Wat is politiek

De moeder van een radicale milieufreak die was gearresteerd wegens een bomaanslag, zei dat haar zoon eigenlijk een heel vredelievende jongen was. Omgekeerd voegde Marcel van Dam Pim Fortuyn toe dat hij een minderwaardig mens was. 'Maar in de politiek gaat het niet om mooie karakters', schrijft filosoof Hans Achterhuis, 'maar om de inhoud van iemands argumenten en om de consequenties van zijn daden.' Achterhuis beschrijft de geboorte en het wezen van de politiek, en de talloze bedreigingen waaraan zij blootstaat. Eén van die bedreigingen is de voortdurende verwarring van moraal en politiek: 'Een politicus moet leren om niet goed te zijn.'

Het aftreden van een voltallig Nederlands kabinet in verband met de grootste massamoord in Europa na de Tweede Wereldoorlog, de moord op Pim Fortuyn en de recente verkiezingsuitslag, ze roepen alle de vraag op wat er met de politiek aan de hand is. Antwoorden op deze vraag worden in vele varianten gegeven. Ze draaien deels rond de befaamde kloof tussen burgers en politici en deels rond de relatie tussen ons westerse politieke bestel en de inbreng van andere culturen. Die relatie is zelf weer sterk beïnvloed door de terreuraanslagen van 11 september op de Twin Towers en het Pentagon.

Bij de recepten die worden gegeven om deze problemen snel te lijf te gaan, wordt steeds verondersteld dat met het opvolgen ervan het vertrouwen in de politiek kan worden hersteld, dat de politieke zaken hierna als vanouds voortgang kunnen vinden. Dat laatste betwijfel ik sterk. De uitdagingen aan de politiek zijn zo veelomvattend, de gevaren die haar bedreigen zo onoverzichtelijk dat we de vraag moeten radicaliseren. Het gaat niet om de vraag wat er met de politiek aan de hand is, we moeten de vraag durven stellen: Wat is politiek? Deze radicale vraag stelde Hannah Arendt in de jaren vijftig, oog in oog met andere uitdagingen: het totalitarisme en de atoomdreiging.

Zoals veel van onze westerse culturele verworvenheden is politiek een Griekse uitvinding. Politiek heeft niet altijd en overal bestaan waar mensen samenleven. Natuurlijk kennen alle samenlevingen leefregels die hen bijeenhouden. Deze vallen grofweg samen met de heersende zeden en gewoonten.

Met politiek lag dat anders. Politiek was de bewuste vormgeving van de polis, de stadstaat, door de betrokken burgers zelf. Niet meer de vorst of de erfelijke groep leiders maakte de dienst uit, maar de gezamenlijke burgers. In Athene, de meest democratische van de stadstaten, bestonden die burgers overigens alleen uit de vrije mannen van Atheense afkomst.

In de politiek draaide alles om het overtuigen van de anderen. Politiek was daarom in eerste instantie een zaak van woorden, van discussies en argumenten. Op grond hiervan werden besluiten genomen en werd er gehandeld. Maar als dit handelen het gebruik van geweld inhield, werd de politiek opgeheven. Arendt maakt daarom een scherp onderscheid tussen macht en geweld. In de politiek ontwikkelen de handelende burgers gezamenlijk macht. Voor geweld is daarentegen geen plaats op het publieke terrein.

De Grieken waren zich er zeer bewust van dat zij door de instituties waarin zij de politiek belichaamd hadden, verschilden van de hen omringende volken. Heel het geschiedverhaal van Herodotus is op dit onderscheid gebaseerd. In de drie Perzische Oorlogen verdedigden de Grieken gemeenschappelijk hun ideaal van politiek bedrijven tegen het hiërarchische Perzische rijk. De inzet van die strijd beleefden ze als immens. De nog maar pas uitgevonden werkelijkheid van de politiek stond op het spel; haar voortbestaan was niet automatisch gegarandeerd.

De geboorte van de politiek valt samen met wat Popper als het ontstaan van 'de open samenleving' beschrijft. In wat hij de 'Griekse Verlichting' noemt, probeerde voor het eerst in de geschiedenis van de mensheid het individu zich vrij te maken van de op het stamverband gebaseerde en aan de natuur onderworpen gesloten samenleving. Mythen maken plaats voor vrij onderzoek, de mens roept zich openlijk uit tot de maat van alle dingen.

De geboorte van de wijsbegeerte valt even later. Het blijft pijnlijk eraan te herinneren dat de geboorte van de op schrift gestelde filosofie plaatsvond in oppositie tegen de politiek. De dood van Socrates is hier de beslissende traumatische gebeurtenis. Plato ziet de veroordeling van zijn leermeester als het bewijs dat de democratische politiek van Athene niet deugt. Als tegenwicht ontwerpt hij in 'de Staat' een proto-utopie waarin de deskundigen -in dit geval de filosoof-koningen- het voor het zeggen hebben. En tegenover de altijd partiële en relatieve meningen die de burgers met elkaar in het publieke domein wisselen, poneert Plato de absolute waarheid die door de enkeling aanschouwd kan worden. Wie deze waarheid kent, wie tot de Idee/Vorm van het ware, het goede en het schone is opgestegen, verkrijgt daarmee het recht om over de staat te heersen. Op grond van een gedetailleerde analyse van Plato's werk, kan Popper niet anders dan concluderen dat hij de eerste geduchte vijand van de open samenleving en haar politieke instituties is.

Van deze antipolitieke geboorte heeft de wijsbegeerte zich nooit afdoende kunnen herstellen. In een televisie-interview voor de Süd-Deutsche Rundfunk verklaart Hannah Arendt daarom kribbig tegen de interviewer die haar als filosoof heeft aangesproken dat ze dat niet is. Ze noemt zichzelf liever politiek denker. Fel zet ze zich af tegen de wijsgerige traditie met haar leermeester Heidegger als laatste grote exponent, die nog steeds de relatieve, pluralistische intermenselijke werkelijkheid van de politiek miskent in naam van absolute ideeën of waarheden.

Aan de Griekse ontdekking van de politiek voegde Rome die van de buitenlandse politiek toe. Die kenden de Grieken niet. Buiten de polis lag het domein van het geweld waar de argumenten plaats moesten maken voor wapens. De Romeinen ontdekten het belang van het sparen van het leven van overwonnen vijanden en van de mogelijkheid om hen via verdragen aan de eigen republiek te binden of hen er zelfs in op te nemen.

Dat de politiek kwetsbaar is en verloren kan gaan, zien we aan het einde van het Romeinse rijk. Zelfs de schijn van politiek die door de keizers soms nog werd opgehouden, verdwijnt in de vroege Middeleeuwen. Pas aan het einde van de Middeleeuwen herontdekt de opkomende burgerij van de steden de fascinerende werkelijkheid van de politiek. Dit gebeurt op de meest schitterende wijze in Florence waar één van haar grootste zonen de herontdekte politieke werkelijkheid verwoordt. Met name in de 'Discorsi', zijn commentaar op de eerste tien boeken van het grote geschiedwerk van Livius over de opkomst van Rome, ontvouwt Niccolo Machiavelli zijn 'Gedachten over staat en politiek'.

Eén van zijn belangrijkste ontdekkingen, die ons vandaag nog vaak tegen de haren instrijkt, is die van het grote verschil tussen moraal -voor Machiavelli de christelijke moraal- en politiek. In de moraal wordt (soms) een absoluut beroep op het individu gedaan, in de politiek gaat het om een voortdurend overleg met anderen bij de afweging van doelen, mogelijkheden en middelen. Een christelijk deugdzaam mens zal daarom meestal een slechte staatsman zijn; een bekwaam politicus moet -zo luidt zijn beroemde adagium- 'leren om niet goed te zijn'.

Parallel aan dit benadrukken van het verschil en de spanning tussen moraal en politiek herontdekt Machiavelli ook het belang van de schijn. Tegenover de schijn van de vele meningen had Plato het enkelvoudige wezen van de waarheid geplaatst. Maar in de politiek gaat het allereerst om de uiterlijke verschijning, om dat wat zichtbaar gemaakt wordt. We hebben hier niet te rekenen met diepe onzichtbare motieven of verborgen goede bedoelingen maar met uitgesproken argumenten en waarneembare gevolgen van handelingen. Politiek heeft, zo onderstreept ook Arendt, altijd iets weg van theater. Wie bang is om op het publieke terrein te kijk te staan, moet zich niet in de politiek wagen. Volgens Machiavelli staat daarom in de politiek de deugd van de virtu centraal. Dit onvertaalbare begrip dat haaks staat op de christelijke deugd van het hart en de binnenkamer, heeft alles te maken met slagkracht in woorden en daden op het publieke terrein.

Een aantal van de belangrijkste elementen uit de Griekse politiek en de Florentijnse herontdekking daarvan vinden we terug in de latere representatieve democratie. Via de omweg van het stembiljet kunnen burgers hier nog steeds betrokken zijn bij de gezamenlijke inrichting van hun samenleving, terwijl het passieve kiesrecht de politieke ambten voor iedereen openstelt. Eind goed al goed, zou Fukuyama zeggen, zeker als we er ook nog economische marktwerking aan koppelen.

Maar wie zo optimistisch is, onderkent onvoldoende hoe fragiel de realiteit van de politiek nog steeds is. Popper had het niet voor niets over 'de open samenleving en haar vijanden'. Die laatste duiken steeds opnieuw op in onvermoede gedaantes. Popper schreef zijn boek vanuit de bedreigingen van fascisme en communisme. Terecht zag hij de Tweede Wereldoorlog met de nasleep van de Koude Oorlog als een frontale aanval op de open samenleving en haar wijze van politiek bedrijven. In het licht hiervan analyseerde hij het denken van vooral Plato en Marx, twee fundamentele vijanden van de open samenleving die hun aanval erop zeer geraffineerd, in progressief lijkende, verleidelijke vertogen wisten te vatten. Vandaag de dag liggen de bedreigingen voor de democratie grotendeels elders. Ik wil er drie behandelen in het licht van de schokkende gebeurtenissen die ik in het begin noemde.

Laat ik met de eerste aardschok beginnen: 11 september. De Franse filosoof André Glucksmann heeft hier een diepgravende beschouwing aan gewijd. De bron van het nihilistische terrorisme dat zich in de VS manifesteerde zoekt Glucksmann niet, zoals de meesten, in de islam. Ze ligt in de westerse geschiedenis zelf. De 'Boze Geesten' uit Dostojewski's gelijknamige roman zweven boven de puinhopen in Manhattan. De Russische auteur verbeeldde al op literaire wijze het soort daden waartoe revolutionaire bewegingen die een absoluut doel nastreven, in staat zijn. Achter hun poging om een nieuwe gesloten samenleving te herstellen die op een absolute grondslag rust, ontwaart hij wat zijn geestgenoot Nietzsche als nihilisme ontmaskert. Nihilisme is niet zozeer een verlies of een relativering van alle waarden, als wel het beschouwen van de hele werkelijkheid vanuit één enkele absoluut geachte waarde. Daarvoor moet dan alles, vaak via de weg van het geweld, wijken. In deze ideologische benadering is er geen ruimte meer voor de politieke uitwisseling van altijd partiële meningen, voor het botsen van tegengestelde argumenten dat tot een compromis kan leiden. Het ideaal ligt vast en wie het in de weg staat, wordt opgeruimd. Dat oogt meteen netjes. Zuiverheid is niet voor niets één van de hoofddeugden van de vele varianten van absoluut verzet tegen de ongewassen en ongekamde open samenleving.

Dit verzet omschrijven we tegenwoordig als een strijd tegen 'de moderniteit'. Ongetwijfeld wordt het moslim-fundamentalisme hierdoor gekenmerkt. Maar nooit mogen we, aldus Glucksmann, vergeten dat de grondvorm hiervan al opgeroepen is in de wereld van de open samenleving zelf waarin de Verlichting en de moderniteit hun oorsprong vinden. Het gaat niet om een vijand van buitenaf maar om een interne bedreiging die politiek en democratie sinds hun geboorteuur permanent vergezelt.

In mijn studie 'De erfenis van de utopie' heb ik laten zien hoe de moderne utopische traditie sedert Thomas More's 'Utopia' uit 1517 op geraffineerde en nauwelijks grijpbare wijze het ideaal van de open samenleving van binnenuit ondermijnt. Elke bedachte of gerealiseerde utopie berust op de heerschappij van een elite van deskundigen en is doortrokken van geweld. In verband met de tweede schokkende gebeurtenis, de moord op Fortuyn, wil ik wijzen op mijn stelling in dat boek dat de gewelddadige utopische traditie behalve bij fundamentalisten tegenwoordig vooral te vinden is bij radicale milieugroepen. Juist de mensen die het welzijn van alle schepselen ter harte gaat, blijken zeer gevoelig voor het geweld van de utopie. Hun pogingen om de hemel op aarde voor dieren (en soms ook voor mensen) te realiseren, gaan vaak gepaard met geweld tegen iedereen die hun doel lijkt te frustreren. In oktober 1995 werd een bomaanslag in Arnhem opgeëist door het Earth Liberation Front. Van één van de arrestanten zei zijn moeder: 'Frank heeft uit puur idealisme gehandeld. Eigenlijk is hij een heel vredelievende jongen.' Ik heb geen reden aan deze woorden te twijfelen. Maar het gaat in de politiek niet om mooie karakters. De beruchte uitspraak van Marcel van Dam tegen Pim Fortuyn: 'U bent een minderwaardig mens', gaat volstrekt voorbij aan de essentie van het politieke debat. Daarin gaat het niet om iemands karakter maar om de inhoud van zijn argumenten en de consequenties van zijn daden.

Het anti-modernistische en gewelddadige karakter van de radicale delen van de milieubeweging is al vaak geanalyseerd. De 'nieuwe ecologische orde' die zij willen vestigen, dreigt volgens de Franse filosoof Luc Ferry de orde van de politiek te vernietigen. En in naam van de onaantastbaar geachte wetenschappelijke waarheid over het milieu pleit een deel van de milieudenkers resoluut voor het afschaffen van de democratie met haar trage en ongrijpbare besluitvorming. Het is niet vreemd dat in een dergelijk klimaat het nihilistische geweld dat Glucksmann beschrijft, een vruchtbare voedingsbodem vindt.

Tussen de aanslagen van 11 september en de moord op Fortuyn ligt het NIOD-rapport en de val van het kabinet. De rol die Nederland heeft gespeeld in het drama van Srebrenica is een volmaakt voorbeeld van wat ik in mijn laatste boek 'een politiek van goede bedoelingen' heb genoemd. In de motivatie voor zijn aftreden gebruikte premier Kok zelf ook deze karakterisering, al meende hij dat die alleen van toepassing was op de eerste fase van de handelingen die tot de val van Srebenica leidden. Maar als Machiavelli's analyses over de gespannen verhouding tussen politiek en moraal ooit ergens op van toepassing zijn geweest dan is het wel op het gehele, steeds ongetwijfeld goed bedoelde, vaderlandse gestuntel rond Srebenica. Zeker, ook Machiavelli onderkent dat politiek vaak op een moreel uitgangspunt berust. Maar het grootste deel van het politieke handwerk heeft met virtu te maken: met het kennis nemen van de situatie, het inschatten van je tegenstanders, het overwegen van en vooruitlopen op mogelijke consequenties. Dat het aan deze elementaire zaken heeft ontbroken is duidelijk. Vanwege zijn innerlijke morele beweegredenen kan Kok iedereen 'nog recht in de ogen kijken'. Maar in de politiek gaat het om uiterlijke, zichtbare consequenties. Op grond daarvan had het kabinet al veel eerder moeten aftreden. Dat dit nooit overwogen schijnt te zijn, laat zien dat de politiek ook door een verregaande moralisering kan ontsporen.

De terreuraanslag op de Twin Towers, de moord op Fortuyn en het Srebenica-rapport laten alle zien dat het er met de politiek niet goed voorstaat. Zij is kennelijk nog steeds even bedreigd en fragiel als bij haar ontstaan in Athene. Of moeten we verder gaan? Bestaat ze eigenlijk nog wel? Verkeren we niet deels in dezelfde situatie als in het Romeinse keizerrijk, waar lege woorden, holle rituelen en versleten instituties de afwezigheid van werkelijk politiek handelen moesten maskeren? In het meinummer van het magazine M van NRC Handelsblad maakte Gerard van Westerloo een rondgang langs een aantal vooraanstaande Nederlandse politicologen. Zij oordelen unaniem dat de democratie in ons land niet meer bestaat. Zij schetsen een beeld van een partijpolitieke bestuurlijke elite die onderling de baantjes verdeelt en de zaken bedisselt. De burgers, die in de politiek centraal zouden moeten staan, komen op geen enkele manier in het verhaal voor.

Het meest schrijnende voorbeeld hiervan vond ik in het recente verleden het uitbreken van de Kosovo-oorlog. Terwijl Clinton en Blair zich in elk geval nog rechtstreeks tot de natie wendden om mee te delen dat hun land in oorlog was, belde Kok alleen de fractieleiders van de grote partijen. Beter kan de Haagse arrogantie die denkt alles vóór maar ook zonder de burgers te kunnen regelen, niet worden uitgedrukt.

Wie politiek en democratie nog in verband wil brengen met hun ontstaan en geschiedenis kan niet anders dan concluderen dat ze er in Nederland slecht aan toe zijn. Of mogen we verwachten dat de herinnering aan het fenomeen Fortuyn, wiens verbale optreden (voor politiek handelen kreeg hij de kans niet) in elk geval van virtu getuigde, aan een herleving van de politiek kan bijdragen?

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden