Wat een merkwaardig dilemma!

Jan Oegema onderzoekt de psalmen van Vroman en Lucebert, dichters die weigeren Gods lof te zingen, maar volgens hem toch authentiek religieus zijn. „Hun ironie zet de definitie van religiositeit op scherp. Ze schuiven een mat onder je voeten en trekken die er vervolgens onder vandaan.”

In 1995 publiceerde Leo Vroman een gedicht dat meteen al bij verschijnen klassiek was. Het is het eerste van een reeks van veertien psalmen. Om dit gedicht te begrijpen hoef je niets bijzonders te weten, al is het goed om in herinnering te brengen dat Vroman bioloog is en veel tijd heeft besteed aan bloedonderzoek. Het systeem dat hij aanroept – in de reeks psalmen steevast met hoofdletter S – is een systeem dat hij tientallen jaren heeft kunnen waarnemen door microscopen. Wat een gewriemel! Wat immens mysterieus, als je bedenkt dat die bewegende bolletjes het zuurstof vervoeren dat het mogelijk maakt om gedichten te schrijven en te lezen. Onze waarste woorden worden gedragen door iets waar ze evenveel benul van hebben als een zuigeling van een fopspeen.

Er bestaat een ondoordringbare muur tussen onze voorstellingen en het lijf dat die voorstellingen mogelijk maakt. Dat lijf is onderdeel van iets dat hier systeem heet, met hoofdletter, een mystiek lichaam dat we weliswaar kunnen bestuderen en beschrijven maar nimmer begrijpen. Elke intelligente wetenschapper zal beamen dat zijn verbijstering toeneemt naarmate zijn kennis groter wordt.

Luther, de wilde, onbesuisde Luther heeft ooit beweerd: alle schepselen zijn slechts maskers van God en achter die maskers speelt een verborgen God het theater van de wereld. Ik denk dat ook Vroman aanhanger is van deze maskertheorie, zij het dat hij de theologie terzijde schuift en ’God’ vervangt door een woord van eigen makelij.

Intussen legt Vroman een talent aan de dag waarover ook Luther in geruime mate beschikt: hij durft zich te laten raken. Al weigert hij Gods lof te zingen, niettemin is zijn psalm authentiek religieus. Dat komt door het derde vers van de derde strofe: ’ik voel mij diep door U bereikt’. Dat is de taal van het geloof, van de verwondering, de deemoed, de dankbaarheid. De dichter erkent zijn afhankelijkheid van een macht groter dan hijzelf en die macht betitelt hij als ’systeem’. Geen menslozer, ziellozer woord dan dat. Desondanks spreekt hij zijn systeem aan met ’U’. Kennelijk kun je deemoed en dankbaarheid hechten aan een woord dat gewoonlijk gebruikt wordt bij dakconstructies en modelanalyses.

Vreemd, hoe literatuur met haar middelen van vervreemding momenten van innigheid en ontroering kan scheppen.

Ik houd van Vromans gedicht, en ik ben vast niet de enige. Sportieve gelovigen zullen er ook van houden, evenals sportieve agnosten en atheïsten. Dat komt omdat Vroman in dit gedicht puur is, argeloos, open en direct.

In een beschouwing over de dichteres Vasalis kwam ik onlangs de term ’wilde religie’ tegen (bij wijze van toelichting op een vers met een donker en dreigend, Lutherachtig godsbeeld). Dat vind ik een mooie term, hij deed me denken aan Simon Vestdijks portret van de ’mystiek-introspectieve mens’, de beschouwelijke mens die leeft vanuit zijn hart en de innerlijke souplesse bezit om zijn denkbeelden waar nodig aan te passen. Deze mens heeft inderdaad iets wilds; iets zegt hem in de eerste plaats trouw te zijn aan zijn innerlijke bronnen – en die zijn bij aandachtig toezien altijd raadselachtig en veelvormig.

Drie jaar terug heb ik Vestdijks religieuze troetelkind als uitgangspunt genomen in het essay waarin ik de ’soloreligieus’ introduceerde. Daarin riep ik de soloreligieuzen op om elkaar op te zoeken, losse netwerken te creëren en zich zo te ontpoppen tot vrije religieuzen. Of ik inmiddels zo’n vrije religieus ben? Ik weet het niet. Wie zijn gevoeligheid ontdekt voor het besef van afhankelijkheid dat Vroman tot uitdrukking brengt – het alfa en omega van de religieuze ontroering – neemt het woord vrijheid niet meer zo gemakkelijk in zijn mond. Daarbij vind ik het dwaas om me te verheffen boven andersdenkenden en te suggereren dat ik een vrijheid bezit die zij ontberen.

Waar is wél dat ik inmiddels geen soloreligieus meer ben, althans niet in letterlijke zin. Ik zit tegenwoordig bij verschillende clubs, vrijzinnig en boeddhistisch. Op het oog dus keurig reliflex, geheel naar de laatste mode.

Maar één ding blijft onveranderd. Mijn grootste inspiratiebron blijft de literatuur. En kunst, en filosofie. Mijn grootste held in de moderne literatuur is Willem G. van Maanen, de onbekende neef van W.F. Hermans: volkomen godloos, areligieus, zelfs antireligieus. Maar na Van Maanen komt er een aantal grootheden bij wie de aloude geest soms onverwacht walmt en waait. Lucebert. Van Ostaijen. Kértesz. Borges. Pessoa. Herzberg (Abel). Kellendonk.

Bij hen proef ik een vrijheid die ik elders mis. Zij durven schaamteloos emotioneel te zijn terwijl zij tegelijkertijd nooit enige concessie zullen doen aan het intellectuele geweten. Zij bewijzen dat kinderlijk ontzag en intellectuele scherpte elkaar niet hoeven uit te sluiten.

Hebben de auteurs die ik hierboven noemde iets met elkaar gemeen? Ik vermoed dat de meeste van hen geen zin hebben om in te stemmen met enig officieel geloofsartikel, uit welke traditie dan ook. Maar die weigering maakt hen allerminst bijzonder. Ook een eigentijdse gelovige bepaalt zelf wel wat hij gelooft. Die ligt heus niet wakker van Vromans psalm. Hooguit is hij een beetje verdrietig over het feit dat Vroman een karikatuur schetst van een traditie met zo’n rijkdom aan godsbeelden dat diens eigen alternatief daar moeiteloos in past.

Wat die literatoren wél bijzonder maakt is een bepaalde filosofisch-religieuze grondhouding waar ’gewone’ gelovigen geen raad mee weten. Deze is nog betrekkelijk onbegrepen en betrekkelijk recent, ontdekt in de Romantiek, ofschoon ze tegelijk zo oud is als de weg naar Peking,

Let op, ik ga generaliseren, dus wantrouw wat ik zeg. De ’gewone’ gelovige maakt een onderscheid tussen een profaan zelf en een sacraal zelf. Dat profane zelf ondergaat hij als oppervlakkig, vluchtig, leeg, lelijk, vals; het sacrale zelf daarentegen ervaart hij als zijn ware zelf. Zijn streven is dat profane, lelijke zelf in een proces van loutering kleiner te maken zodat zijn ware, sacrale zelf de ruimte krijgt om zich te tonen – als vrucht van getrouwe beoefening van rite, gebed of meditatie. Staande op het fundament van dit ware zelf kan hij zich een identiteit aanmeten en met kalme overtuiging verklaren: ik ben christen, boeddhist, Joods-orthodox, reliflex of wat ook.

Bij literaire geestverwanten van psalmist Leo Vroman werkt dat anders. Net als alle andere oplettende mensen pogen zij hun lelijke zelf zo veel mogelijk te beteugelen. Vervolgens stuiten zij op een probleem. Het valt hun uiterst moeilijk om te zeggen: ik ben dit of dat, ik geloof zus of zo.

Waarom? Zij zijn ervan overtuigd dat zij hun ware zelf niet kúnnen kennen, zomin als zij in staat zijn de werkelijkheid, Brahman of God te kennen. Daarom voelen ze zich bijzonder ongemakkelijk wanneer er uit hun innerlijk iets opwelt dat zich presenteert als een waar zelf. Hoe verleidelijk en welkom in eerste instantie ook, een zelf met zo’n pretentie alarmeert. Zodra dat zelf naar erkenning begint te hunkeren, maken zij pas op de plaats. Zoals zij ook in het geweer komen wanneer de buitenwereld hen dwingt het bestaan van zo’n zelf te beamen. Daarom staakte Marjoleine de Vos haar misbezoek toen in haar parochie het Latijnse Credo opnieuw werd ingevoerd.

Credo in unum Deum: je hoort jezelf ’ik geloof’ zeggen en je weet dat je een elementaire zonde begaat. Ik geloof, dus ik vernietig. Ik belijd, dus ik besmet. Ik voel, dus ik versmal. Ik weet, dus ik verhaspel. Hans Faverey verwoordt deze intuïtie zo: ’Ik besta, dus ik lieg. / Zodra ik besta, begin ik / te beoefenen wat zich verbergt / doordat ik begin te spreken.’

Juist wanneer een dichter als Faverey meent dat hij zijn waarheid nadert, ontkomt hij niet aan de indruk dat zijn spreken leugenachtiger wordt. Hij weet ten diepste niet wie hij denkt te zijn, dus hoe te spreken als zijn diepte zich zogenaamd aan hem toont? En wie spreekt er eigenlijk, als hij dan toch zijn mond opent?

Of om dezelfde vraag in Vromans termen te stellen: welk systeem vormt het woord ’systeem’, met een hoofdletter aan het begin?

Elk godsbewijs berust op een tautologie, zo ook bij Vroman. Als bioloog bestudeerde hij celsystemen en nu noemt hij zijn godachtige niet-god ’systeem’. Voor hem geldt dus even hard wat hij monotheïsten aanwrijft: hij misvormt het mysterie naar zijn eigen aard. Dus moet ook voor hem gelden dat die aard iets behelst ’waar hij ook niets van weet’. Met dat laconieke zinnetje herneemt hij een theorie die 2500 jaar geleden werd geformuleerd.

Vijf eeuwen voor Christus opperde Xenophanes dat de hemel van olifanten helemaal vol zit met olifanten. En de hemel van ezels helemaal vol met ezels. De projectietheorie van Freud heeft antieke papieren. Xenophanes wist al wat Feuerbach en Freud vele eeuwen later zouden herhalen. Niettemin bezit hún projectietheorie een nieuwe, spookachtige gloed, aangeblazen door het groeiende inzicht in het bedrieglijke van de menselijke waarneming. Wat bij Xenophanes begint met een vriendelijke speldenprik, krijgt bij hen de omvang van een scheepsramp.

Onze zintuigen bedriegen ons, en onze grammatica en ons keurig gelede lexicon moedigen ons van zin tot zin aan in dat bedrog. De hemelse olifanten van Xenophanes waren tenminste nog grijs, wij weten dat er buiten ons om niet zo’n kleur bestaat, dat die geheel voor rekening komt van ons brein. Achter alle waargenomen, achter alle virtuele objecten steekt iets waarvan zelfs onze geweldigste componisten, dichters, kunstenaars en andere symbolenscheppers geen flauwe notie hebben.

Die buitensluiting betekent zowel in filosofisch als in religieus opzicht een copernicaanse wending. De jonge Wittgenstein beweert dat het gevoel voor het mystieke ontstaat met en in het besef van de begrensdheid van onze waarneming. Er bestaan stellig onuitsprekelijke zaken, noteert hij; die tonen zich slechts, zij geven ons hooguit een vermoeden van het mystieke. Later in zijn leven zal hij tijdens een college zijn hand opsteken en zijn gehoor vragen: wie zal mij verzekeren dat deze hand bestaat? Wie zal mij vertellen wat er hand is aan deze hand?

Vroman geeft duidelijke redenen waarom hij geen trek heeft om zijn systeem God te noemen. God impliceert godsdienst, en godsdienst staat voor hem gelijk aan geestelijke slavernij, knechting, geweld. Terloops geeft hij nog een andere reden: Vroman begrijpt dat zijn ware zelf buiten zijn bereik blijft: ook dáárom heeft hij moeite zich met iets algemeen-geldigs te identificeren. Hij kiest een hoogst particuliere naam, een voorlopige bovendien. Aan het einde van de reeks psalmen neemt hij zonder omhaal afscheid van zijn persoonlijke hoofdletterwoord, suggererende dat hij veel te veel heeft gezegd, dat het systeem hem volkomen vreemd blijft, dat noch zijn gedichten, noch zijn gedachten er ook maar een glimpje van bevatten. Het is alsof hij wil zeggen: dat systeem van mij, het is slechts een fantoom. Geloof er niet in. Geloof niets van wat je zogenaamd ware zelf je influistert. Nooit.

Het is opmerkelijk hoe radicale intellectuele scepsis kan samengaan met oprecht religieus sentiment. Dat valt ook te signaleren bij Lucebert, die veel sterker nog dan Vroman doordrongen is van de onbetrouwbaarheid van het zelf. Dat blijkt al uit het allereerste gedicht uit zijn verzameld werk, het beroemde ’sonnet’: ’ik / mij / ik / mij.’ Die verzen vormen het begin van een soms vertwijfelde zoektocht naar de aard van de menselijke identiteit, een zoektocht die tot aan zijn laatste gedicht zal voortduren.

Desondanks heeft ook Lucebert zijn psalm geschreven, in 1972. Hij heet ’psalm voor nieuwe gelovigen’. In die psalm brengt hij een gevoel van religiositeit over dat hij tegelijk door de toonzetting ongrijpbaar maakt. Een doorsnee criticus kan daar even slecht mee uit de voeten als een doorsnee theoloog. Beiden zouden makkelijk kunnen menen dat Lucebert slechts satire bedrijft. Dat doet hij in zekere zin ook, maar niet omdat het hem niet menens is met die nieuwe gelovigen.

Integendeel, die nieuwelingen, ze bestaan en Lucebert houdt van ze. Het zijn mensen die, precies zoals Vroman, in volle ernst maar ook met ongekende lichtheid het spel van de religie spelen. Ze geloven in van alles en nog wat, sprekende stenen, levende lichten, heus, als het erop aankomt zijn ze net zo gelovig en bijgelovig als de veronderstelde oude gelovigen. Ze verlangen vurig naar een nieuwe wereld, net als Lucebert zelf, die meermalen in zijn werk lucht heeft gegeven van zijn visioenen van redding, de redding waarin elk levend schepsel is inbegrepen.

Ja, het zijn gepassioneerde en geëngageerde mensen, die nieuwe gelovigen. Ze vechten en zwoegen net zo lang tot er onvermoede parfums uit onze stinkende aardkloot omhoog stijgen.

Ook Wittgenstein was zo’n hartstochtelijk parfumeur; toen hij de Tractatus af had, besloot hij les te gaan geven aan arme plattelandskinderen. Maar dat veranderde niets aan zijn filosofische en religieuze attitude, die wortelt in een authentieke en daarom onloochenbare ervaring: de onkenbaarheid van het ware zelf. En precies daarin ligt het nieuwe en het oeroude van deze nieuwe gelovige besloten.

In onze contreien mag die gelovige betrekkelijk nieuw zijn, in Azië lopen er al langer versies van rond. Toen Bodhidharma in de zesde eeuw na Christus vanuit India naar China trok, werd hij op zekere dag ontboden aan het keizerlijke hof. „Wie bent u eigenlijk?”, vroeg de keizer aan de beroemde man. „Ik weet niet wie ik ben”, sprak deze naar waarheid. Bodhidharma is de geschiedenis ingegaan als de grondlegger van het zenboeddhisme. Zoals gezegd: de ziel van sommige van onze literaten is zo oud als de weg naar Peking.

Lucebert haalt in zijn psalm een streep door de aannames van het orthodoxe christendom. Ook al omdat hij in de slotregel een sonnet van Baudelaire citeert en daarmee zijn ongebreidelde syncretisme uitbreidt met kunstgeloof.

Ondertussen is hij wel auteur van deze psalm. Die bevat verschillende religieuze noties die je ook elders in zijn werk tegenkomt, al helpen ze weinig om de portee van dit gedicht op te helderen. Dat heeft natuurlijk alles te maken met de cabareteske inslag van het gedicht. Als Lucebert satire bedrijft, dan niet alleen met een in zijn ogen achterhaalde vorm van religieus denken, maar ook met zijn eigen neigingen tot religieus denken. Er zijn bij mijn weten slechts twee Nederlandse auteurs die deze dichter kunnen evenaren in religieuze zelfspot: Gerard Reve en Kees ’t Hart.

Net als bij Reve geldt bij Lucebert dat je slecht vat krijgt op zijn ideeën en overtuigingen. Je weet nooit precies waar hij staat, op religieus vlak. Er bestaat in zijn geval geen ’eigenlijk’. Het eigenlijke zit bij hem veelal in de ironie, in het dubbelzinnige, het meerzinnige. Dát is de portee van zijn psalm: de oproep tot religieuze ironie. Durf te verlangen, durf je te engageren, durf je afhankelijk te weten (’ons oog zij steeds bewogen / door een ander levend oog’), maar houd je denken open, wees constant alert op de listen van je schijnzelven, voor je het weet loop je rond met een vierkant hoofd en kun je nooit meer van richting veranderen.

Religieuze ironie is in onze cultuur een schaars artikel. Wie eenmaal heeft ontdekt wat hij gelooft of niet gelooft, die wil laten weten waar hij staat, onomwonden en ondubbelzinnig. Wie dat niet wil, wordt daar wel door opvoeders, religieuze functionarissen, journalisten of columnisten toe gedwongen.

Vroman en Lucenbert weigeren hieraan gehoor te geven. Met de ironie van hun psalmen zetten zij de definitie van religiositeit op scherp. Ze schuiven een mat onder je voeten en trekken die er vervolgens onder vandaan. Wil je mijn psalm meezingen? Wees dan bereid onderuit te gaan. Ik houd je hand niet vast.

Religiositeit is geen overtuiging, maar een levenshouding. Bij de Engelse dichter John Keats (1796-1821) heet deze levenshouding ’negative capability’: het vermogen om kunnen leven met het onzekere, met raadsels en tegenstrijdigheden, zonder te vluchten in oude of nieuwe zekerheden, in woorden met hoofdletters. Bemerk je dat je toch een hoofdletterwoord gebruikt: tijdig weer opdoeken. Niet uitbouwen tot een systeem. Liever niet.

Het mentale voertuig van deze ’negatieve geschiktheid’ is de ironie, maar laat niemand zich vergissen: deze ironie staat onder een positief voorteken. Dit is een ironie die ’ja’ zegt, uit volle borst. Misschien is die spontaniteit juist mogelijk door de bereidheid het verlangen naar zekerheid op te schorten. Door de erkenning van dit ene individu op deze tijd en op deze plaats dat hij, buiten noch binnen zich, enig duurzaam fundament bezit. Geen God, geen godgelijk of godgeleid zelf. Alleen schijngestalten.

Ik wantrouw elke religiositeit die de complexiteit schuwt, die zich laat vangen in slogans of wandtegeltjes, al heb ik die net zo hard nodig als ieder ander. Nu ik via John Keats ontdek dat achter de wilde religie van Lucebert en Vroman het concept van open religie schuilgaat, word ik voorzichtig. Net als wildheid stelt openheid een bepaalde norm, en die norm berust op een wensbeeld, een ideaalbeeld.

Openheid, ontvankelijkheid, flexibiliteit: dat zijn verleidelijke begrippen. En bedrieglijke. Niets moeilijker immers dan openheid, ware openheid. Daarom ben ik zo geïntrigeerd door de uitspraak van Luther, een uitspraak waarmee hij elk wandtegeltje gedecideerd doormidden tikt.

Maskers, wij zijn maskers van een naamloze God. Ledepoppen. Strozakken. Pionnen. Bloedplaatjesmakers.

Er speelt iets door ons heen en wij weten niet wat. We murmelen openheid en bijten pardoes op het potdichte vlees van onze tong. Desondanks moeten we leven, we moeten van dag tot dag keuzes maken, en die behoren verantwoord en integer te zijn. Hoe beoordeel je dat anders dan met een beroep op een waar zelf? Je kunt menen dat je het niet kunt kennen en, indien al, beter niet kunt benoemen; toch bespeur je zijn aanwezigheid bij al je belangrijke beslissingen, bij al je belangrijke denkstappen. Ik bespeur die aanwezigheid nu ik op het concept van een open religie stuit. Waarom vertrouw ik dat de openbaarheid toe, als ik niet zou menen dat die formule rijmt met mijn diepste, mijn sacrale zelf?

Wat een merkwaardig dilemma! Kennelijk is de oplettende mens geschapen met een gat in zijn binnenste. Luther begreep dat opeens. Hij stelt het probleem, maar reikt mét zijn metafoor ook meteen het begin van een oplossing aan. We blijken verwikkeld in een wreed want ongelijk spel. Hoe nu te handelen?

Door tegenspel te bieden. Door spel te bieden: dat vooral. Vroman en Lucebert laten in hun psalmen zien hoe dat moet. Zij begrijpen zichzelf als spéler, voor hen is dat de enige manier om mee te gaan met de verwarrende, tegenstrijdige stemmen, aanwaaiend uit hun innerlijk. Wanneer ze die stemmen adem geven, doen ze dat niet zozeer als persoon, maar als personage. Een personage dat zijn rol van moment tot moment en van gedicht tot gedicht helemaal doorleeft, zich daarin met hart en ziel uitleeft, nochtans weet dat hij daar als persoon niet mee samenvalt.

Een speler vergeet nooit dat hij speelt. Hij vergeet nooit dat hij niet is wie hij zegt of denkt te zijn. Dat verdubbelde bewustzijn tekent de speler en verklaart zijn ironie, verklaart de lach die dikwijls om zijn lippen krult. Een lach die hij niemand kan uitleggen, ook zichzelf niet. Weten dat er iets niet klopt, weten dat dat niet-kloppende tevens een bron kan zijn.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden