Wat heb ik een prachtig beroep!

Leraren klagen te veel over hun vak. Ze vragen om medelijden, heel onverstandig.

Voor leraren lijken mooie tijden aan te breken. Door het dreigende lerarentekort in het voortgezet onderwijs gaat het opeens weer over carrièreperspectief, extra scholing en betere beloning. Maar het echte probleem blijft. Het imago van het leraarschap heeft te weinig appeal. Dat wordt vooral veroorzaakt door de leraren zelf.

Sinds een jaar of 25 hebben leraren het gevoel dat zij in het verdomhoekje zitten. Zij gedragen zich ook zo. Leraren zijn tobberige types geworden die met een buitengewoon hoge zuurgraad een zo makkelijk mogelijk weg zoeken naar een vervroegde uittreding. Of het zijn twintigers die vanwege een tekortkoming niet de positie op de arbeidsmarkt weten te krijgen die zij wensen. Bij gebrek aan beter hanteren zij het krijt en de bordenwisser.

Het vergrijsde korps lijkt alle joie de vivre verloren te hebben. De jonge leraren schieten te kort in affectie met de doelgroep en liefde voor het vak, omdat zij liever een bijdetijdse job zouden willen hebben.

Schijnbaar leeft bij veel leraren de gedachte dat het etaleren van de zwaarte van het beroep en de lage beloning wel medelijden zal oproepen. En dat zo de beloning zal verbeteren en de functie opgewaardeerd worden. Voortdurend gaat het over wat een leraar allemaal al moet presteren en hoe hij of zij daarbij tekort gedaan wordt. Het lijkt er op dat het nog werkt ook. Het medelijden is er nu: ach, ach, wat hebben die leraren het zwaar, het is geen wonder dat niemand voor het beroep kiest.

Het is wonderbaarlijk dat toch nog zoveel leraren voor de klas blijven staan. Leraren zijn in ieder geval niet zo zielig dat niemand het volhoudt. Meelijwekkend kunnen leraren ook moeilijk genoemd worden. Elke leraar speelt een belangrijke rol in het dagelijks leven van ongeveer 200 opgroeiende kinderen. Ze zijn de spil van een groepsdynamiek die je bijna nergens anders vindt. En zij hebben ook nog grote autoriteit vanwege vakkennis en inlevingsvermogen.

Het bespelen van een klas is vakwerk waarin naast de prestaties het plezier, de humor en de joligheid voortdurend aanwezig zijn. De leraar staat tussen de wankele puber en zijn bezorgde ouders, zowel in rationele als emotionele kwesties. Binnen wettelijke kaders heeft de leraar het op zijn werkplek voor het zeggen, hij bepaalt wat er gebeurt en hoe snel dat gaat en hij duldt geen inmenging van buitenaf in zijn primaire taak.

Natuurlijk heeft hij twaalf weken vakantie per jaar en meestal gaat hij om een uur of drie naar huis en dan kan het best zijn dat er ’s avonds nog eventjes wat nagekeken wordt. Zijn salaris is aardig, hoewel er natuurlijk altijd wel wat bij kan.

Al met al heeft een leraar een schitterend beroep met een grote vrijheid om invulling te geven aan zijn taken en met veel vrije tijd. Als er dan ook nog oog is voor de speciale band tussen de leraar en zijn leerlingen is er geen reden voor medelijden.

Het wordt tijd dat leraren het tobberige en verzuurde imago afschudden. En dat ze hun waardigheid hervinden. Kennisoverdracht en begeleiding van jongeren op weg naar volwassenheid – wat een prachtig beroep.

Misschien is het nodig om bijkomende aangelegenheden ter zijde te schuiven. Een leraar die tevreden is met zijn positie kan vrijwel de gehele inhoud van zijn postvak ongelezen in de prullenbak deponeren. Het leerproces in de klas kan doorgaan zolang er een conciërge is die krijt heeft en een interieurverzorger die poetst. Door te focussen op de kern van het leraarschap ontstaat een zuiver beeld: het is een vak dat grote voldoening geeft.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden