WAT IS POSTMODERNISME?

Hans Bertens: 'The idea of the postmodern. A history.' Uitg. Routledge, Londen en New York, 1995, ISBN 0-415-06012-5. Dr. G. A. M. Widdershoven is filosoof, hij is als bijzonder hoogleraar hermeneutiek en gezondheid verbonden aan de Rijksuniversiteit Limburg. Iedereen heeft van het postmodernisme gehoord, iedereen praat erover mee, maar wat is postmodernisme? Hans Bertens, hoogleraar amerikanistiek aan de universiteit van Utrecht, publiceerde bij uitgeverij Routledge een studie over de geschiedenis van het begrip postmodernisme, van het Amerikaanse literary criticism in de jaren vijftig en zestig, via het Franse poststructuralisme van Derrida en Foucault in de jaren zeventig en tachtig, tot en met het debat met Lyotard, Habermas, Rorty, Baudrillard en Bauman.

In de tweede plaats roept het voorvoegsel post onduidelijkheid op. Gaat het om een verschijnsel dat na het modernisme komt? Is het modernisme daarmee geheel verdwenen? Hoe moet de verhouding tussen het vroegere (het modernisme) en het latere (het postmodernisme) geduid worden? Is het postmodernisme een vervolg op het modernisme of is het radicaal anders?

Een derde probleem voor degene die antwoord wil geven op de vraag 'wat is postmodernisme' heeft betrekking op de vraag zelf. De vraag 'wat is...' suggereert een antwoord waarin de kern, het wezen, de essentie wordt geformuleerd. Maar kan zo'n vraag wel in algemene zin gesteld worden? Veel postmoderne auteurs betwijfelen de zin van dergelijke essentialistische vragen. Juist in het geval van het postmodernisme lijkt zo'n vraag de verkeerde kant op te wijzen. De vraag 'wat is postmodernisme' is niet alleen moeilijk te beantwoorden, omdat men kan twijfelen over de vele mogelijke referenties van de term, maar vooral omdat ze te globaal en te uniformerend is, een essentie poneert, hetgeen in zichzelf twijfelachtig is.

Intussen blijft de vraag aanwezig. Iedereen heeft van het postmodernisme gehoord; iedereen praat erover mee. Hoe kan de vraag zinvol benaderd worden? Een mogelijke uitweg is te vinden wanneer men zich richt op de geschiedenis van het debat over het postmodernisme. Die geschiedenis laat zien dat de term in eerste instantie betrekking heeft op een artistieke ontwikkeling, maar in de loop van de tijd een steeds wijdere strekking heeft gekregen. Die geschiedenis laat ook zien dat de betekenis van het voorvoegsel post voortdurend ter discussie heeft gestaan. En ten slotte laat die geschiedenis zich beschrijven als een toevallig proces waarin de dubbelzinnigheid van het fenomeen postmodernisme gestalte krijgt doordat nieuwe verbanden gelegd worden en nieuwe betekenissen gecreëerd worden.

Het schrijven van de geschiedenis van het postmodernisme-debat is derhalve een goede manier om greep te krijgen op het verschijnsel zonder in essentialistische termen te vervallen. Het is de grote verdienste van Hans Bertens dat hij die geschiedenis op heldere manier in kaart brengt. Belangrijk is ook dat hij zich vooral richt op het Amerikaanse debat, hetgeen een welkome aanvulling levert op de beeldvorming in Nederland, waarin het werk van de Franse filosoof Lyotard veelal centraal staat. Bertens laat zien in welke kringen het debat zich tussen de jaren 50 en de jaren 90 afgespeeld heeft, welke verschuivingen er zijn opgetreden in de gebruikte termen en op welke wijze de inzet van het debat zelf is veranderd.

Bertens situeert het begin van het postmodernisme-debat in de jaren vijftig en zestig in de wereld van literary criticism in Amerika.Het is meer dan alleen recensie of journalistieke beschouwing, het bestrijkt een breder terrein dan literatuur; toch is het geen filosofie van de kunst. De auteurs van het literary criticism zien dat kunstenaars breken met de principes van het modernisme. Het modernisme is gericht op orde en transcendentie van het toevallige in het bestaan. Romans dienen een afgerond plot te bezitten. Muziek wordt geacht harmonie uit te stralen. Architectuur wordt gekenmerkt door rechtlijnigheid en functionalisme. Het modernisme realiseert de idealen van de Verlichting: rationaliteit en orde. Het postmodernisme in de kunst kan worden opgevat als anti-modernisme: het benadrukt stilte (het toneel van Beckett), toeval (de muziek van John Cage), incoherentie (de films van Godard), historiciteit (de architectuur van Aldo Rossi). Kunstcritici als Ihab Hassan, Susan Sontag en Charles Jencks zien in deze ontwikkelingen een nieuwe vorm van kunst dagen, die zij aanduiden als postmodernisme.

Twee dingen vallen op in deze beginfase van het debat rond het postmodernisme. In de eerste plaats gaat het bij degenen die gebruik maken van de term postmodernisme niet om een uitwerking van een filosofisch ideeënstelsel of om een conceptualisering van een maatschappelijke omslag, maar om een poging greep te krijgen op nieuwe ontwikkelingen in de kunst. Daarbij richt men zich niet alleen op hoge kunst, maar ook op populaire kunst, op vermaak en kitsch.

In de tweede plaats blijkt de eenheid die met de term postmodernisme wordt gesuggereerd, een verscheidenheid aan kunstvormen en interpretaties in te sluiten. Spanningen en contradicties blijven dan ook niet uit. Bertens laat zien dat het postmodernisme in de literaire kunst gepaard gaat met een verzet tegen narrativiteit (de gedachte van het afgeronde plot wordt verworpen), terwijl het in de architectuur juist een hernieuwde belangstelling voor narrativiteit (in de vorm van historiciteit) met zich meebrengt. Hij laat tevens zien dat auteurs er vaak moeite mee hebben om bepaalde kunstwerken te typeren. Voor de een geldt als postmodern wat de ander nog als modern beschouwt.

In de jaren zeventig komt de wereld van literary criticism in meer theoretisch vaarwater. In deze tijd vindt de receptie van het poststructuralisme plaats. Dit poststructuralisme is een ontwikkeling in de Franse filosofie waarin de structuralistische kritiek op het existentialisme - namelijk dat men niet moet uitgaan van het subject, maar van de structuren van de taal - wordt verbreed, zodat niet alleen opposities in het taalsysteem aan de orde zijn, maar ook de werking van teksten (tekstualiteit) en wijzen van spreken over de werkelijkheid (discoursen en discursiviteit).

Van belang is in de eerste instantie het werk van de Franse filosoof Jacques Derrida, dat in Amerika een stormachtig onthaal krijgt. Derrida is de filosoof van het deconstructie-denken, dat uitgaat van de gedachte dat betekenis afhankelijk is van de wijze waarop teksten in elkaar grijpen, elkaar hernemen, op elkaar voortbouwen en elkaar verbouwen (destrueren en construeren). Vandaar ook het centrale principe: intertekstualiteit (teksten staan altijd in een verband van andere teksten).

De invloed van Derrida op het Amerikaanse postmodernisme-debat is zo sterk, dat postmodernisme en deconstructie vaak als synoniem worden gehanteerd. Daarmee wordt een fase van het debat (de jaren zeventig) verabsoluteerd, hetgeen door Bertens terecht wordt bekritiseerd.

Uit de populariteit van Derrida kan worden opgemaakt dat de theoretici van het postmodernisme in de kunst behoefte hadden aan meer filosofische ondersteuning. Derrida is voor hen aantrekkelijk, omdat hij een aantal uitgangspunten van het modernisme met filosofische middelen ondergraaft. Hij benadrukt dat kunstwerken nooit afgerond zijn. De zinssamenhang die in een kunstwerk aanwezig is, berust op een oneindig geheel van relaties met andere kunstwerken. Teksten zijn opgenomen in een intertextueel netwerk. Teksten zijn citaten; in elke tekst worden andere teksten herhaald en in een nieuwe context geplaatst. Derrida benadrukt tevens dat orde alleen kan bestaan bij de gratie van wanorde. Orde is niet sterker dan wanorde; beide zijn twee zijden van dezelfde medaille. Het principe van de intertextualiteit en van de wederzijdse constitutie van orde en wanorde breekt met het modernisme, dat ervan uitgaat dat een tekst een orde schept die afrekent met wanorde. Derrida's gedachten sluiten derhalve goed aan bij het postmodernisme-debat en geven het in de jaren zeventig een filosofische wending.

De deconstructivistische fase in het postmodernisme kent zijn eigen rigiditeit. Ze wordt gekenmerkt door een sterke nadruk op teksten en (inter)textualiteit, op filosofisch getinte analyses, die niet zelden rechtlijnig zijn en het kunstwerk reduceren tot een uiting van een - deconstructivistische - logica. Het Amerikaanse deconstructivistische postmodernisme is soms zo plat, dat Europese vertegenwoordigers van het deconstructie-denken, zoals de Engelse wetenschapper Christopher Norris, het betitelen als 'intellectueel vandalisme'.

De invloed van het Franse poststructuralisme op het postmodernisme-debat blijft niet beperkt tot het werk van Derrida. In de jaren tachtig komt de Franse filosoof Michel Foucault centraal te staan. Foucault deelt met Derrida de interesse in textualiteit en de wederzijdse constitutie van orde en wanorde. Tegelijkertijd brengt hij echter een politiek thema in, het thema van de macht. Foucault spreekt niet van intertextualiteit, maar van discursiviteit. Hij onderscheidt verschillende discoursen, die elk een eigen orde produceren. De productie van orde gaat volgens Foucault gepaard met macht. Orde kan alleen ontstaan wanneer de wanorde wordt uitgebannen. Homogeniteit is een gevolg van het wegdrukken en verdrukken van heterogeniteit. Deze gedachten worden opgenomen in het postmodernisme-debat. Aanhangers van het postmodernisme benadrukken dat het modernisme een orde belichaamt die in hoge mate repressief is. Zij pleiten voor heterogeniteit. Tegenover de modernistische preoccupatie met de mannelijke, blanke, heteroseksuele volwassene stellen zij het belang van het afwijkende, het 'andere', en vragen zij aandacht voor vrouwelijkheid, etniciteit, homoseksualiteit en kinderlijkheid. Deze politieke wending blijft ook later het postmodernisme-debat bepalen.

In de tweede, poststructuralistische fase in het postmodernisme-debat gaat het niet langer om de kunst, maar om een manier van filosoferen en analyseren die een veel wijdere strekking heeft. Deze filosofische wending betekent een conceptuele versterking, maar dit gaat ten koste van de openheid en concreetheid die de eerste fase van het debat kenmerkten.

De derde fase in het postmodernisme-debat wordt ingeluid met het verschijnen van Engelse vertalingen van het werk van de Franse filosoof Jean-François Lyotard, begin jaren tachtig. In deze periode komt de nadruk te liggen op de vraag wat de hedendaagse, postmoderne wereld kenmerkt. Lyotard zegt dat er geen grote verhalen meer bestaan. De maatschappelijke verhoudingen kunnen niet langer in termen van universele concepten gelegitimeerd worden; elke rechtvaardiging is lokaal, gebonden aan concrete verhalen en praktijken. Lyotard spreekt van een heterogeniteit van taalspelen, die constant met elkaar strijden om hegemonie, zonder dat één deze strijd kan winnen. Ook binnen afzonderlijke taalspelen gaat het niet om het behalen van de winst, maar om het spel zelf. Een spel heeft succes als het zich weet te handhaven naast en ten koste van andere, dominante spelen, en de daarbij behorende wijzen van spreken en denken weet te ondergraven en relativeren. Lyotard bepleit een continue revolutie van taalspelen.

Lyotards boek over het postmodernisme wordt wisselend ontvangen. Sommige Amerikaanse interpreten zien in zijn oproep tot meer heterogeniteit en continue verandering van taalspelen een pleidooi voor een vorm van liberalisme die hooguit een verdieping is van bestaande westerse verhoudingen. Anderen menen dat Lyotard een radicale kritiek op het liberalisme formuleert. Tot de laatste groep van interpreten behoort ook de Duitse filosoof en maatschappijcriticus Jürgen Habermas. Hij meent dat Lyotard met zijn pleidooi voor heterogeniteit de rol van communicatie, argumentatie en kritiek ondergraaft. Voor Habermas neemt het postmodernisme (dat hij identificeert met Lyotard en Foucault) te snel afstand van modernistische beginselen. Maatschappijkritiek is niet gediend met relativering, er is juist behoefte aan algemene normatieve uitgangspunten, zoals emancipatie en solidariteit.

De Amerikaanse filosoof Richard Rorty bespreekt de polemiek van Habermas en Lyotard. Hij kiest de zijde van Habermas waar het gaat om een positieve waardering van liberale uitgangspunten, maar deelt met Lyotard de gedachte dat algemene, universele rechtvaardigingen niet langer mogelijk zijn. Rorty pleit derhalve voor een lokaal liberalisme, een liberalisme dat gegrondvest is in een concrete gemeenschap van westerse burgers. De vraag die daarbij rijst - en die door Bertens ook kort wordt aangestipt - is of Rorty niet voorbijgaat aan de maatschappijkritische inzet die Lyotard en Habermas delen, hoezeer ze verder ook van mening verschillen.

Een maatschappijkritische inzet is ook kenmerkend voor Baudrillard, Jameson en Lash. De Franse filosoof Jean Baudrillard stelt dat de hedendaagse samenleving door de invloed van de media niet langer reëel is, maar hyperreëel. Door de media worden tal van evenementen gecreëerd waarvan voor niemand meer duidelijk is of ze echt zijn of niet. De media wekken de suggestie dat er voortdurend wereldschokkende zaken gebeuren, die de loop van de geschiedenis veranderen (Vietnam, Watergate), terwijl de continuëeit van het kapitalistische systeem verborgen blijft. Dit werkt verlammend op elke poging tot fundamentele kritiek op de bestaande verhoudingen.

Deze gedachte wordt door de Amerikaanse, marxistische theoreticus Fredric Jameson verder uitgewerkt. Hij beschouwt het postmodernisme als de 'culturele logica van het laat-kapitalisme'. Televisie en video leiden tot een fragmentatie van betekenissen en een ongekende oppervlakkigheid van gevoelens.

In navolging van Jameson omschrijft de Amerikaanse socioloog Scott Lash het postmodernisme als een cultureel proces dat gekenmerkt wordt door massificatie en consumentisme. Dit leidt volgens hem tot de-differentiatie: de tendens in de tegenwoordige samenleving, die ingaat tegen de differentiatie die kenmerkend was voor de moderne tijd, bij voorbeeld het uit elkaar groeien van wetenschap, politiek en kunst, of het opsplitsen van activiteiten: arbeidsdeling, bureaucratie.

Traditionele (modernistische) onderscheidingen, zoals het onderscheid tussen kunst en dagelijks leven, vervagen. Deze gedachtengang grijpt terug op de ideeën over postmoderne kunst die in de eerst fase van het debat centraal stonden. De de-differentiatie wordt nu echter niet meer gezien als kenmerkend voor een fase in de kunst, maar als karakteristiek voor de hedendaagse wereld.

Als afsluiting van de tour d'horizon langs het Amerikaanse postmodernisme-debat bespreekt Bertens het werk van de Amerikaanse socioloog Zygmunt Bauman. Bauman keert zich tegen de oppositie van modernisme en postmodernisme, die aanwezig is bij Baudrillard, Jameson en Lash. Volgens hem is het postmodernisme, met de bijbehorende nadruk op toeval, pluralisme en variabiliteit, een radikalisering van het modernisme. Bauman presenteert een positieve visie op het postmodernisme, die aansluit bij het werk van Lyotard; anders dan Lyotard beschouwt hij het postmodernisme echter als een voortzetting van het modernisme.

In de derde fase van het postmodernisme-debat gaat het niet meer om kunst of filosofie, maar om de gehele westerse cultuur. Opnieuw is er daarbij sprake van uiteenlopende visies. De verschillen betreffen enerzijds de waardering van de hedendaagse cultuur en anderzijds de waardering van het postmodernisme. Lyotard combineert kritiek op de westerse samenlevingen met een positieve visie op het postmodernisme. Habermas formuleert eveneens een maatschappijkritiek, maar heeft geen goed woord over voor het postmodernisme als alternatief. Baudrillard, Jameson en Lash richten zich in hun kritiek op de hedendaagse cultuur juist op de postmoderne elementen daarin. Bauman en Rorty zien in de postmoderne aspecten van de westerse wereld daarentegen grond voor een positief oordeel, zowel met betrekking tot de westerse waarden als met betrekking tot het postmodernisme. De verbreding van de reikwijdte van het debat gaat zodoende gepaard met een verscherping van de tegenstellingen.

Wat is postmodernisme? Bertens laat zien dat die vraag op meerdere wijzen beantwoord moet worden. In de eerste en de derde fase wordt het begrip postmodernisme vooral gebruikt ter aanduiding van een ontwikkeling in de werkelijkheid (de kunst, respectievelijk de westerse cultuur). In de tweede fase staat het postmodernisme als theorie op de voorgrond. Deze onderscheiding is echter relatief: in geen enkele fase wordt het begrip exclusief gebruikt ter aanduiding van een van beide alternatieven. Meestal gaat het om realiteit en ideeënstelsel tegelijkertijd, al verschuift het accent in de loop van het debat.

Hoe staat het met de relatie tussen postmodernisme en modernisme? In de eerste fase van het debat is het postmodernisme volgens Bertens vooral anti-modernisme. Het gaat om betrekkelijk bescheiden pogingen de hegemonie van het modernisme te doorbreken. In de tweede fase presenteert het postmodernisme zich als volwaardig alternatief. Dit leidt tot een verabsolutering die zich moeilijk laat rijmen met de principes van pluralisme en openheid die het postmodernisme geacht wordt te huldigen. De spanning tussen modernisme en postmodernisme is in de derde fase nadrukkelijk aanwezig. Sommigen zien het postmodernisme als een verhevigde vorm van modernisme, hetzij in negatieve zin (Baudrillard, Jameson, Lash), hetzij in positieve zin (Bauman). Anderen contrasteren modernisme en postmodernisme, waarbij zij een van beide nadrukkelijk prefereren, hetzij het postmodernisme (Lyotard, Rorty), hetzij het modernisme (Habermas).

Bertens sluit zich aan bij de visie van Bauman, die modernisme en postmodernisme in elkaars verlengde beschouwt en beide positief waardeert. Dat is overigens ook kenmerkend voor de wijze waarop Bertens in zijn boek te werk gaat: zijn geschiedschrijving wordt gekleurd door een (postmodernistische) nadruk op variabiliteit, gepaard aan (modernistische) belangstelling voor argumenten en kritiek op stellingen die door de verschillende auteurs worden betrokken.

Er is geen eenduidig antwoord op de vraag 'Wat is postmodernisme', zoveel is na lezing van het boek van Bertens wel duidelijk. Voor diegenen die het postmodernisme serieus willen nemen, is dat echter geen bezwaar. Het postmodernisme bestaat niet buiten het postmodernisme-debat. Dat debat is in principe open. Het wachten is op het vervolg.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden