null Beeld

De MegastadJohannesburg

Wat doet een witte man in het township?

Lawrence Maphuta wil weten wat ik in het arme en overbevolkte Diepsloot kom doen. Hij staat in de rij voor voedselhulp en ziet mij lopen. Ik pas niet in zijn township, ziet hij meteen. Bijna twee meter lang. En een witte huid. Hij vraagt of ik degene ben die voedsel komt uitdelen. Want als witte mensen opduiken in een township van Johannesburg komen ze meestal ‘om te helpen’.

Ik vertel dat ik journalist ben. Dat stelt hem enigszins teleur: kranten kun je niet eten. En voedsel is wat hij nodig heeft, zegt hij, nu Zuid-Afrika al weken op slot zit vanwege de coronacrisis. Geen geld betekent honger. “Mensen gaan inmiddels soms al met elkaar op de vuist voor een beetje eten”, vertelt hij.

Lawrence blijkt 35 jaar – vier lentes jonger dan ik. Hij woont al jaren in Diepsloot, een van de armste wijken van Johannesburg. Hij ziet er knap en verzorgd uit: atletisch gebouwd, net overhemd onder zijn trui, glimmende knopjes in zijn oren. “Waarom lossen jullie mensen het Covid-19-probleem niet op?” vraagt hij. Ik woon intussen lang genoeg in Johannesburg om te weten dat hij met ‘jullie mensen’ bedoelt: witte mensen.

“Waarom laten jullie mensen ons zo lijden. Waarom doen jullie niets?” You people: mensen als ik, afkomstig van de andere kant van de gapende economische kloof die Johannesburg in tweeën hakt. Een ravijn dat ook 26 jaar na de afschaffing van de apartheid nog altijd pijnlijk dicht langs de scheidslijn van de huidskleur loopt.

Ik antwoord dat er zowel in Zuid-Afrika als op veel andere plekken in de wereld keihard naar een oplossing voor corona wordt gezocht. Naar een medicijn. Hij knikt. “Ja, ook jullie mensen lijden aan Covid-19. Dat is nieuw, nietwaar, dat niet alleen wij Afrikanen er last van hebben, maar de hele wereld.” Hij staart me afwachtend aan.

‘Jij hebt zeker geen lekkend dak hé?’

Ik weet niet goed wat ik moet antwoorden. Dus neemt Lawrence weer het woord. “Jij woont daar zeker best comfortabel, hè?” Hij wijst in de verte, in de richting van de meest welvarende woonwijken van Johannesburg: wijken die tijdens de apartheid uitsluitend voor witte Zuid-Afrikanen waren bestemd en ook daarna, om economische redenen, relatief wit zijn gebleven. “Jij hebt daar vast geen lekkend dak, zoals ik?” Ik schud mijn hoofd. “Jij hebt daar nog wél genoeg eten, neem ik aan?” Ook dat kan ik niet ontkennen.

Lawrence heeft de smaak te pakken. “Jij kunt dus nog gewoon werken? Jij verdient zelfs tijdens de lockdown geld?” Ik knik. “En jij had al wel een beetje spaargeld, toch zeker?” Ik begin me ongemakkelijk te voelen. “Je bent met je eigen auto hiernaartoe gereden?” Het lijkt niet meer op te houden. “En de fotograaf die met je mee is ook?” Ik schud mijn hoofd. Die zat bij mij in de auto. Ik ben opgelucht dat ik eindelijk iets kan ontkrachten. “Oké, maar hij heeft er in principe wél een”, kaatst Lawrence terug.

Hij kijkt mij opnieuw lang aan, gek genoeg niet boos. Nee, hij slaat me uiteindelijk vriendschappelijk op mijn schouder – corona of niet. Hij lijkt hoogstens een beetje jaloers, maar in een soort berustende vorm. Bijna alsof het een verdienste is dat ik ooit toevallig rijk, geprivilegieerd en aan de witte kant van de kloof ben geboren.

Uitdijende metropolen bieden een groeiend deel van de wereldbevolking onderdak. Hoe houden de mensen het daar leefbaar? Trouw-correspondenten doen wekelijks verslag uit hun eigen megastad.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden