Wat is er mis met de ongebonden geestelijk verzorger aan het ziekbed?

De auteur is sinds ruim zes jaar geestelijk verzorger in het gemeentelijk ziekenhuis Leyenburg te 's-Gravenhage.

Uit zijn woorden valt op te maken dat dit noch voor hem noch voor de deelnemers aan de onlangs gehouden Sterrenbergconferentie een vraag is. Men was het volgens de heer Boer, studiesecretaris bij de Christelijke Vereniging van Zorginstellingen, vergaand eens: de geestelijk verzorger in het ziekenhuis mag onder geen voorwaarde verbleken tot het hiervoor beschreven schrikbeeld van een zingevingsexpert.

Theo Boer slaagt er ogenschijnlijk wonderwel in om enkele complexe vragen en knelpunten van beleid rond geestelijke verzorging in zorginstellingen te verwerken tot hapklare brokken die de indruk wekken aan duidelijkheid niets te wensen over te laten. Maar schijn bedriegt. Zelden zag ik een duidelijker illustratie van het verfoeilijke mechanisme dat mensen ertoe brengt om in geval van angst voor pijnlijke en lastige vragen de stellers van die vragen - of degenen die deze vragen óproepen - zo karikaturaal mogelijk voor te stellen. Als lid van de beroepsgroep in kwestie, werkzaam in een gemeentelijk ziekenhuis en bovendien bekleed met het 'ambt' van hervormd predikant, maak ik ernstig bezwaar tegen de hier gedemonstreerde 'discussietechniek' waarbij de voornaamste argumenten bestaan uit suggestieve uitlatingen over degenen die zich kennelijk bewust niet ambtelijk aan een kerkgenootschap of levensbeschouwelijke organisatie binden.

Nieuwe kaste Twee van die uitlatingen zou ik aan een nader onderzoek willen onderwerpen. Allereerst de zinsneden over de 'allround' zingevingsexpert, lid van een nieuwe priesterkaste die nog nooit een kerk van binnen heeft gezien. Evenmin als vroeger het formele criterium kerkgang dat kon, biedt thans de zo fel verdedigde ambtelijke binding op zichzelf ook maar enige garantie dat iemand werkelijk en van binnenuit betrokken is bij het hart van waar het in een levensbeschouwelijke of geloofsgemeenschap om gaat. Enige relativering van de telkens opnieuw opgeklopte noodzakelijkheid van de eis tot ambtelijke binding lijkt daarom - vooral wat de doeltreffendheid ervan betreft - op haar plaats.

Daar komt nog iets bij. Tijdens de jaren van mijn 'gewone' predikantschap kreeg ik in toenemende mate te maken met mensen die moeite hadden met de manier waarop we in de kerk met het 'ambtelijke' van het instituut omgaan. Dit kwam onder meer tot uitdrukking in de aarzeling van veel jongeren om lidmaat te worden en in de huiver van gemeenteleden om als ambtsdrager in het gemeentewerk te participeren. Bij mijn weten is er nog niet zoveel veranderd. Bij sommige actieve en nadenkende mensen bestaat nu eenmaal een gezond wantrouwen ten opzichte van een overaccentuering van 'het ambt', vanwege bepaalde vormen van formalistische christendommelijkheid. Ik kan mij daarom wel iets voorstellen bij theologiestudenten en anderen die er bewust voor kiezen hun mogelijkheden en 'gaven' in te zetten in bijvoorbeeld een ziekenhuis, zonder dat zij zich op voorhand ambtelijk willen binden. Daaraan kunnen respectabele, zelfs christelijke motieven ten grondslag liggen. Waarom zou je dus niet gewoon eens luisteren naar hun motieven en met deze mensen omgaan, in plaats van de rijen ferm gesloten houden, zoals 'mijn' beroepsvereniging, de Vereniging van geestelijk verzorgers in zorginstellingen, tot mijn afgrijzen nu al jaren doet?

De geestelijk verzorger die door de overheid wordt betaald om in een ziekenhuis te werken en om in principe beschikbaar te zijn voor iedereen - zo'n geestelijk verzorger staat onder directe zeggenschap van de directie. En deze is echt niet allereerst geïnteresseerd in binnen- en tussenkerkelijk gekrakeel over identiteit (tenzij het een christelijke organisatie betreft, dan kan het zijn dat zij vrolijk meedoet), maar meer in een toetsbare en ter zake doende professionaliteit. Dat houdt dan voor ons vak in: een klinisch pastorale vorming, inzicht in de meest uiteenlopende geestelijke stromingen zodat er adequaat geluisterd en zonodig verwezen kan worden en communicatieve vaardigheden alsmede een dito instelling. Daar is toch niets mis mee?

Ik begrijp de hardnekkige opwinding rond het thema van de ambtelijke binding ook daarom niet, omdat 'onze' positie niet werkelijk in het geding is. Er wordt op een buitenproportionele manier gereageerd op de vreemde 'nieuwe' constructie van een geestelijk verzorger zonder ambtelijke binding, waarbij allerlei kerkelijke argumenten te hulp worden geroepen zonder dat een zakelijke en inhoudelijke motivatie de rigoureuze afwijzing kan rechtvaardigen. Waarom is 'het ambt' hier opeens zo heilig terwijl het overal elders en met name in de kerken zélf, al jaren onder druk en spanning staat?

Dan is er een tweede verdachtmaking aan het adres van de gewraakte niet-gebonden geestelijk verzorgers waarop ik moet ingaan. Naast de zakelijke en professionele criteria zoals klinisch pastorale vorming, communicatievaardigheid, kennis van godsdiensten en geestelijke stromingen, is er eigenlijk maar één ding dat in mijn optiek echt van belang is voor een verantwoorde geestelijke verzorging in de ziekenhuissituatie: een instelling van openheid, van bereidheid de ander in zijn of haar waarde te laten, van jezelf beschikbaar houden om een klein stukje samen op weg te gaan.

Kwalijk Laten we wel wezen: sommige mensen hebben die openheid, andere niet. De meesten - waartoe ik mijzelf reken - moeten voortdurend moeite blijven doen om die openheid te oefenen. Het gaat absoluut niet aan te suggereren dat 'ambtelijke' geestelijke verzorging op dit punt per definitie beter zou zijn en het is al helemaal kwalijk om hier de 'anderen' af te schilderen als per definitie niet-betrokken, of 'levensbeschouwelijk neutraal'. Alle vragen van patiënten kunnen wel zo'n beetje overeenkomen, aldus Theo Boer, maar de antwoorden zullen hemelsbreed verschillen. Wat te denken van de manier waarop de heer Boer zijn gelijk vervolgens binnenhaalt? “De niet-gebonden geestelijk verzorger zal op de vraag van een stervende patiënt: 'Waar ga ik na mijn dood naar toe?' moeten antwoorden: 'Dat hangt ervan af welke godsdienst u aanhangt!' of erger nog: 'Wat had u zelf gedacht?' ”

Moet ik nog uitleggen dat het niet gaat om antwoorden, maar om het leren stellen van de juiste vragen? Kan iemand zich in gemoede een stervens-gesprek als hierboven geschetst voorstellen? Heeft de heer Boer eigenlijk wel enig benul van wat er in het contact tussen een pastor/geestelijk verzorger en een stervende omgaat en over wat voor vragen het gaat? Ik vrees van niet. Zijn woorden doen precies die mentaliteit vrezen die bepaalde gelovigen kopschuw maakt om zich ambtelijk te binden, omdat je dan immers mee verantwoordelijk wordt voor een denken, geloven en handelen dat leeft met 'antwoorden' in plaats van met vragen en met verwondering.

Verder blijf ik hopen dat mijn beroepsvereniging (VGVZ), die met instemming van Theo Boer de deur gesloten houdt voor 'allrounders', tot inkeer komt en haar standpunt heroverweegt. De diversiteit van de ziekenhuispopulatie rechtvaardigt en vraagt om geestelijk verzorgers vanuit verschillende hoek: protestant, rooms-katholiek, hindoe, moslim, humanist. Ik heb op praktische gronden geen enkele moeite met handhaving van de ambtelijke binding als vuistregel, maar ik zie absoluut niet in waarom binnen een team van universitair geschoolde en ambtelijk gebonden geestelijk verzorgers per se géén plaats zou mogen zijn voor een nieuwe onbekende variant.

Waarom zou hun aanwezigheid 'ambtelijken' niet kunnen helpen eigen identiteitsproblemen wat realistischer onder ogen te zien?

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden