'Wat giert de Bulderbast om 't graf'

Wat is dat toch met de tijd van domineedichters, stoomtrein en sigaar? Het lijkt wel of de 19de eeuw een groeiende aantrekkingskracht uitoefent op Nederlandse schrijvers van nu: ze overtreffen elkaar in archaïsch taalgebruik, nijver archiefwerk en naturalistische thematiek. Gerrit Komrij begon ermee, Thomas Rosenboom zette de lijn voort en in zijn kielzog volgen nu ook jongere schrijvers. Maar waarin ligt eigenlijk de erfenis van de grote 19de-eeuwse romanciers? Toch niet in de breed uitgesponnen volzin? Jaap Goedegebuure over de ongewenste effecten van een literaire mode.

Waar is het begonnen, de zucht naar de 19de eeuw? Niet zo heel lang na afloop van het belle époque, hoogtij van burgerlijke zelfgenoegzaamheid, dat eindigde met het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog. Een oorlog die in de vorm van een doodskop smoel gaf aan de moderniteit, zo kil en ontmenselijkt dat nog geen vijftig jaar later menigeen wel op handen en voeten wilde terugkruipen naar de gloeiende kolenhaard en de beschutte leunstoel. Dat die inmiddels al lang met het grof vuil waren meegegeven, mocht niet deren; men warmde zich aan de illusie van romantische gloed en Biedermeier beschutting, liever dan te verstenen in de vrieskou van eenvormige woonblokken, industriële vormgeving en de constructivistisch-abstracte kunst. Vaarwel Mondriaan en Malevich, Beckett en Celan, welkom Alma Tadema, Dickens en Jan Jacob Lodewijk ten Kate.

Wie is er met de 19de-eeuwse dweperijen begonnen? Wanneer we ons voor het gemak beperken tot de Nederlandse literatuur, dan is het Gerrit Komrij die de terugkeer naar het tijdvak van domineedichters, stoomtrein en sigaar heeft ingezet. Nogal wiedes dat hij er zo zijn eigen bedoelingen mee had. In het voorwoord van zijn befaamde bloemlezing uit de vaderlandse dichtkunst tussen 1800 en 1980 keerde hij zich tegen de trits God, Nederland en Oranje, voor de genoemde domineedichters nog een geheiligde drievuldigheid. Ook van religie, honderdvijftig jaar geleden de onwankelbare hoeksteen van de maatschappij, moest Komrij weinig hebben, net zomin als van 'gevoelsuitstortingen, verheven stemmingen, vliegende vaandels en gezwollenheid'. De humorcultus daarentegen, met Piet Paaltjens, De Schoolmeester, De Genestet en andere dominees of voormalige dominees prominent vertegenwoordigd, mocht zich ten volle in zijn liefde en belangstelling verheugen. Komrij wierp zich zelfs op tot de evenknie van deze snaakse geesten. Maar dan met een flink schepje erbovenop, net zolang tot de gezwollenheid zich als ironie openbaarde.

'Wat doodalleen zijn wij', denk ik, 'wat giert de Bulderbast om 't graf. 't Is al verloren werk... Te zien hoe ijdel hier zijn hulsel rentenierde... Het is mij droef te moe.

Aldus de aanhef van een 'oefening in funeraire platitudes', te vinden in een bundel met de Paaltjens-achtige titel 'Alle vlees is als gras of Het knekelhuis op de dodenakker' (1969). Naderhand zou Komrij met zijn roman 'De klopgeest' ook nog eens een heuse, in het Amsterdamse fin de siècle gesitueerde roman schrijven.

Camp, zo pleegt men de al dan niet geïroniseerde reprises van 19de-eeuwse stijlen en schrijfwijzen wel te noemen, en men voegt er dan meestal aan toe dat dit soort van recycling bij uitstek kenmerkend is voor de postmoderne conditie, die alles was schon da gewesen ist monkelend herhaalt, zonder de behoefte ernstig genomen te willen worden. Gebrek aan ernst? Werkelijk? Niet per se, niet onder alle omstandigheden. Laten we nog eens wat scherper en genuanceerder kijken. Gerard Reve, in meer dan een opzicht het boegbeeld van de naoorlogse Nederlandse literatuur, zette al heel vroeg de toon. 'De avonden', dat dateert uit het midden van de 20ste eeuw, laat in stijl en verteltrant al zien welke kant het latere werk van de volksschrijver uit zou gaan. Het idioom in deze debuutroman is een mix van alledaagse spreektrant en de taal van kansel en kanselarij die honderd eerder nog in zwang was onder negen van de tien romanschrijvers. De aanhef van 'De avonden' zou, op de datering na, elke 19de-eeuwse lezer vertrouwd in de oren hebben geklonken: ,,Het was nog donker, toen in de vroege morgen van de tweeëntwintigste december 1946 in onze stad, op de eerste verdieping van het huis Schilderskade 66, de held van deze geschiedenis, Frits van Egters, ontwaakte.''

Toen Reve naderhand zijn literaire principes formuleerde, vielen de formele kenmerken van 'De avonden' op hun plaats. Hij maakte ondubbelzinnig duidelijk dat zijn voorkeur niet uitging naar de experimenten van James Joyce, Virginia Woolf, William Faulkner en andere modernisten, maar naar het type roman dat onder 19de-eeuwse auteurs gemeengoed was. Dat hij die romans zelf zelden heeft geschreven, heeft alles te maken met zijn befaamde wending naar de 'bekentenisliteratuur'. In 'Op weg naar het einde' en 'Nader tot U' ontspon zich het breed uitwaaierende geoudehoer dat, al dan niet met Gods zegen, tot aan 'Het Boek van Violet en Dood' zou worden voortgezet. Intussen heeft ook dit treiterig vertragende, maar eigenlijk ook zo oergezellige vertellen iets gewilds archaïsch; denk maar aan schrijvers als Lawrence Sterne en Jean Paul.

Ook Reve had zo zijn eigen agenda. Het mengsel van het hoge en het lage taalregister diende als vehikel voor zijn overtuiging dat Gods majesteit zichtbaar werd in een met oude fietsbanden volgedumpte achtertuin. Plot en thematiek van semi-kitscherige romans als 'Een circusjongen' en 'De vierde man' daarentegen had hij gekozen omdat er risicoloos mee te schmieren viel. De romantiek van de Twee Wezen en de horror van de Fatale Vrouw, gezonken cultuurgoed dat voor geen enkele 20ste-eeuwer nog geloofwaardig was, zette Reve in om het volk te laten genieten en de kenners een knipoog te geven. Ondertussen klonken deze romans even sonoor als een lege huls waar de ijdele wind doorheen speelt.

Naderhand zou Komrij's vaardig gedocumenteerde roman 'De klopgeest' een soortgelijk geluid maken. Elke scène in dit boek is een plaatje uit de toverlantaarn, goed nagemaakt, maar tot niets verplichtend. En van die klopgeest uit de titel gaat niets bedreigends of verontrustends uit; integendeel, zijn dreun is even hol als de klop op de deur van Ina Boudier-Bakker.

Er is ook een andere vorm van fascinatie met de 19de eeuw mogelijk. Sinds Reve's tachtigste verjaardag is gepasseerd, mag publiekelijk bekend worden verondersteld hoeveel bewonderaars en navolgers hij al decennia telde. De eigenzinnigste en markantste onder hen is zonder enige twijfel Kees Ouwens, de dichter wiens poëzie ontbrandde aan Reve's 'Geestelijke Liederen', en die sindsdien al meer en meer ging putten uit het obsolete jargon van wetenschap, overheid en kerk. Naderhand schreef Ouwens met 'De eenzaamheid door genot' een van de merkwaardigste romans die het Nederlandse taalgebied rijk is. Van factuur is dit boek minstens zo zwaar als het stoelenpluche en het gordijnenvelours die in de salons van onze overgrootouders al het daglicht absorbeerden.

Hier manifesteert zich een volkomen geimplodeerde binnenwereld, een universum dat zo mogelijk nog hermetischer is dan de sensitivistische verzen van Herman Gorter of het met woordkunst dichtgemetselde proza van Lodewijk van Deyssel. Een gestandaardiseerde en fossiel aandoende terminologie moet dienen ter beteugeling van een baaierd aan strijdige gevoelens en gewaarwordingen. Daarbij overweegt de ernst, als het al geen neurotische controledwang is. Alleen hier en daar licht nog wel eens een glimpje ironie op, maar al met al zijn we toch heel ver verwijderd geraakt van de tongue in cheek die we kennen van Komrij en Reve in zijn hoedanigheid van romanschrijver. Lees zelf maar: ,,Verrichting werd orfisch. Vierde hij ogenschijnlijk de teugels, hij hoedde zijn lichaam, tot in de beslotenheid van de publieke ruimte, waar hij het alleen was. Hij stipuleerde niet slechts administratief een lidmaat te zijn, maar bevond zich ook in de schoot van de gemeenschap, met welke hij in het openbaar verkeerde door zijn roosje te ontbloten.''

De laatste fase in de pelgrimage naar de 19de eeuw wordt vertegenwoordigd door Thomas Rosenboom. Hoezeer ook bij hem, net als bij Reve, de hang naar de 19de-eeuwse gedragenheid en breedsprakigheid samenhangt met een klassieke opvatting van de romankunst, bleek uit 'Aanvallend spel', zijn persoonlijke grondslag van het schrijverschap. Vrijwel het hele oeuvre van Rosenboom, van 'Vriend van verdienste' tot en met 'De nieuwe man', beantwoordt aan het adagium dat de romanheld uit alle macht moet streven alvorens te sneven. Dat doet sterk denken aan illustere voorbeelden als Stendhals Julien Sorel, Melville's Captain Ahab en Dostojevski's Raskolnikov. Naar een 'Mann ohne Eigenschaften' in de trant van de 20ste-eeuwse modernist Musil moet je bij Rosenboom tevergeefs zoeken. Zijn figuren vallen samen met hun oppervlakkige eigenschappen, zoals dat betaamt in een ouderwetse komedie.

Rosenboom beschikt over een meesterlijke beheersing van registers en genres. Archaïsmen, gezochte woorden, de parafernalia van de gothic novel of de conventies van de familieroman, hij heeft het allemaal in zijn fijnbewerktuigde vingers. Tegelijkertijd vraag je je bij hem, meer nog dan bij Komrij of Reve of bij zijn leermeester Brakman af, wat hij met zijn literaire recycling en restyling voor heeft: een reverence naar de grote verteltraditie of een gracieus spel? Ik houd het op een kwart van het eerste en driekwart van het laatste. Rosenbooms meesterschap kan niet verhullen dat zijn romans weinig meer zijn dan een wassenbeeldenmuseum van malle gevallen, karakters die vrijwel nooit het niveau van karikatuur ontstijgen. Net als de Reve van 'Een circusjongen' en de Komrij van 'De klopgeest' blijft hij aan de oppervlakte, in zijn gezochte stijl, in zijn groteske verhaallijnen, in het bordkarton van zijn decors. Aan het pas verschenen boek van Willem Melchior, de drie generaties omspannende roman 'De dokters Andrian', valt eens te meer te illustreren waar de hang naar de 19de eeuw in een impasse eindigt: niet zozeer bij een gebrek aan ernst, maar eerder bij een teveel daaraan. En bij een gebrek aan talent. Melchior spiegelt zich aan familiesaga-auteurs als Zola, Thomas Mann en Couperus, maar mist hun verbeeldingskracht, vertellersgaven en stilistisch vermogen. Hij blijkt niet in staat om de door hem verhaalde geschiedenis, die er een is van deterministische lotsbestemming en zich telkens herhalende genetische patronen, uit te tillen boven een door en door gedocumenteerd, maar tegelijk oersaai resumé. Daarmee blijft hij onthutsend dicht in de buurt van het tweede en derde garnituur realisten anno 1900, schrijvers als Ina Boudier-Bakker en Herman Robbers die zelfs voor literatuurgeschiedschrijvers hun belang hebben verloren. Hier wordt vakmanschap verward met een maniertje, traditie met cliches, stijl met sjabloon.

De les moet zijn dat het voorbeeld van de 19de eeuw de zwakkere broeders alleen maar kan schaden, hoe verleidelijk en eervol het ook lijkt om erop terug te vallen. En zelfs de echte talenten moeten zich hoeden voor een al te trouwe volgzaamheid. Want de echte erfenis van de 19de-eeuwse literatuur ligt niet in een gedetailleerde couleur locale en ook niet in de breed uitgesponnen volzin of de quasi-archaïsche frase, maar in de complexe psychologie, die niet beredeneert, maar toont. Die psychologie vind je bij Vestdijk, W.F. Hermans, Frans Kellendonk, Oek de Jong, stuk voor stuk auteurs die van hun schatplichtigheid aan Dickens, Flaubert en Tolstoi nooit een geheim hebben gemaakt, maar zich altijd te goed hebben geacht voor een Anton Pieck-achtige kneuterigheid, hoe gezellig of trendy ook.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden