WAT IS ZELFKENNIS EN HOE VERWERF JE DIE

Boeddhisten en christenen, joden, moslims en hindoes hebben in de loop der eeuwen beschouwelijke visies en levenswijzen ontwikkeld die berusten op waardevolle psychologische inzichten: het werkterrein van de contemplatieve psychologie. Een gesprek met de psycholoog Han de Wit over geduldige introspectie en oefening van het intellect, over het fort van ego, de pianospeler en de hint van de buurman. De boeken van dr. H. F. de Wit - 'Contemplatieve psychologie' (210 blz. - f 34,90) en 'De verborgen bloei' (204 blz. - f 37,50) - zijn uitgegeven bij Kok Agora in Kampen.

JAAP DE BERG

Dr. H. F. (Han) de Wit deelt hun zienswijze niet. Sterker nog, hij beoefent al jaren een vorm van psychologie waarvan observatie van het eigen gedachtenleven een hoeksteen is. Deze contemplatieve psychologie richt haar blik op vragen en verschijnselen die de doorsnee academische psycholoog gaarne overlaat aan filosofen, theologen, wijzen en dwazen uit het oosten en medewerkers van damesbladen. Vragen als: wat is zelfkennis en hoe verwerf je die? Verschijnselen als levenswijsheid, werkelijkheidsbeleving, overgave en zelfverheffing, mededogen en hardvochtigheid.

De Wit - van huis uit theoretisch psycholoog, gepromoveerd bij A. D. de Groot, de auteur van het geenszins contemplatieve standaardwerk 'Methodologie' - geeft in deze tak van psychologie college aan de Vrije Universiteit in Amsterdam. Hij heeft er twee boeken over geschreven. 'Contemplatieve psychologie' (1987) wekte, in Engelse en Duitse vertaling, tot ver buiten Nederland enthousiasme. In 'De verborgen bloei', onlangs verschenen, belicht hij hetzelfde terrein vanuit een wat minder theoretische invalshoek.

Aan de Vrije Universiteit heeft De Wit onderdak gevonden bij de godgeleerden. Hierin schuilt een zekere humor. De Wit is boeddhist, aanhanger van een levensbeschouwing waarvan de grondlegger de vraag of God bestaat, weigerde te beantwoorden. Toch is hij onder de VUtheologen - voor zover niet al te intellectualistisch van signatuur - niet ver van huis. De contemplatieve psychologie is in hoge mate schatplichtig aan religieuze en levensbeschouwelijke stromingen. De verklaring ligt hierin dat boeddhisten en christenen, joden, moslims en hindoes in de loop der eeuwen beschouwelijke visies en levenswijzen hebben ontwikkeld die berusten op waardevolle psychologische inzichten.

'Wat ik met mijn werk beoog', licht De Wit toe, 'is bij mensen, inclusief psychologen, het besef te wekken dat die religieuze tradities een eigensoortige psychologie bezitten. Daarmee hebben ze ons, psychologen, iets essentieels te bieden. We moeten dan natuurlijk wel naar ze willen luisteren. Dit kan moeite kosten, omdat hun taal vaak ouderwets, vaag of al te moralistisch klinkt. Maar als je je daar overheen zet, merk je dat ze op het vlak dat we tegenwoordig 'psychologisch' noemen, veel te zeggen hebben.'

Uitgangspunt van de contemplatieve psychologie is de gedachte - vele gelovigen, en ongelovigen, vermoedelijk vertrouwd - dat hun kijk op de wereld en op zichzelf ernstig vertroebeld is. Wat hun blik verduistert, is ik-gerichtheid, onder christenen ook wel bekend als 'de oude Adam'. De Wit verkiest voor deze egocentrische, om niet te zeggen egoistische mentaliteit de term ego (zonder lidwoord). Ego is, schrijft hij in 'De verborgen bloei', wat ons ertoe aanzet in onze beleving van de werkelijkheid 'een eigen koninkrijk te scheppen, te verdedigen en te vergroten'. Het is een rijk waarin zelfverheffing doorgaat voor zelfontplooiing, en de macht om eigen verlangens te vervullen, voor vrijheid.

Of, met een andere metafoor: ego is een fort, opgetrokken in ons hart. Niemand kan erin. Zelf kunnen we er niet uit - behalve in de doorgaans zeldzame momenten waarop de scheiding tussen ik en het andere wordt opgeheven en we even uit onze dualistische roes ontwaken in wat Rilke noemde 'de reine ruimte (...) waarin de bloemen oneindig opengaan'. Voor wie dit iets te extatisch vindt klinken, heeft De Wit ook gedempter alternatieven. De ervaring van de pianospeler bijvoorbeeld, die achteraf beseft dat niet hij musiceerde, maar de noten op het blad, zijn muzikaal gevoel en oplettendheid, zijn handen en de toetsen samen, in een vloeiende eenheid.

Op zo'n ogenblik kan even het inzicht doorbreken, dat ego, ik-gerichtheid, een illusie is die onze beleving van de werkelijkheid belemmert. De waarde nu van de contemplatieve tradities is dat ze dit inzicht systematisch kunnen bevorderen. In 'De verborgen bloei' bespreekt De Wit uitvoerig wat daarvoor komt kijken. In de eerste plaats geduldige introspectie: observatie van alles wat in je gedachtenwereld omgaat, anders gezegd: van de manier waarop je de werkelijkheid beleeft.

Daarbij je ik-gerichtheid als een illusie te ontmaskeren, vergt veel oefening. Oefening van het intellect, van de verbeelding, van het concentratievermogen. Oefening ook - dat is het moeilijkste - van het vermogen om geheel onbevangen en belangeloos te kijken naar wat zich afspeelt in je geest. Zo ontstaat ruimte voor een egoloze, niet-bezitterige beleving van de werkelijkheid, waarin de een de Heilige Geest zal herkennen, een ander de Boeddha-natuur, en een derde - wie weet samen met de eerste twee - de ware menselijkheid.

Om die ware aard te ontplooien moet een mens zich ook in zijn uiterlijk gedrag - zijn spreken en handelen - aan een zekere discipline onderwerpen. Zo komt allengs zijn fundamentele menselijkheid - een sleuteluitdrukking in De Wits vocabulaire - tot bloei. Deze bloei mag dan verborgen heten, herkenbaar voor anderen is hij wel. Hij openbaart zich niet alleen in 'helderheid van geest' - het vermogen om de werkelijkheid onbevangen door ego te ervaren -, maar ook in levensmoed bij persoonlijke tegenslag, in mededogen en hulpvaardigheid bij tegenspoed van anderen - en in onvoorwaardelijke levensvreugde, zoals de dichter Bloem die ervoer, domweg gelukkig in de Dapperstraat.

Ergo: de mens is in wezen goed?

De Wit: 'Die vraag is me te simplistisch. Ik ben eerder geneigd te zeggen: iedereen heeft in wezen goede kanten. De slechte sluit ik niet uit, maar juist omdat ze er beide zijn, komt de vraag erop aan: in welke richting wil je gaan leunen? Wat wil je cultiveren?

U gaat ervan uit dat ieder mens, uiteindelijk, het goede wil. De geschiedenis wekt een andere indruk.

'Was willen maar kunnen. Maar zelfs met de beste wil van de wereld kan ook een blinde in een steeds wisselende omgeving niet anders dan regelmatig tegen van alles en nog wat opstoten. De vraag naar de oorsprong van onze blindheid, de oorsprong van ego - de zondeval, om het maar even zo te noemen -, die onze goede wil verduistert of perverteert, is misschien filosofisch of theologisch wel interessant, maar de contemplatieve tradities gaat het om een praktische vraag: hoe kunnen we onze momenten van helderheid cultiveren, de wolken van onze blindheid - onze bevangenheid in ego - doen verdampen, zodat de zon van onze goede wil zich in ons handelen en spreken onbelemmerd kan manifesteren?

Vele christenen zullen zeggen: op eigen kracht lukt een mens dat nooit. Daar is hulp van buitenaf voor nodig. Dat idee komen ze in de contemplatieve psychologie niet tegen.

'Het is maar hoe je de zaken definieert. Ego kan zichzelf niet verlossen. De bevrijding van ego moet van buiten ego komen. Ego is, zou je kunnen zeggen, een burcht waarin je je afsluit van de werkelijkheid. Soms valt daar, van buitenaf, licht in en wordt ego als het ware, om een ouderwetse term te gebruiken, verbrijzeld.'

De vraag is niet zozeer: is er iets buiten ego, maar: is er ook een macht buiten de mens?

'Misschien is het diepste wezen van de mens en wat buiten de mens is, wel precies hetzelfde. De verbrijzeling van ego kun je vergelijken met een vaas die gebroken wordt. De ruimte in de vaas en de ruimte erbuiten zijn hetzelfde. Het enige verschil is dat de vaas - ego - meent de ruimte erbinnen te moeten beschermen.

Het is een theistische manier van spreken om te zeggen: hier ben ik, maar er is ook nog iets buiten mij, iets dat verder gaat dan mijn leven van dit moment. De vraag opwerpen of dat reeel is, of objectief, veronderstelt dat we er enige notie van hebben wat realiteit is. Om dat te weten, moeten we het contemplatieve pad gaan. Daar wordt verkend wat reeel is en wat niet. Wie hier bij voorbaat over spreekt, miskent dat het antwoord besloten ligt in een ontwikkeling, een geleidelijke bevrijding van illusies. Het is als met de wereld waar een kind in leeft. Het ervaart die als absoluut reeel, tot het ontdekt dat - ik geef maar een voorbeeld - Sinterklaas niet meer bestaat.

In uw laatste boek stelt u de diverse godsdiensten geregeld op een lijn. Soms kan bij de lezer de indruk postvatten dat u ook hun waarheidsclaims, voor zover aanwezig, over een kam scheert.

'Dat zou ik heel jammer vinden. Ik stel ze alleen maar op een niveau vanuit een psychologische optiek - om te laten zien dat hun contemplatieve tradities met dezelfde psychologische inzichten werken. Maar tegelijk zeg ik: zo'n traditie kan voor iemand pas werkelijk heilzaam zijn, als hij zich er helemaal aan overgeeft. Ik propageer geen spirituele supermarktbenadering. Wat je traditie je te bieden heeft, moet waarheid voor je zijn - maar daarmee hoef je nog niet uit te sluiten dat anderen dat anders beleven.

Als boeddhist ben ik nauw betrokken bij de interreligieuze dialoog. De waarde daarvan ervaren vooral mensen die diep in hun eigen traditie staan. Het gesprek met een hindoe of een moslim - zonder verborgen agenda gevoerd - verdiept je inzicht in je eigen traditie.

De vraag naar contemplatie en spiritualiteit is de laatste jaren nogal gegroeid. Hetzelfde lijkt te gelden voor het aanbod. Daar is, schrijft u, 'veel rijp en groen' bij. Hoe houdt een mens die twee uit elkaar?

'Alle reclame voor moeiteloze spiritualiteit reken ik tot de varianten van 'groen'. Ze speelt in op de zwakheid van mensen, stimuleert dat ze aan zichzelf voorbijgaan en hun hoop stellen op mooie beloften - tot aan beloften van onkwetsbaarheid, almacht, onsterfelijkheid toe. Instant-spiritualiteit bestaat niet. Je fundamentele menselijkheid cultiveren vraagt langdurige inspanning. Je zult moeten oefenen, je leven lang. Het is als met rookverslaving; zonder inzet kom je daar niet van af. Een vijfdaagse cursus en je bent verlicht? Onzin natuurlijk. Dat soort propaganda gaat eraan voorbij dat mensen soms decennia lang in hun persoonlijk leven iets hebben ingeoefend dat juist de andere kant op moet.

Een keus voor de contemplatieve weg kan heel radicaal zijn. De Boeddha liet er zijn vrouw en kind voor in de steek. Die zullen daar niet gelukkiger van zijn geworden.

'Op den duur wel; na een paar jaar kwam het allemaal weer goed. Zijn zoon werd een van de doorgevers van de traditie, zijn vrouw ook. Maar waar het om draait, is: je moet er wat voor over hebben. Dat kan ook betekenen dat je de situatie waarin je verkeert, met huid en haar accepteert - geen andere baan, niet scheiden. Ook dat is een vorm van discipline: je situatie aanvaarden, je concentreren op de positieve kiemen die erin zitten en proberen die te cultiveren.

Hoe kun je zeker weten, dat je, ook op de comtemplatieve weg, niet van de ene illusie in de andere belandt?

'In de conventionele wetenschap geldt: over de waarheid kunnen we niet te veel zeggen, we kunnen wel vaststellen of we ons vergissen. Dat gaat ook op voor de contemplatieve psychologie. We kunnen ontdekken dat we in een illusie gevangen zaten, en daaruit ontwaken. Het is een stap in de goede richting, maar of we daarmee de waarheid bereikt hebben, weten we niet. Het komt erop aan dat we groeien in een bepaalde - onomkeerbare- richting, zelfbedrog onderkennen en loslaten, iets reeler in het leven komen te staan.

Een externe maatstaf hebben we daarvoor niet?

'Maar wel een interne. De belangrijkste ontdekkingen die je in je leven doet, berusten toch op een innerlijk proces, op innerlijke evidentie. Misschien wordt zo'n proces wel op gang gebracht doordat je buurman je ergens op wijst en zegt: ik zie dat zo en zo. Je gaat er dan op een andere manier naar kijken en opeens besef je: de man heeft gelijk. Dat besef is primair, niet de hint van de buurman. Zo groei je in wat ik noem helderheid van geest. In dat proces zijn we inderdaad onze eigen beoordelaar, dat is het riskante van de zaak - maar ja, het leven was toch al riskant.'

Stel, ik leid een fatsoenlijk leven, doe anderen niet te veel kwaad, betaal m'n belasting, jaag geen allochtonen de straat uit - maar houd de contemplatieve weg voor gezien. Moet ik dan vaststellen dat ik mijn fundamentele menselijkheid heb verkwanseld?

'Waarom zou je? Er zijn mensen - ik ken ze ook - die, als je het woord spiritualiteit laat vallen, reageren met: sorry hoor, ik heb wat anders te doen. Toch zie je dat ze op momenten dat ze een keus moeten maken - zich terugtrekken, de wereld of hun medemens afhouden, of daar hart voor tonen - systematisch kiezen voor de betrokkenheid, voor de fundamentele menselijkheid. Ook die mensen zijn - zonder dat hun dat nou in een boekje is voorgespeld - op de contemplatieve weg. Je kunt ook een authentiek spiritueel pad gaan zonder er in contemplatiefpsychologische termen over te praten, zelfs zonder je ervan bewust te zijn.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden