Wat is natuur nog in dit land

Op een Zuid-Hollands eilandje zoekt Jelle Reumer naar wildernis. Wat is dat eigenlijk? Met Thoreau naar Tiengemeten.

Bioloog en paleontoloog Jelle Reumer (Hilversum, 1953) is hoogleraar te Utrecht. Wekelijks schrijft hij voor deze krant de rubriek 'Jelle's Weekdier'.

Op 12 juli 2017 is het tweehonderd jaar geleden dat Henry David Thoreau werd geboren, de Amerikaanse natuurfilosoof, schrijver, transcendentalist en anarchist die vooral bekend werd door zijn tweejarig verblijf in een hut aan de rand van een meertje, Walden Pond, vlakbij Concord, Massachusetts. Thoreau inspireerde velen, waaronder John Muir die met de redding van Yosemite Valley de basis legde voor de Amerikaanse National Parks, en Jac.P. Thijsse die het Naardermeer van demping redde en daartoe de Vereniging Natuurmonumenten oprichtte. Ook Frederik van Eeden, die bij Bussum de 'sociaal-ecologische' commune 'Walden' stichtte, was geïnspireerd door Thoreau, nadat Thijsse hem Thoreau's boek 'Walden' had uitgeleend.

Om over hem te schrijven, ben ik neergestreken op Tiengemeten. Dit kraakverse natuurgebied in het Haringvliet valt, samen met bijvoorbeeld de Oostvaardersplassen en de Blauwe Kamer onder de noemer 'nieuwe natuur'.

In de week voorafgaande aan mijn vertrek las ik 'Dit is mijn hof', van de Vlaamse journalist en boerenzoon Chris De Stoop. Het is volgens zijn uitgever 'een aangrijpend, persoonlijk relaas over het ellendige verdwijnen van de boeren, iets wat zich nu overal in Europa voordoet, maar nergens zo schrijnend als hier'. Dat 'hier', dat is de Hedwigepolder op de grens van Nederland en Vlaanderen, en aanpalende poldertjes in het Land van Waas die ook worden 'teruggegeven' aan de natuur. Teruggegeven, alsof je een gestolen auto na duizend kilometer joyriden weer netjes teruggeeft aan de rechtmatige eigenaar, met dank voor het onvrijwillig uitlenen. Het is een cynisch boek, cynisch over alles eigenlijk, behalve over het noeste boerenleven, met melkemmers en klompen en de hele Ot-en-Siense mikmak die erbij hoort.

Die tijd is voorbij, ook op Tiengemeten waar de aardappels en de uien hebben plaatsgemaakt voor gras en rus, bies en wilg en heel veel guldenroede. De boeren zijn verdwenen en hun boerderijen zijn omgebouwd tot bezoekerscentrum, zorgboerderij, pannekoekenhuis en vakantiewoning. Hun ploeg en eg staan in nu het landbouwmuseum. Nu is er natuur. Nieuwe natuur, zoals journaliste Tracy Metz het in haar gelijknamige boek terecht noemt.

Toen ik jong was, een halve eeuw geleden, woonde ik in Hilversum en bracht veel tijd door op de hei. Aan drie kanten is Hilversum door heide omgeven. Aan de zuidkant ligt de glooiend oplopende Hoorneboegse heide, aan de oostelijke zijde, richting Laren, ligt de heide met de wasmeren waar we watervlooien vingen voor het aquarium en ten noorden van het dorp ligt de heide die doorloopt tot Crailoo en Bussum. Het was voor mij de natuur in optima forma. Stil en uitgestrekt en een beetje griezelig ook wel, met grafheuvels, vreemde kuilen waaruit in de Middeleeuwen leem werd gewonnen en oude paden die 'Doodweg' heten. Ooit kwamen er korhoenders voor en wulpen, grote bruingespikkelde vogels met lange kromme snavels, dat is nu niet meer voor te stellen. Maar hoe mooi en ogenschijnlijk ongerept ook, een heideveld is een door de mens gemaakt cultuurlandschap, schraal als resultaat van eeuwenlange afvoer van nutriënten door grazende schapen en plaggende keuters.

Aan de westkant grenst Hilversum aan het veen - Loosdrecht, Kortenhoef, 's-Graveland. Ik had er een roeibootje liggen en kwam vaak in de Gaten van Oostindië, verdwaalde daar in het labyrint van petgaten en legakkers, ging er op zoek naar slangenwortel en moerasvarens, ontdekte bronmos waar kwel zat en plukte er bramen voor de jam. Maar ook een petgatenlandschap is een man-made cultuurlandschap, resultaat van eeuwenlang steken en drogen en afvoeren van turf. Als ijkpunt voor oorspronkelijke Nederlandse ongereptheid is het even ongeschikt als de Oostvaardersplassen of Tiengemeten. Toch heb je daar, op een heideveld of in de petgaten echt een 'ik ben in de natuur'-gevoel. Zo groeide ik op in een middelgrote provincieplaats omringd door cultuurlandschap dat ik - en iedereen met mij - ervoer als natuur. Ik ging er volledig in op en deed er, met een term van ecologe Jori Wolf, een 'wilderniservaring' op, tussen de heidevelden met grafheuvels en leemkuilen, korhoenders en wulpen, veenplassen met slangenwortel en soms een purperreiger, veenslootjes vol waterlelies, legakkers met elzen en zeldzame varens.

Precies datzelfde overkwam Thoreau. Het is een op gebrekkige kennis van Thoreau, zijn werk en zijn omgeving gebaseerd wijdverbreid misverstand dat hij de man van de woeste natuur is die in zijn hut bij Walden Pond in ongerepte wildernis verbleef. Het gebied rond het meer was kort tevoren gekocht door de bekende schrijver Ralph Waldo Emerson, dorpsgenoot en mecenas van Thoreau, om te voorkomen dat het werd kaalgehakt. Het was geen oerbos. Bomen werden geveld als bouwmateriaal en brandstof en om dwarsliggers voor de nabijgelegen pas aangelegde spoorbaan van te maken.

Terwijl Thoreau het onkruid wiedde en schoffelde op zijn akkertje, kwamen pijlpunten, aardewerkscherven en oude aslagen boven die duidden op vroegere bewoning door indianen. Met regelmaat kwamen gasten langs en vrijwel iedere zaterdag brachten zijn moeder en zusters eten. Dikwijls wandelde hij ook langs de spoorbaan de paar kilometer naar Concord om zich in de kroeg te laven aan een drankje en de dorpsroddels, en om zijn familie te begroeten.

Hij hield van de stilte en de eenzaamheid, maar had zichzelf niet losgesneden van de maatschappij: "Er ging bijna geen dag voorbij dat ik het dorp niet bezocht of bij het meer zelf visite kreeg."

Weinig oer dus, maar voor Thoreau genoeg romantiek en wilderniservaring.

Ongerept, wildernis en natuur, dat zijn de begrippen die hier een rol spelen. Ongerept is al hetgeen nooit door de mens op enigerlei wijze is beïnvloed: grote delen van het Amazonegebied, vrijwel geheel Antarctica en het grootste deel van Groenland. Je moet er tegenwoordig Europa voor uit, want zelfs het beroemde woud van Bia¿owie¿a is niet ongerept. Jori Wolf noemt het ongerepte 'primaire wildernis'.

Wildernis is een breder begrip. Het ongerepte behoort tot de wildernis, maar niet iedere wildernis is ongerept. Grote delen van ons land bestaan uit deze secundaire wildernis: resultaat van menselijk ingrijpen maar in zekere staat van onbeheer. De heidevelden en petgaten van mijn jeugd, de stuifzanden op de Veluwe, de hoogveengebieden in Drente en Brabant, de bossen op de Veluwe en elders. Allemaal aangeplant en daarna al dan niet gecontroleerd verwilderd.

Natuur is weer iets anders. Natuur is al hetgeen spontaan opkomt, met óf zonder menselijke interventie. Het is de definitie van Aristoteles: natuur is al hetgeen uit zichzelf beweegt of verandert; in het 'uit zichzelf' zit de spontaniteit besloten. De (on-)kruidjes tussen de stoeptegels, de bladluizen op een rijtje straatlindes, de ratten in uw kruipruimte en de hoofdluis bij uw kinderen zijn ook natuur. Natuur is er, altijd en onvermijdelijk. Net als het weer, dat is er ook altijd, het kan hooguit mooi of slecht weer zijn.

Wildernis moeten we volgens Wolf onderscheiden van de wilderniservaring. Om die laatste te krijgen, hoef je echt niet naar verre landen af te reizen. Als je op je buik in het gras ligt en met de gedachten op een uiterst lage stand observeert wat zich daar tussen de grassprieten afspeelt, kom je naar mijn stellige overtuiging een eind in de richting. Neem er even de tijd voor. Gras is nooit alleen maar 'gras'. Er groeit van alles tussen en doorheen: madeliefjes, witte klaver, duizendblad, weegbree, onidentificeerbare zaailingen. En dan de beestjes: miertjes, een kevertje, kleine rode fluwelen mijten, een babyspin. Alles krioelt door elkaar, loopt elkaar soms tegen het lijf, heel even, om daarna weer de eigen weg te vervolgen.

Hier op Tiengemeten is nieuwe natuur ontwikkeld, 'tertiaire wildernis' in de terminologie van Jori Wolf. Niet ongerept of het gevolg van eeuwenlang onbeheer, maar nieuw en binnen beleidsmatig vastgestelde grenzen overgelaten aan de grillen van de natuur. Het is goed mogelijk om er een wilderniservaring op te doen.

Tijdens een van mijn dwaaltochten raakte ik verzeild op een deel van het eiland dat blank stond maar was dichtgegroeid met gras en watermunt en biezen, er stond zo'n vijf tot tien centimeter water. Ik waadde door een moeras en was volledig omgeven door uitbundige plantengroei en zoemende insecten. Ik waande mij er in de wildernis. Zo heeft Natuurmonumenten dat deel van het eiland trouwens ook genoemd, 'Wildernis', om onze perceptie wat te sturen. Maar die tertiaire wildernis moet wel overzichtelijk blijven, en veilig, en dat is primaire wildernis zelden.

Ik zit achter mijn schrijftafeltje, kijk naar een paar kwikstaarten in het gras en waan me een beetje Thoreau. Recht voor mij strekt zich een vlakte uit tot verre populierenrijen, een petieterig torenspitsje, hoogspanningsmasten, windmolens en de snelwegbrug over het Haringvliet. Alles wat ik zie is voormalig akkerland. In een brochure uit de negentiger jaren stond dat dit een gebied met ooibossen ging worden. Maar die kwamen er niet, de keuze viel op begrazing door Schotse hooglanders. Honderd koeien (stieren zijn niet welkom, teveel gedoe) die geen biezen en guldenroede lusten maar wel de opkomende wilgen afgrazen, houden het gebied nu open.

Dit landschap is daarmee een keuze. En niet alleen dít landschap. In Nederland kun je wel zeggen dat hét landschap een keuze is. Dat levert een interessante paradox op. De natuur wordt in al haar uitingen bepaald door ongerichte processen, door toeval, natuurlijke selectie, pech en geluk. De nieuwe natuur is daarvan het tegendeel. Onze tertiaire wildernis wordt vormgegeven, in tevoren geformuleerde doelen gevat, gestuurd, gemonitord en geëvalueerd. Als er toch iets toevalligs gebeurt, zoals een wolf die via de oostgrens binnenwandelt, breekt lichte paniek uit; dat spontane was niet gepland.

Echte ongerepte primaire wildernis overweldigt ons. Het is bovendien gevaarlijk. Je kunt erin verdwalen, je kunt door griezelige roofdieren worden gepakt en gedood, moerassen kunnen je verzwelgen en je kunt van kliffen storten. Echte natuur confronteert ons met onze eigen vergankelijkheid. Om ons niet door die gedachte te laten overweldigen, brengen we de natuur onder controle. Sinds het begin van het Neolithicum, tienduizend jaar geleden, is de mens bezig de wildernis te temmen en te ontginnen - in de woorden van landschapsfilosoof Ton Lemaire: te domesticeren.

Wildernis is chaos, alles groeit door elkaar, het is een staat van hoge entropie en de mens heeft een innerlijke drang om daar wat aan te doen. Het lijkt wel een van hogerhand opgelegde taak, een haast bijbelse opdracht: gaat heen en ontgint. Wat begon in Mesopotamië en in onze contreien arriveerde in de vorm van Celtic Fields, vond zijn voorlopig hoogtepunt in de drooglegging van Flevoland.

Met de bedijking van een zandplaat in de achttiende eeuw en daaropvolgende gebiedsuitbreidingen door verdergaande inpoldering werd ook de natuur van Tiengemeten gedomesticeerd. Oncontroleerbare slikken en kreken werden strakgetrokken tot geometrisch ingedeelde akkers, in plaats van biezen en riet groeiden er voortaan piepers en bieten. Die domesticatie duurde voort tot de jaren negentig van de vorige eeuw, toen Natuurmonumenten het eiland verwierf en overging tot natuurontwikkeling. De domesticatie werd teruggedraaid, er wordt nu gededomesticeerd. Dat is contra-intuïtief, het proces druist in tegen de menselijke aard en tegen het al sinds het Neolithicum geldende paradigma van de domesticatie. Dedomesticatie is dus niet alleen een idee van wereldvreemde natuurfreaks, het is meer dan dat, het is een paradigmaverschuiving, die ingaat tegen onze welhaast genetisch vastgelegde drang tot ordening.

Wat me daarbij wel stoort, is de selectieve verontwaardiging van Chris De Stoop. Hij vindt het 'zonde' om zulke goede landbouwgrond op te offeren voor de natuur. Vreemd genoeg hoor je dat argument nooit gebruiken wanneer een agrariër zijn goede grond volbouwt met onafzienbare kassencomplexen waar paprika's en tomaten op korrelbedden worden geteeld, of wanneer een sappig weiland met pinksterbloemen en kieviten wordt omgetoverd tot het zoveelste bedrijventerrein. Alleen wanneer natuur de nieuwe bestemming is, vindt men het zonde. Misschien komt die weerstand niet zozeer doordat het zonde is van kostbare akkergrond en geld, maar is de zonde dat we ingaan tegen onze menselijke bestemming als temmer van het woeste. Dan is natuurontwikkeling een tegennatuurlijk idee.

Nieuwe natuur is, in de woorden van Tracy Metz, een cultuurdaad. Ik vraag me af wat Henry Thoreau ervan zou hebben gevonden, van dit op de aardappels en suikerbieten terugveroverde eiland vol nieuwe natuur. Zijn wellicht beroemdste zin, uit het essay 'Walking', luidt: In wildness is the preservation of the world. Deze zin is op twee manieren te vertalen: 'in de wildernis' of 'in wildheid' ligt het behoud van de wereld. De meeste vertalers kiezen voor 'wildernis' opduiken. Ik denk dat dat onjuist is. Thoreau bedoelde juist 'wildheid', het ongetemde, het niet-gedomesticeerde. Hij was een man van laissez-faire, zowel in de maatschappij als in de natuur. Laat alles maar gebeuren.

Wat ik op Tiengemeten zie is niet het ongerepte van de wildernis, dat krijg je niet meer terug, maar wel een beetje wildheid. Thoreau zou van het uitzicht en de roofvogels hebben genoten, maar de beheersmaatregelen hebben verfoeid. Niet genoeg wildness.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden