Reportage

Wat gebeurt er met de duizend jaar oude porseleinstad Jingdezhen? De ambachtslui zijn er niet gerust op

Ambachtslieden in Jingdezhen aan het werk. Beeld Reuters

Marktdenken deed de Chinese porseleinstad Jingdezhen in de jaren negentig bijna de das om. Nu is ze bezig aan een comeback met hulp van de overheid, maar die staatsbemoeienis baart de vakmensen zorgen. 

Het is acht uur ’s ochtends, er hangt nog mist in de nauwe straten van Jingdezhen, als in de oude beeldhouwfabriek een roestige porseleinoven opengaat. Terwijl de temperatuur langzaam zakt, van 1300 naar 100 graden, komen de pottenbakkers uit de omliggende werkplaatsen in de buik van het gevaarte gluren, nieuwsgierig naar hoe hun fragiele beelden en serviezen de hitte hebben doorstaan.

Al meer dan duizend jaar speelt dit tafereel zich dagelijks af in Jingdezhen, de beroemdste en oudste porseleinstad van China, en misschien wel de hele wereld. In de duizenden werkplaatsen van de beeldhouwfabriek zie je de ambachtslieden klei aanslepen, kneden en in mallen gieten, en zie je beeldhouwers, schilders en glazuurders werken, alsof de Qingdynastie hier gewoon is doorgegaan.

“Dit is een unieke plek”, zegt Jesse McLin, een Amerikaanse kunstenaar die al zo’n tien jaar in Jingdezhen woont. “Een van de weinige plaatsen ter wereld, misschien zelfs de enige, waar op zo’n klein oppervlakte zo veel ambachtslui werken. Voor keramiek is heel veel kennis nodig – draaien, schilderen, bakken, glazuren – en in deze stad is al die kennis verzameld. Voor alles wat je wilt, vind je hier een vakman, al meer dan duizend jaar.”

Beeld Leen Vervaeke

Toch had het niet veel gescheeld of de hele porseleintraditie van Jingdezhen was verloren gegaan. Tijdens de privatiseringen van de jaren negentig sneuvelden de meeste keramiekfabrieken en verloren tienduizenden ambachtslieden hun baan. Pas sinds een tiental jaar bloeit Jingdezhen weer op als porseleinstad en trekt ze van heinde en verre talent aan. Maar aan dat succes, zeggen ingewijden, zit ook een keerzijde. Het gevaar voor Jingdezhen is niet geweken.

In de leer

Op de avondmarkt in de Porseleinstraat – de Taoyijie – trekt schilder Hua met vaste hand zijn penseel over een theekopje. Hij is twintig jaar geleden als schilder begonnen, in de leer bij een meester, en heeft sinds twee jaar zijn eigen winkeltje. Hier doet hij wat de ambachtslui van Jingdezhen het best kunnen: blauw-op-wit porselein. Met deze stijl verwierf Jingdezhen wereldfaam. In Nederland werd de stijl zelfs gekopieerd: het was de voorloper van Delfts blauw.

Schilder Hua aan het werk in zijn winkel in de Porseleinstraat. Beeld Leen Vervaeke

De reputatie van Jingdezhen als porseleinstad dateert uit de tiende eeuw, ten tijde van de Tangdynastie, toen keizerlijke paleizen gigantische hoeveelheden vaatwerk, vazen en beelden bestelden. In het jaar 1004 kreeg de stad, die toen nog Changnanzhen heette, van de keizer van het Jingde-tijdperk zijn nieuwe naam, als een soort keizerlijk keurmerk. Het porselein van Jingdezhen had de naam zo dun als papier, zo wit als jade, zo helder als een spiegel en zo resonerend als een bel te zijn.

Het kleine rivierstadje, in het diepe binnenland van de Zuid-Chinese provincie Jiangxi, exporteerde wereldwijd. Getuigen deden in de zeventiende eeuw verslag van een stad met drieduizend ovens en honderdduizenden ambachtslieden, die alles met de hand deden en hypergespecialiseerd waren. Een meesterschilder voor de voeten, die liet je geen handen schilderen.

Na de stichting van de Volksrepubliek in 1949 werden de ateliers van Jingdezhen ondergebracht in tien enorme staatsbedrijven. In plaats van boeddhabeelden produceerden de ambachtslui nu beelden van Mao. Het was de opkomst van de markteconomie in de jaren negentig die hen de das omdeed. De specialisten konden niet op tegen de goedkopere concurrentie. Tegen 1998 waren de tien staatsbedrijven failliet.

Alleen de sterksten

Tienduizenden ambachtslieden stonden op straat, alleen de sterksten gingen op eigen kracht verder: zij kregen een werkplaats in de beeldhouwfabriek, het kleinste van de tien staatsbedrijven, en begonnen weer op oude wijze te produceren. “De ambachtslui hadden nog hun vaardigheid, maar er werden geen nieuwe ontwerpen meer gemaakt. Langzaam ging het neerwaarts”, zegt Takeshi Yasuda, een Japanse kunstenaar die mede aan de basis stond van de heropleving van Jingdezhen.

Takeshi Yasuda Beeld Leen Vervaeke

In die toestand troffen enkele kunstenaars de stad rond de eeuwwisseling aan. “Het liep hier vol met fantastische ambachtslui, maar ze deden alleen blauw-op-wit”, zegt Caroline Cheng, een Hongkongse kunstenares die in 2005 in Jingdezhen keramiekstudio The Pottery Workshop opende. Een in de VS opgeleide keramist lanceerde net buiten de stad Sanbao Studio. “Er was een goede opleiding, maar jongeren trokken weg na hun afstuderen. Ze zagen hier geen toekomst.”

Cruciale rol

The Pottery Workshop wordt, samen met Sanbao Studio, een cruciale rol toegedicht in de heropleving van Jingdezhen. Oprichtster Caroline Cheng en Takeshi Yasuda, die als eerste directeur werd aangetrokken, brachten buitenlandse kunstenaars naar Jingdezhen, lieten hen lezingen geven voor de keramiekstudenten en introduceerden nieuwe ideeën. Maar vooral: ze richtten een wekelijkse marktplaats op, waar de jongeren hun werk konden verkopen.

“De eerste week kwamen er zeventien jongeren en verdienden ze 1000 RMB (130 euro)”, zegt Cheng. “Maar na twee jaar was het vechten om een plekje en werd er in één weekend 300.000 RMB (39.000 euro) omgezet. Uiteindelijk maakten we er een gecureerde beurs van, waar alleen de honderd beste kandidaten aan mochten deelnemen. Sommige jongeren begonnen hun eigen studio in Jingdezhen. Ambachtslui kregen meer werk, mensen begonnen terug te komen.”

Jingdezhen begon een tweede leven als porseleinstad, dit keer met een hedendaagse toets. In de oude beeldhouwfabriek deden jonge Chinese en buitenlandse kunstenaars een beroep op de traditionele ambachtslui, die hun kennis op nieuwe manieren inzetten. In de wirwar van fabrieksstraatjes zie je jonge ontwerpers met spuitbussen en abstracte installaties en ernaast een oudere vakman met penseel en een klassiek heiligenbeeld.

Beeld Leen Vervaeke

“Steeds meer mensen kwamen naar Jingdezhen”, zegt Yasuda. “Niet alleen keramisten, maar ook houtbewerkers en metaalbewerkers. Ze konden hier hun werk verkopen en ze konden mensen ontmoeten zoals zijzelf, die iets nieuws wilden in hun leven. Het was heel organisch. Je kunt niet zeggen wie het begonnen is, de dingen kwamen gewoon samen. Dat gebeurt niet vaak en ik prijs me gelukkig dat ik het mocht meemaken.”

Het succes van Jingdezhen wekte onverwachte krachten. De Chinese overheid, die al jaren droomde van een creatieve industrie in China, zag in Jingdezhen een kans. Ze investeerde 1,8 miljard euro in een plan om het oude fabriekserfgoed te restaureren en te ontwikkelen. In een eerste fase werd de vervallen Kosmische Porseleinfabriek, een van de tien oude staatsbedrijven, omgebouwd tot cultureel centrum Taoxichuan, met ateliers, musea, galeries en horeca.

Hoge huur

Met zijn fraai gerestaureerde industrieel erfgoed ziet Taoxichuan er fantastisch uit – zeker in vergelijking met de morsige beeldhouwfabriek – maar de nieuwe ontwikkeling valt niet bij iedereen in de smaak. Want Taoxichuan bestaat vooral uit dure ateliers voor gevestigde kunstenaars en uit winkels en galeries. De kleine ambachtslui die de hoge huurprijzen niet kunnen betalen, kunnen er niet terecht. En zonder ambachtslui is Jingdezhen niets.

Gevreesd wordt dat het niet bij Taoxichuan blijft. De overheid heeft plannen om een veel groter gebied te restaureren, inclusief een deel van de beeldhouwfabriek. Nu al zijn daar enkele oude gebouwen gesloopt. “Ze willen er een museum bouwen”, foetert Cheng. “Maar Jingdezhen is een levend museum. Je ziet hier mensen met gigantische boeddhabeelden over straat lopen, om te bakken of te glazuren. Je hebt hier geen museum nodig. Een museum is voor dode dingen.”

Werk aan een beeld van Mao. Beeld Getty Images

Volgens de overheid komen in Taoxichuan ook goedkope ateliers voor jonge kunstenaars en zal de creatieve industrie voor meer werkgelegenheid zorgen. Maar in Jingdezhen zijn velen sceptisch. Zelfs Yasuda, die als gevestigd kunstenaar een nieuwe studio in de gerestaureerde fabriek heeft geopend, geeft het plan niet veel kans. “De motieven van de overheid lijken oprecht, maar ik weet niet of het zal lukken. Ik denk niet dat creativiteit gepland kan worden.”

Voor Jingdezhen en zijn porseleinmakers zijn weer onzekere tijden aangebroken. Berichten over renovaties en huurverhogingen zorgen voor onrust. “Alles verandert, in de hele wereld en zeker in China, dus waarom zou Jingdezhen niet veranderen?”, zegt McLin, de Amerikaanse kunstenaar. “Al kan verandering ook tot verlies leiden. Taoxichuan is heel mooi, maar dat is nooit de essentie van Jingdezhen geweest. De schoonheid van Jingdezhen is dat we hier dingen maken.”

Zusterstad Delft

Tussen Jingdezhen en zusterstad Delft is een aantal jaar geleden een bloeiende samenwerking ontstaan. De twee keramieksteken organiseren uitwisselingen voor kunstenaars en gezamenlijke exposities. Bezielde kracht achter de samenwerking is keramist Adriaan Rees, die sinds 2000 in Jingdezhen komt en er sinds 2006 een eigen atelier heeft. Hij woont de helft van het jaar in China. Ook hij ziet in Jingdezhen oude plekken verdwijnen, maar hij meent dat er voldoende levend erfgoed overblijft. “Het blijft een fascinerende stad en het is fijn dat meer mensen er zich voor interesseren.”

Lees ook:

Fietsenmaker Chong Li (62) was een van de eerste zakenmannen van China en dat viel niet mee

Deze week viert China dat precies veertig jaar geleden het kapitalisme niet langer verboden was. Chong Li (62) was een van de allereerste zelfstandige ondernemers.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden