ongepubliceerde brief aan de Duitse kunstenaar Heinrich Campendonk had Van Ostaijen de titel van zijn filmscenario veranderd, zo ontdekte Bulkowksi. Voor 'Besetzte Stadt' vertaalde hij 'Das Andere Gesicht' van Theo van Doesburg, een van de oprichters van De Stijl. Van Doesburg, vertelt Bulkowski, moest overigens niets van 'Bezette Stad' weten. In het novembernummer van 1921 van De Stijl ging Van Doesburg tekeer tegen Van Ostaijen. Hij noemde de belettering 'typografische gymnastiek', en 'leeg leeg hol opgeblazen - dik gemiteer van fransche literatuursport'.

Bulkowski's belangstelling voor Van Ostaijen, Van Doesburg en Piet Mondriaan, van wie hij twee verhalen gaat vertalen, dateert uit het begin van de jaren tachtig - na de grote deceptie, zoals Bulkowski de teloorgang van de marxistische idealen noemt. Jaren had hij zich ingezet voor de linkse beweging, onder meer als uitgever van het tijdschrift PRO waarin ook meer de teksten van de Nederlandse provo's zijn gepubliceerd. Toen het marxisme in elkaar sukkelde, ging Bulkowski op zoek naar de wortels van de moderne tijd. Bij schrijvers als Van Ostaijen, die hij onder de grote moderne klassieken rekent: "Wat Kafka is voor Praag, James Joyce voor Dublin, is Van Ostaijen voor Antwerpen."

In Duitsland geldt Van Ostaijen nog altijd als een 'Geheimtip', hoewel er wel een aantal gedichten van hem zijn vertaald. Hans Magnus Enzensberger nam al in 1960 vier gedichten van Paul van Ostaijen op in zijn 'Museum der modernen Poesie'.

Maar Bulkowski is om nog een andere reden in Van Ostaijen geinteresseerd. Van Ostaijen vertegenwoordigt voor hem een vooroorlogs geluk, het tijdperk voor Hitler en Nazi-Duitsland. De tijd dat Berlijn nog niet kapot was gebombardeerd en de koffie nog naar echte bonen smaakte, 'wie im Frieden' zoals zijn moeder zei. "Ik ben in 1938 in Berlijn geboren, mijn vader werkte bij de spoorwegen maar was geen lid van de partij. In 1943 werden vrouwen en kinderen geevacueerd naar Kalinagrad, dat nu Russisch is, maar toen in Oost-Pruisen lag. Na de oorlog kwamen we terug in Berlijn, alles was 'kaputt'. We woonden dichtbij Halensee waar Van Ostaijen ook bittere armoede had geleden."

In de vroege ochtend van 18 maart 1928 stierf Paul van Ostaijen in het sanatorium voor tbcpatienten in Miavoye-Anthee, een dorp in de Ardennen onder Namen: een maand na zijn tweeendertigste verjaardag. Zijn hart verdroeg de inblazingen met zuurstof niet langer. Volgens dokter Berard zou de patient zonder doodstrijd zijn overleden en tot het einde toe de hoop hebben bewaard. Van Ostaijen lag sinds september 1927 in het sanatorium. Hij had eigenlijk naar Zwitserland gewild om te kuren, maar zijn vader kon of wilde de hoge kosten daarvan niet betalen. Floris Jespers had nog een ets gemaakt om geld in te zamelen voor een verblijf in de bergen - Van Ostaijen staat erop afgebeeld met een vrolijk jagershoedje - maar het was al te laat.

Vlak voor zijn dood ontving Van Ostaijen nog tweeduizend frank van de Belgische minister voor Cultuur, de enige officiele erkenning die hij in zijn leven heeft gekregen.

Dat zijn talent zo weinig werd erkend en gewaardeerd, heeft hem bitter gestemd. Drie maanden voor zijn dood weigerde hij mee te doen aan een enquete voor de beste dichter en de beste criticus, omdat Eddy du Perron, met wie hij vanaf zijn ziekbed aan een nieuw literarir tijdschrift begon, hem niet had genoemd. Du Perron vond Richard Minne de beste dichter en Roel Houwink de beste criticus. In een brief aan Du Perron uitte Van Ostaijen zijn teleurstelling, maar het eind slikte hij die weer in: "En geloof me, ik sta alweer overeind en zeg: 'vooruit dan maar, zonder supporters'."

Op het laatste portret dat Floris Jespers na zijn dood van hem maakte, op basis van een jaar eerder genomen foto, is die teleurstelling goed te zien. Van Ostaijen trekt zijn linker wenkbrauw vragend omhoog, zijn mondhoeken verraden zijn kwetsbaarheid, maar vooral zijn ogen vertellen hoe gewond hij is. Jespers gaf de tekening aan de vader Van Ostaijen, die bij de begrafenis van zijn zoon met verbazing reageerde op de publieke eerbewijzen: "Ik wist niet dat hij zo beroemd was."

Vier jaar lang rustte Paul van Ostaijen op het kerkhof van Anthee onder het eenvoudige houten kruis, waarop op aanwijzing van zijn vriend, de dichter Garston Burssens, de volgende tekst was gezet: 'Hier rust de dichter van het Eerste boek van Schmoll, Paul van Ostaijen'. In maart 1932 werd zijn stoffelijk overschot overgebracht naar het kerkhof Schoonselhof in Antwerpen. Bij de uitgave van de eerste delen van zijn 'Verzameld Werk' in 1952 kreeg hij opnieuw een andere rustplaats. Zijn beenderen zijn nu terug te vinden op de erebegraafplaats van Schoonselhof, onder het beeld van de luisterende engel dat Oscar Jespers in 1937 ontwierp.

Vanaf het Antwerpse museum in de Minderbroedersstraat loop ik terug naar het Centraal Station, dat ere van Antwerpen 93 prachtig is gerestaureerd. Op de Keyserlei passeer ik cafe Hulstkamp, waar volgens Paul van Ostaijen de koffie het lekkerst van heel Europa smaakte. Na zijn terugkeer uit Berlijn ging Van Ostaijen elke avond naar dit cafe waar hij domino speelde of schaak. De koffie is anno 1993 nog altijd van goede kwaliteit, maar het interieur is grondig verpest, sinds de tijdgeest ook tot dit etablissement is doorgedrongen. Er is een gegolfstroomde bar gekomen, met zitjes rond een nep open haard. Vanuit de luidsprekers die tot op de toiletten te horen zijn, klinkt 'Strangers in the Night'. Niet van Frank Sinatra, maar van een vrouwelijke epigoon.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden