Column

Wat is mijn eigen status op de pretentie-lat?

Rob SchoutenBeeld Maartje Geels

Hoe kun je over pretenties en pretentieus gedrag praten zonder zelf pretentieus te zijn? Want je laat direct al zien dat je een redelijk abstract, intellectueel onderwerp bij de kop neemt, dat je niet van de straat bent.

Ik heb mijzelf altijd wijsgemaakt dat ik geen pretenties heb, wat iets anders is dan geen ambities hebben, dat ik niet boven mijn macht leef, maar het feit dat ik het opschrijf maakt me automatisch verdacht: wil ik soms een interessant discours suggereren, terwijl ik in mijn hart eigenlijk niks bijzonders te vertellen heb? Discours, het woord alleen al. 

Hoe dan ook, pretentieus of niet, ik lees het essay ‘Echte pretentie’ van Joost de Vries, schrijver (dat woord klinkt eigenlijk ook al pretentieus – er is een tijd geweest dat ik mezelf zo niet durfde te noemen als iemand naar mijn beroep vroeg, maar over die angst om mijzelf te hoog in te schatten ben ik inmiddels heen; ik ben gewoon schrijver, ik schrijf, al is schrijver misschien een geuzennaam). Interessant allemaal zeg, gaat u verder.

Dat essay van De Vries is een slim werkje, hij praat helder en toch ook een beetje borend over de voors en tegens van pretenties, en dat je er eigenlijk niet aan ontkomt ze te hebben. Hier een zin eruit: ‘Mensen zoeken, mensen camoufleren, doen zich anders voor dan ze zijn, sexyer, jonger, rijker, stoerder, succesvoller, bijdehanter. We noemen dat opschepperig, patserig, wanhopig. Maar alleen als iemand zich cultureel verfijnder voordoet dan we ­denken dat hij of zij is noemen we dat ‘pretentieus’.’ 

Volgens de Vries zijn pretenties dus ­culturele opschepperij. Ajax-spelers zijn ­zodoende niet pretentieus, die vent in die Lamborghini ook niet.

Makkelijkste deel

Ik stond zaterdag op een feestje waarop ­iemand vertelde dat ze samen met een kennis de Romance uit de Tweede Suite voor twee piano’s van Rachmaninov speelde, prachtig was dat. En ik: dat is ook wel het makkelijkste deel.

Waarom moest ik zonodig overtroeven? Alsof ik dat deel uit de mouw schud! Ik had er niet eens veel spijt van, misschien moest ik het maar authentiek van mezelf vinden. De Vries zegt echter dat authenticiteit het tegendeel van pretentie lijkt, maar het niet is. Hij (of eigenlijk Freudbiograaf Phillips, die hij dus gelezen heeft, meldt hij en passant) beschrijft authenticiteit als fantoompijn, ‘doordat authenticiteit zo nadrukkelijk afwezig is wordt het zichtbaar. We weten dat authenticiteit bestaat omdat we het missen’.

Oké, niet authentiek dus; moet ik het dan misschien ‘natuurlijk’ noemen, ‘onbevlekt’ (kan natuurlijk niet als je al vijfenzestig jaar blootgesteld bent aan maatschappelijk verkeer, maar enfin)?

Oftewel, na het lezen van De Vries’ boekje zat ik met de handen in het haar omtrent mijn eigen status op de pretentie-lat, temeer omdat er achterop de volgende aanbevelende tekst stond: ‘Joost de Vries is hard op weg een van Nederlands vooraanstaande auteurs te worden, een schrijver voor liefhebbers van een superieure stijl’, waarmee de schrijver van ­deze blurb aangaf zelf zo’n highbrow liefhebber te zijn. En die schrijver bleek ik.

Rob Schouten

Eerdere columns van Rob Schouten leest u hier.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden