Wat heeft PvdA toch met 'FNV-politici'?

De auteur is als politicoloog verbonden aan de Universiteit van Amsterdam. In 1991 promoveerde hij op het proefschrift 'Strategie en Illusie, elf jaar intern debat in de PvdA (1966-1977)'.

De politieke betekenis van deze ontwikkeling is duidelijk. De versterking van de personele band met de vakbeweging duidt erop dat de PvdA-leiding de oorzaak van een deel van de problemen van de PvdA zoekt in de verstoorde relatie met de vakbeweging. Deze kwaliteitsimpuls met vooraanstaande vakbondsmensen dient het geschonden vertrouwen in het sociale gezicht van de PvdA te herstellen. De hoop is dat een deel van de weggelopen kiezers daarmee teruggehaald kan worden.

Op deze analyse valt heel wat af te dingen. Het sociale gezicht van de PvdA is in de praktijk niet afhankelijk van de relatie met de vakbeweging, terwijl er evenmin aanwijzingen zijn dat de electorale positie van de PvdA positief of negatief beinvloed wordt door de verhouding met de vakbeweging. Een korte historische schets kan dit verduidelijken.

Nieuw Links

Tot het midden van de jaren zestig waren de relaties tussen NVV en PvdA harmonieus en intens. Veel vooraanstaande PvdA-politici kwamen uit de vakbeweging voort, het gezicht van de partij werd echter niet bepaald door uit de vakbeweging afkomstige politici.

De opkomst van Nieuw Links vervreemdden partij en vakbeweging van elkaar en bracht de doorstroming van vakbondskader naar de landelijke politiek tot stilstand. Veel vooraanstaande vakbondsleden hadden duidelijk moeite met de vernieuwing van de partij. Den Uyl was in die periode een van de weinige PvdA-politici in wie de vakbeweging nog vertrouwen had.

Opvallend is verder dat het dragen van regeringsverantwoordelijkheid door de PvdA na 1967 steeds leidt tot grote spanningen met de vakbeweging. Het kabinet-Den Uyl nam, tot woede van de vakbeweging, herhaaldelijk een loonmaatregel. Verder kon het 1 procent-beleid van minister Duisenberg (slechts een bescheiden poging om de overheidsuitgaven minder snel te laten groeien) op geen enkele sympathie van de vakbeweging rekenen, evenmin als pogingen van het kabinet de ondernemingsraad meer bevoegdheden te geven.

Veelbetekenend is dat S. Poppe, in die periode een van de weinige PvdA-Kamerleden met een verleden in de vakbeweging, in 1976 verklaarde dat hij het bij nader inzien eens was met de stelling van Kombrink en enkele andere Kamerleden uit 1973 dat het kabinet-Den Uyl 'een historische vergissing' was.

Ondanks de gespannen verhouding met de vakbeweging won de PvdA bij de verkiezingen van 1977 tien zetels.

De deelname van de PvdA aan het tweede kabinet-Van Agt (19811982) leidde tot een felle confrontatie tussen Den Uyl en de FNV over de ziektewet. De vervroegde verkiezingen van 1982 bezorgden de PvdA een bescheiden winst. Bij de verkiezingen van 1986 was de relatie sterk verbeterd. De campagne van de FNV om de verkiezingsuitslag ten nadele van CDA en VVD te beinvloeden (kosten 3 miljoen gulden) leverde de PvdA geen aanwijsbaar electoraal resultaat op.

Op personeel vlak werden na 1982 de banden tussen vakbeweging en PvdA sterk verbeterd. Kamerleden als Henk Vos (Industriebond), Elske ter Veld (FNV-secretariaat voor vrouwelijke werknemers) en Wim van Gelder traden toe tot de fractie. De kloof leek overbrugd, zeker toen Wim Kok in 1987 politiek leider van de PvdA werd.

Teleurstelling

De verwachtingen in de PvdA over deze opmerkelijke transfer waren hooggespannen. Hij zou de PvdA uit haar politieke isolement kunnen bevrijden en doen uitgroeien tot een 40 procent-partij. Dat liep dus anders. Het kostte de partij weinig moeite om in 1989 weer een regeringscoalitie te vormen met het CDA, maar een voor de achterban herkenbaar sociaal-economisch beleid voeren bleek onmogelijk.

De problemen ontstonden echter niet door de confrontatie met de vakbeweging over de WAO. De PvdA zit eigenlijk vanaf de Tussenbalans van februari 1991 in grote problemen. Bij deze zeer drastische bezuinigingen werden een groot aantal collectieve voorzieningen in prijs verhoogd (openbaar vervoer) of drastisch in omvang teruggedrongen. Het leverde de PvdA bij de Statenverkiezingen van maart 1991 een zware verkiezingsnederlaag op.

De WAO-crisis van de zomer van 1991 en de daarop volgende confrontatie met de vakbeweging hebben dat probleem slechts versterkt. De WAO is in de beeldvorming gaan werken als het symbool van de identiteitscrisis van de PvdA, maar het feitelijke probleem zit veel dieper.

In de euforie over het PvdA-verkiezingsprogramma worden de zwakke punten niet onderkend. De toonzetting van het programma is open, sommige begrippen zijn nieuw voor de PvdA, zoals het stimuleren van de burgerzin, en het leest soms meer als een essay dan als een programma. Maar dat betekent wel dat veel vragen onbeantwoord blijven.

Als ik Karin Adelmund hoor spreken krijg ik soms het beangstigende gevoel dat ze een ander verkiezingsprogramma heeft gelezen dan ik. In ieder geval leest ze uiterst selectief. Ze hecht veel waarde aan welgemeende maar vage intenties, en gaat voorbij aan het gebrek aan onderbouwing van deze intenties.

Het programma stelt wel dat een sanering van de verzorgingsstaat noodzakelijk is, maar blijft vaag als het gaat om de keuzen die daarbij zullen worden gemaakt. Het wenselijke arbeidsbestel wordt aangeduid als een 'fatsoenlijke arbeidsorde'. De essentie van deze orde beschrijft men echter in onduidelijke termen als 'het evenwicht tussen onderwijs, economie en cultuur; tussen sociale rechten en plichten; tussen vraag en aanbod op de arbeidsmarkt, ... tussen presteren en concurreren in de formele organisatie en zorgzaamheid en geborgenheid in de intimiteit; tussen de markt en vrijwilligerswerk of publiek dienstbetoon; ...'.

Dergelijke formuleringen geven weinig houvast over de pijnlijke keuzen die de PvdA ook de komende kabinetsperiode dient te maken. Een spijtbetuiging over het gevoerde WAO-beleid biedt evenmin veel zekerheid over het toekomstige beleid.

Wethouderssocialisme

Het sociale gezicht van de PvdA kan niet hersteld worden door fraaie intenties, maar door aansprekend beleid. Aan dat beleid heeft het de huidige kabinetsperiode ontbroken. Een prominente plaats op de kandidatenlijst voor (voormalige) vakbondsbestuurders kan dat niet compenseren.

Het is relatief gemakkelijk een zekere populariteit en een goede reputatie op te bouwen aan het hoofd van een belangenorganisatie als de FNV. De PvdA zou zich de vraag moeten stellen of een carriere in de vakbeweging, uiteindelijk een belangenorganisatie die pijnlijke keuzen vaak uit de weg kan gaan, wel een goede voorbereiding is op een optreden in de Haagse politiek.

Het is geen toeval dat succesvolle PvdA-politici de laatste decennia zelden uit de vakbeweging kwamen. Drees, Den Uyl en Wallage zijn enkele voorbeelden van ervaren wethouders die met succes de overstap naar de landeljke politiek hebben gemaakt. Ter Veld en Kok zijn beduidend minder succesvol. Adelmund zal, net als Kok, de hoge verwachtingen waarschijnlijk niet kunnen waarmaken.

De praktijk van het wethouderssocialisme biedt meer perspectief op vernieuwing en is een belangrijkere kweekvijver voor politiek talent dan het vakbondssocialisme.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden