Wat ik leerde van het Capelse leven

Marjolijn van Heemstra leerde als puber te overleven in een nieuwbouwwijk in Capelle aan den IJssel. Er zijn plekken waar je sneller kleur verliest dan ergens anders, schrijft ze. De opening van de Calandlijn was een bevrijding. De metro bracht haar naar de grote stad.

Schrijvers Elke Geurts, Maartje Wortel, Wanda Reisel, Marjolijn van Heemstra, Olaf Stomp, Ernest van der Kwast en Karin Sitalsing maakten voor Zomertijd een verhaal over waar ze opgroeiden. Willen ze ooit terug? Roept hun oude woonplaats weerzin op of hebben ze heimwee? Vandaag a¿evering 3.

De eerste keer dat ik het woord 'verzakking' hoorde, stonden we voor ons toekomstige huis in Capelle aan den IJssel waar twee zwetende stratenmakers met grote rubber hamers nieuwe straattegels op hun plek sloegen. Ik was negen. Een week eerder had ik afscheid genomen van mijn klasgenoten in Amsterdam. Ze hadden in een rij gestaan en voor mij gezongen. Nu vaarwel, leef vrij en blij, ik denk aan jou, doe dat dan ook aan mij. Ik had ze allemaal een hand gegeven en sommigen een zoen, in de volle overtuiging dat het gelukkigste deel van mijn leven nu voorbij was.

Vanwege de verzakking moet alles hier om de paar jaar worden opgehoogd, zei een van de stratenmakers tegen mijn moeder. Hij wees naar het saaie plein: dit is eigenlijk geen land, maar water, zei hij. "Vroeger overstroomde het hier aan de lopende band en nog steeds zuigt de bodem alles naar beneden." Ik keek naar het lege huis waar wij deze zomer zouden intrekken, de harde lijnen, het hoekige dak, en hoopte dat die bodem het nog voor onze verhuizing zou verzwelgen.

We maakten een rondje door de buurt, hier en daar struikelend vanwege de verzakte tegels. De pleinen waren vernoemd naar eilandengroepen. Amiranten. Balearen. Cycladen. Op alle eilanden stonden dezelfde huizen: rechthoekig, de stenen van een triest soort bruin. Achter alle ramen in die huizen hetzelfde donkere bankstel met uitzicht op een tv, in alle tuinen vaalgroene heggen, hortensia's en heel veel tegels, voor elke deur een bruine mat, op sommige stond 'Home sweet home'.

De enige variatie zat hem in de kleuren van de auto's die op nog geen meter afstand van de voordeuren geparkeerd stonden, onder een langwerpig afdak dat carport heette. Weer een nieuw woord. En ik leerde er nog meer die zomer. Kroten. Konen. Gers. Ajacied. Dat laatste sisten kinderen uit de buurt ons toe, nadat we de vergissing hadden gemaakt eerlijk te zijn over waar we vandaan kwamen.

Op onze vrijzinnige basisschool in Amsterdam stond alles in het teken van creativiteit en zelfontplooiing, op onze nieuwe school werden we geacht vooral binnen de lijntjes te kleuren. Toen we de eerste dag een knutselopdracht kregen moesten we tot mijn stomme verbazing allemaal hetzelfde kastanjemannetje maken, naar voorbeeld van de juf.

Natuurlijk viel ik uit de toon. In mijn eerste Capelse pauze vroegen twee meisjes met grote kuiven of ik weleens van een ladyshave had gehoord. Dat had ik niet. Daarna kwam er een groepje jongens om mij heen staan van wie de kleinste, met grote scherpe stekels die zijn hoofd op de bolster van een kastanje deden lijken, naar voren stapte en vroeg: "Heb jij een kut?" "Als je niks zegt heb je er geen", voegde hij er tot grote hilariteit van zijn vrienden aan toe.

Terwijl ik me omdraaide om mijn zussen te zoeken hoorde ik ze achter mij zingen: "Joden, Joden, Joden zonder kut." Die middag liep ik over de Balearen naar huis en wist ik twee dingen zeker: ik zou zo populair worden dat de stekeldwerg niet eens meer tegen mij zou durven praten. En ik ging vanavond nog uitzoeken wat een ladyshave was.

Op school in Amsterdam had ik precies geweten hoe ik indruk moest maken. Ik schreef gedichten, hield spreekbeurten over de idiootste onderwerpen en ging geregeld verkleed naar school. Daar kwam ik in Capelle natuurlijk niet mee weg. Mijn eerste schoolweek stond in het teken van observatieonderzoek. Ik legde een lijst aan. Een kuif had ik nodig, groter dan die van Debby, en hogere blokhakken dan Sabrina. Ik moest op jazzballet en vrienden worden met Annemiek en dan bij haar thuis onder de zonnebank. Ik moest rondjes lopen op de Terp, het winkelcentrum achter ons huis, en af en toe iets jatten bij de drogisterij. Ik moest op de een of andere manier zien dat ik me thuis ging voelen in deze onherbergzame groeikern. Ik probeerde me te verzoenen met het landschap om me heen; de zompige slootjes, de brede rotondes en hier en daar een braakliggend stuk land bestemd voor toekomstige nieuwbouw.

Een spons was ik en langzaam maar zeker zoog mijn ziel zich vol met het dunne Capelse leven. Ik jatte een oogpotlood en een ladyshave. Op mijn blokhakken torende ik zo hoog boven de stekeldwerg uit dat hij mij niet meer durfde aan te kijken.

Ik plakte mijn agenda vol stickers van de tienersoap 'Beverly Hills 90210', vestigde zo min mogelijk aandacht op mijn goede cijfers en had al snel de grootste verzameling Garbage Pail Kids, stickers met afbeeldingen van ranzige kinderen als de kotsende Luke Puke en Eye-Candy Mandy, die aan haar eigen oog op een lollystokje likte. Ik kreeg verkering met de moeilijkste jongen van de klas, die een jaar later met een Beavis and Butt-head-poppetje de school in brand stak, iets wat mijn imago veel goed deed.

Twee keer ging ik nog de fout in, beide keren tijdens een spreekbeurt. De eerste hield ik over Amsterdam, wat gewoon een heel slecht idee is op een basisschool onder de rook van de Maasstad. De tweede spreekbeurt ging over Albanië waarmee ik korte tijd op de levensgevaarlijke lijst van potentiële nerds belandde, want alleen een nerd weet op zijn tiende waar Albanië ligt. Dit alles klinkt alsof ik in Capelle ongelukkige tijden beleefde, maar het tegendeel is waar. Ik veranderde gewoon; zoals de drassige Capelse grond vroeger soms water was en soms land.

Ik heb me daar achteraf over verbaasd en ook weleens zorgen om gemaakt. Hoe kon ik zo moeiteloos transformeren van een overgevoelig kind dat gedichten over God schreef tot een verveelde verzamelaar van Garbage Pail Kids? Ik denk dat het minder aan mij lag dan aan de omgeving. Kinderen zijn flexibel, ja, maar er zijn ook plekken waar je sneller kleur verliest dan ergens anders.

De onbeschutte nieuwbouwwijken waar wind over de rotondes giert en de stoepen elk jaar centimeters de diepte in zakken. Plekken waar je van oudsher blij mag zijn als je het hoofd boven water houdt.

In Amsterdam werd ik vanaf de kleuterschool aangesproken op mijn eigenheid. En op mijn mogelijke artistieke kwaliteiten. Als ik in Capelle al werd aangesproken, dan was het door vuurrode pukkelige pubers die stotterend voorstelden een rondje op de Terp te lopen, het toppunt van Rotterdamse romantiek.

Steeds minder vaak ging ik terug naar Amsterdam en mijn vroegere vrienden kwamen niet graag naar mij. Onze eilandenbuurt was een klein Siberië vergeleken bij hun bruisende hoofdstad. Ik miste ze niet. Ik had het druk genoeg met het soort niksigheid waarmee we in Capelle onze vroege tienerjaren vulden. Zitten op een schoolplein bijvoorbeeld. Kijken naar de sloot. Wachten tot de Calandlijn eindelijk af zou zijn en we in ons eentje zonder overstappen met de metro naar Rotterdam konden.

Toen ik veertien was, werd metrostation De Terp officieel geopend. Die snelle verbinding naar de stad maakte een nieuwe ambitie in mij los. Al snel stapte ik van de slaperige scholengemeenschap in het hart van Capelle over naar een tweetalige school in Rotterdam. Van een onderpresterende puber werd ik weer de ambitieuze nerd die ik tot mijn negende was geweest. Niet lang daarna verhuisden we met het gezin naar het centrum van Rotterdam. Capelle zakte weg in ons familiegeheugen - een vijfjarige sabbatical op de winderige archipels langs de IJssel, waar ik me omringd door diepe bruine sloten voor het eerst in mijn leven écht leerde vervelen, iets waar ik tot de dag van vandaag profijt van heb.

Deze serie wordt geïllustreerd door studenten fotografie van drie verschillende academies.

Ik probeerde me te verzoenen met het landschap om me heen; de zompige slootjes, de brede rotondes

De schrijver

Marjolijn van Heemstra (1981) is theatermaker, dichter en schrijver. In Tijd schrijft ze wekelijks een column. Geënt op haar adellijke afkomst (Van Heemstra is barones) schreef ze de roman 'De laatste Aedema' (2012). Haar laatste theatervoorstelling, 'Bommenneef', over kapitein Van Heemstra die in 1946 een aanslag pleegde, werd alom lovend besproken.

De fotograaf

Pleunie van Raak (23) zit in het vierde jaar van de AKV/St. Joost in Den Bosch en wil maatschappelijke vraag- stukken in beeld brengen. "Gendergelijkheid en de vluchtelingencrisis houden me nu bezig." Ze fotografeerde ladyboys in Thailand en een Pakistaans vluchtelingengezin in Nederland. "Ik wil de mensen eerst leren kennen, daarna met hen samen hun verhaal vertellen." Voor de foto's bij dit verhaal ging ze net zo te werk. "Ik heb in Capelle jongeren op straat gevraagd hoe ze leven en ben met ze op stap gegaan. Geen afstand, maar echt contact."

Zie: cargocollective.com/

pleunievanraak

Van een onderpresterende puber werd ik in de stad weer de ambitieuze nerd die ik tot mijn negende was geweest

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden