Wat die schrijvers niet allemaal uitbraken

Doorgaans wordt er luid geklaagd door academici. Werkdruk, bezuinigingen, almaar minder studenten, almaar minder studenten die nog kunnen lezen en schrijven. Geen lachje kan er meer af, bij de zwoegers die de wetenschap hoog houden. Maar zie, sinds kort hebben we nu ook een tevreden professor. Het zonnetje in duistere tijden. Rob Grootendorst is zijn naam.

De glunder spatte af van de samenvatting van zijn inaugurele rede 'Crisis in de kritiek' (Letter & Geest, 26 september). De reden voor zijn uitzinnigheid is niet eens dat hij hoogleraar is geworden in de Taalbeheersing van het Nederlands aan de Universiteit van Amsterdam. Nee, waar hij echt van geniet, dat is van de alom geconstateerde afname van de invloed die literaire critici hebben. Steeds minder wordt er geluisterd naar het geschreven oordeel over een boek, zoals gegeven door een man of vrouw met kennis van zaken en een vaardige pen.

Heel fijn, meent de professor. Dat zal ze leren, de parmantige besprekertjes van de courant. Aan de oorzaken van de crisis wijdt hij slechts enkele woorden: recensies ondervinden 'concurrentie van talkshows en interviews in de media, waarin de auteurs van nieuwe boeken - meer dan de boeken zelf - in het centrum van de belangstelling staan.'

De persoon van de schrijver kan nooit het onderwerp van een recensie zijn. De criticus heeft een boek onder handen. Te spreken van concurrentie van andere media zou alleen gerechtvaardigd zijn, wanneer er op andere plaatsen evenveel tijd en ruimte is om een oordeel over een boek te presenteren.

Die is er niet. Daarom is de literaire kritiek, hoe bedreigd ook, onvervangbaar. Alleen in recensies kan worden teruggeschreven, kan een zinnig debat zinnig worden geopend. Op de plaats in de krant die is gereserveerd voor recensies, hebben de markt en de pr-afdelingen van uitgeverijen geen invloed. Het gaat daar niet om het uiterlijk van de auteur, diens mening over van alles en nog wat, of het aantal exemplaren dat hij verkoopt. In een recensie geeft een beroepslezer een beargumenteerd oordeel over een boek, dat hij in de dagen ervoor heeft zitten lezen. Hij is een lezer als elke andere, met dit verschil dat hij als eerste zijn mening mag geven in de krant, voordat hij door een ander kan zijn beïnvloed.

Rob Grootendorst is blij dat er beduidend minder dan vroeger naar recensenten wordt geluisterd. Dat maakt ze bescheiden, zegt hij: “(De criticus) kan niet de pretentie hebben het laatste oordeel over een boek uit te spreken en ook niet de lezer ervan te overtuigen dat zijn oordeel het enig juiste oordeel is.” Maar er is op de hele wereld geen criticus te vinden die zulke dwaze pretenties heeft! Wel zijn er natuurlijk allerlei mensen jaloers op het privilege van de criticus, zomaar je mening te mogen verkondigen - terwijl vele buitenstaanders ook best een opinie hebben. Maar ja, die zijn niet zo ambitieus en zelfingenomen als die pennelikkers van de krant.

Of ze schrijven zelf als een krant. Ze denken bijvoorbeeld, net als Rob Grootendorst, dat je een recensie moet opzetten als een wetenschappelijk betoog. Dan krijg je zo'n stuk als die rede van de hooggeleerde, die ongeveer opent met: “We gaan het hebben over kritiek. Eerst maar eens kijken wat het woordenboek daar over meedeelt.” Zie dan je ogen maar eens open te houden. Alinea's lang is de kersverse hoogleraar in de weer met een definitie, de toehoorder behandelend als een debiele analfabeet. Als een moderne student, zouden Grootendorsts versomberde collega's zeggen.

Ik veerde op toen ik plotseling mijn naam in de woordenbrij ontwaarde. Arjan Peters heeft een methode, zegt Grootendorst. Nooit geweten. Ik las met verbazing, dat die veronderstelde methode-Peters eruit bestaat, dat ik uit boeken altijd ongelukkige zinnen citeer, teneinde de schrijvers ervan te kunnen neersabelen.

Grootendorst is laf genoeg om mij van deze praktijk niet te beschuldigen, want dan zou hij niet wetenschappelijk meer zijn. Derhalve poneert hij slechts dat Arjan Peters “die verdenking op zich laadt, en dat hij daar bij gelegenheid niet alleen openlijk voor uitkomt, maar er zelfs prat op gaat.”

Een leugen. Nimmer, in welk openbaar optreden ook, ga ik er prat op dat ik ergens van word verdacht. Wat Grootendorst waarschijnlijk bedoelt, is dat ik in recensies en lezingen mijn vak zo serieus neem, dat ik de stijl die schrijvers typeert, betrek in mijn beoordeling van hun boeken.

Dat heeft niks te maken met een methode-Peters. Alle goede critici doen dat. Een boek bestaat uit woorden. De schrijver kan nog zulke mooie ideeën en bedoelingen hebben gehad, maar als hij een en ander gemankeerd opschrijft, is zijn boek niet goed.

Nooit kan men mij erop betrappen, dat ik schrijvers uitsluitend zou beoordelen op een minder geslaagd zinnetje hier of daar. Pas wanneer ik mij dermate heb geërgerd aan de stijl, dat het lezen van een boek erdoor is bemoeilijkt, zie ik mij genoodzaakt de krantenlezer hiervan melding te maken. Immers, zonder stijl wel schrijvers, maar geen literatuur. De stijl komt idealiter in een recensie aan bod, zo mogelijk met sprekende voorbeelden.

Er bestaat onder critici geen overeenstemming over de criteria die zij aanleggen bij hun beoordelingen, is Grootendorsts met veldwerk onderbouwde these. Had ik hem zo ook wel kunnen vertellen. Natuurlijk zingt elk vogeltje zoals het gebekt is. Goddank is er geen consensus. Hoe meer verschillende stemmen er opklinken in de literaire kritiek, des te levendiger is de discussie die over literatuur gevoerd kan worden; een teken, dat zij ons ter harte gaat.

Maar nee, dat zie ik verkeerd. Die ontbrekende overeenstemming is juist een mene tekel. Het geeft aan, hoe willekeurig die critici maar zijn. Grootendorst: “De consumentengids die de recensent - of hij dat nu leuk vindt of niet - voor een deel is, moet het zonder de criteria stellen die de echte 'Consumentengids' wel heeft.” Wat nou weer? Eerst schijn ik een methode te hebben, en even daarna hoor ik dat ik voor een deel een consumentengids ben. Voor welk deel dan? Laat ik nu altijd gedacht hebben, uit één geheel te bestaan! En hoe kun je een consumentengids zijn, al is het dan maar voor een deel, wanneer je niet de criteria van de consumentengids bezit? Misschien kan Grootendorst zijn zin even nalezen, en deze na controle via de methode-Peters alsnog fatsoeneren, opdat wij begrijpen wat de taalbeheerser bedoelt.

Al vindt Grootendorst het een schande in je betoog te citeren, zelf ziet hij er geen been in zijn stuk op te leuken met een citaat van mijzelf (altijd goed), gevolgd door liefst vijf stuks uit het werk van Arnon Grunberg, die hij kennelijk aanziet voor de grootste cultuurfilosoof van deze era.

Grunberg vindt dat een boek verstrooiing moet bieden en spannend moet zijn. Helemaal mee eens, kraait Grootendorst.

Ja maar, daarnet deed het er nog niet toe wat iemands criteria waren, want die verschilden per persoon. Dan hoef je het daar toch niet meer over te hebben. De lezer van een goede recensie leert waarom de recensent het besproken boek wel of niet waardeert. Die lezer kan daarop zelf beslissen, of hij het met die mening eens is. Waar het om gaat, is dat hij heeft gezien, hoe je over het onderhavige boek kunt denken (dus niet: moet denken).

Dat is alles. Grootendorst beweert dat het betogende karakter van recensies problematisch is. Welnee, dat is hun enige bestaansrecht! Als de criticus niet meer hoeft te betogen, kan hij net zo goed, in plaats van voor een deel, helemaal een consumentengids worden. Het doorgeefluik, dat het verhaal navertelt en zich onthoudt van een mening. Dat betekent dan het einde van elke discussie, en de macht aan de markt. Als de consument beslist, zou de top-10 onze beste boeken moeten bieden. Wie zo denkt, beschouwt Tessa de Loo en Connie Palmen als de top-auteurs van Nederland. Mag ik, meneer Grootendorst, op mijn beurt even lachen?

Naast de onzinnige wens, dat de criticus bescheidener moet worden, spreekt Grootendorst ook nog de hoop uit, dat de schrijver wat vaker op recensies reageert. Volgens de spreker gebeurt dat zo zelden. Wat krijgen we nou weer? Je kunt geen weekblad openslaan, de radio aanzetten of de televisie, of je hoort een schrijver kwaken over die vreselijke recensenten die zijn bedoelingen weer niet hebben begrepen (daar gaat het niet om, Zwagerman, het punt is of jouw satirische bedoelingen in je roman 'Chaos en rumoer' worden waargemaakt. Quod non). De fluimen vliegen je om de oren. Zes jaar geleden wilde ik nog een archief met boze schrijvers-reacties aanleggen. Al snel had ik er mijn handen aan vol, zodat ik aan lezen nauwelijks meer toe kwam. Wat die schrijvers niet allemaal uitbraken!

Volgens Grootendorst gebeurt dit nog te weinig. Goed, één keertje heeft hij Connie Palmen tijdens een receptie op een criticus zien af stappen. Ach gut, zijn favoriete leerlingetje Palmen, die een receptie gebruikt om persoonlijke rekeningen te vereffenen. Jammer dat ik de getroffene niet was. Dan had ik hardop de vierde zin uit 'I.M.' geciteerd: “Zonder me van tevoren te waarschuwen wijkt mijn kringspier uit elkaar en ik doe het in mijn broek.” En dan had ik gezegd: Connie, als je kringspier niet uiteen wijkt, maar uit elkaar, dan is-ie ontploft. Kind, je had meteen naar het ziekenhuis gemoeten. Of wilde je de lezer met die formulering voorbereiden op de woordblubber die hem wacht op de driehonderd volgende bladzijden?

Mogen we het receptie- en borrelpraatniveau van de inaugurele rede een beetje opkrikken, als Grootendorst het me niet euvel duidt? Over dit soort nonsens hoeven we niet te palaveren. Natuurlijk kan het best aardig zijn wanneer een schrijver, in gesprek of in geschrifte, in discussie gaat met een criticus. Maar ten eerste is de schrijver meestal niet de beste beoordelaar van eigen werk (het boek is van de lezer, niet van de schrijver, zegt Harry Mulisch terecht), ten tweede zijn de scheldpartijen en verdachtmakingen die schrijvers gemeenlijk over critici uitstorten niet bepaald hoopgevend of verheffend, en ten derde moet niemand vergeten dat de criticus zijn recensie in eerste instantie niet schrijft voor de schrijver, maar voor de lezers. Voor mensen als hijzelf. Voor iedereen die niet wil worden afgeleid door de kop of de stem van de schrijver, maar die vooral van doen wil hebben met de tekst van een boek.

De criticus geeft, met zijn eerste - en dus niet laatste - oordeel een aanzet tot een gesprek, waar de krantenlezer die tot aanschaf van het besproken boek heeft besloten, ook aan deel kan nemen. Wat de schrijver van een recensie vindt, is niet van het hoogste belang - al denken zij zelf met prof. Grootendorst van wel.

Een recensent schrijft terug. Dat is een bewijs van de vitaliteit van literatuur. Als er alleen nog wordt gekwaakt over een boek, op recepties of op de tv, dan doet het boek in kwestie, de tekst, de woorden waaruit die bestaat, er allengs minder toe. Literatuurkritiek is een poging, de boeken zo serieus te nemen als de schrijvers verdienen.

Wie daar een beetje om staat te lachen, en schrijvers opjut om niet alleen aan moddergooien te doen, maar ook eens een gedisciplineerde discussie aan te gaan met hun recensenten, die heeft geen kaas gegeten van de praktijk.

Schuddebuikend stond Grootendorst twee weken geleden op de kansel. De literatuurkritiek in Nederland stelt niks meer voor. Was me dat lachen geblazen.

Nou, en ben ik even blij dat ik zelf studeerde in een tijd, waarin ik tenminste werd gestimuleerd me te ontwikkelen tot een kritisch lezer. Anders had ik de rede van Grootendorst misschien abusievelijk voor redelijk of zinnig versleten.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden