Wat de wetenschap zeker weet houdt soms op bij de grens ANTROPOLOGIE

Alle Trobrianders wisten waar de kinderen vandaan kwamen, behalve de antropoloog die hen bezocht. En hoe zeker wist die dat de Trobrianders het zeker wisten? Het debat over de relativiteit van wetenschappelijke uitspraken woedt nog altijd.

Toe maar, mompelde een enkele toehoorder, bent u nog niet tot het inzicht gekomen dat wetenschap een betrekkelijke onderneming is, die maar weinig onwrikbare wijsheden over de werkelijkheid oplevert? Wie van zulk relativeren houdt leze Vaders, sterren en hormonen, een studie waarop de antropologe Marianne de Laet eind december in Utrecht promoveerde. Aan het eind van haar betoog blozen ook de harde jongens, de fysici en chemici.

Onwetendheid schrijven wij altijd toe aan de bosjesmannen, aan de wilden die nog geen kennis maakten met de rationele verworvenheden die wij voor waar verslijten. Maar is dat 'waar' ook 'onvoorwaardelijk waar'? Bronislaw Malinowski begon er na een bezoek in de jaren twintig aan de Trobriand eilanden ten oosten van Nieuw-Guinea ernstig aan te twijfelen.

De Trobrianders leken werkelijk niet van deze wereld; in hun ogen bestond de biologische vader niet. Als dat geen wilden zijn! Toch verbaasde antropoloog Malinowski zich over de rationele lezing van Trobrianders rond de zwangerschap en geboorte. Aldus: “Wanneer iemand overlijdt, keert de geest terug naar het eiland van de doden. Na een verjongend bad in zee blijft de geest als ongeboren kind ronddrijven, tot ze zich nestelt in het lichaam van een badende vrouw.”

“Als een vrouw zwanger wil worden, pikt de geest van een van haar voorouders een geschikt geest-kind op uit zee en plaatst het op het hoofd van de vrouw. Het bloed van de vrouw stijgt op in het lichaam en op de stroom van het weer zakkende bloed daalt het geest-kind af naar de baarmoeder. Daar voedt het zich met het bloed van de moeder, die vanaf dat moment dus niet meer menstrueert.” En de vrijpartij met de man dan? Die dient uitsluitend om de weg naar buiten voor het kind vrij te maken.

Malinowski heeft zich beet laten nemen, was de reactie van collega's. Het kon die wilden, hoe primitief ook, toch niet zijn ontgaan dat van vrijen kinderen komen? Maar Malinowski droeg meer bewijzen aan voor de vreemde rationaliteit van de Trobrianders. Hun matrilineaire verwantschapssysteem bij voorbeeld: in de afstamming speelt alleen de moeder een rol, de vader doet er in het geheel niet toe.

En nog zoiets: de Trobrianders aten alleen gedomesticeerde varkens en beslist geen wilde want die zijn onrein. Maar ze lieten wilde en huisvarkens gewoon door elkaar lopen en er lustig op los paren. Desondanks mochten de nakomelingen van een 'huiszeug' zonder meer worden gegeten: omdat een wilde beer in hun ogen onmogelijk de hand in die toom biggen kon hebben gehad.

Kortom, onbevlekte ontvangenis (in de betekenis die de volksmond daaraan geeft) was voor Trobrianders een gebeurtenis van alle dagen. Nu kun je je zulke onwetendheid voorstellen in een primitieve samenleving, waarin iedereen het met iedereen doet, maar de Trobrianders waren niet zo promiscue. Kennelijk hebben ze het vaderschap gewoon anders gedefinieerd en dat kan in hun cultuur heel rationeel zijn, redeneerde Malinowski. En zo was hij volgens promovenda De Laet hard op weg om “de rationaliteit van de wilde in ere te herstellen”.

Kom nou, reageerde de antropoloog Edmund Leach. Natuurlijk weten Trobrianders van de bloemetjes en de bijen maar ze ontkennen het. Onbevaderde bevruchting is niet meer dan een dogma waarmee ze hun tradities, waarin alles om de moeder draait, in stand houden. Maar deze uitleg kon vakgenoot Melford Spiro weer niet bekoren, omdat Leach volgens hem de Trobrianders daarmee niet serieus nam. Spiro zag in de onwetendheid eerder een collectieve verdringing van de latent aanwezige kennis dat de man er aan te pas moet komen voor een kind. Alsof hij ze daarmee wel serieus nam.

Ook feministische wetenschappers lieten in de controverse een stem horen. Zij betoogden dat de heren antropologen een westers sjabloon hanteren om de kennis van Trobrianders te toetsen. En dat terwijl westerlingen niet beseffen dat zij hun waarheden over het vader- en moederschap zelf ernstig hebben afgeslankt. Welke betekenis heeft 'vader' tegenwoordig nog meer dan het louter biologische aspect van het zaadje? Het moederschap wordt al niet minder eenzijdig opgevat. Het gevolg is, dat we tijdens het formuleren van onze kennis over die wilden een vreemde cultuur onze eigen, partijdige werkelijkheid opdringen.

Hier begonnen de fundamenten van een wetenschap te kraken. Waar ging het nu eigenlijk om? De zogenaamde onwetendheid van Trobrianders en hun eigen verhaal over zwangerschap en geboorte verdwenen in de discussie naar de achtergrond. In het debat stonden nu alleen nog de totaal uiteenlopende lezingen van antropologen centraal. Wie er door de juiste bril kijkt, leek daarbij niet aan te geven.

Of bestaat de juiste bril misschien niet en moeten we concluderen dat rationaliteit in zekere zin lokaal gebonden is? In dat geval dienen we onze interpretaties van vreemde culturen per definitie met een korrel zout te nemen: die kennis is betrekkelijk.

Dat geldt, denken we, natuurlijk niet voor de harde ontdekkingen van de westerse schei- en natuurkundige. Die staan nog fier overeind. Maar ook het gevolg van Newton is nog niet van de relativerende De Laet af.

Eerst moet de antropologie het echter nog eens ontgelden. De promovenda voert het onderzoek op van de Franse etnograaf Marcel Griaule, die bij de Dogon, een volk in Mali, een verbluffende kennis van hemellichamen bespeurde. De ster Sirius gaf aan het blote oog van de Dogon geheimen prijs waar astronomen dure kijkers voor nodig hebben. Zo weten de Dogon al heel lang dat Sirius een zusterster heeft, die ruim vijftig jaar over een omloop rond Sirius doet.

Griaule heeft een rijke fantasie, schamperden zijn Britse collega's. Typisch Franse wetenschap, betoogden zij. Die maken van de flarden die ze van zo'n volk opvangen een mooi afgerond verhaal waarbij ze zelf de gaten dichten. Anders gezegd: Griaule heeft de werkelijkheid van de Dogon zelf geconstrueerd. En kennelijk doen Fransen dat anders dan Britten, wat betekent dat antropologische waarheden ophouden bij de grens.

Ook de Nederlandse Dogonkenner Wouter van Beek schoffelde de methodiek van Griaule onderuit. Van sterrenkennis heeft Van Beek dat volk nooit kunnen betichten, maar toevallig wist Griaule er zelf wel het een en ander van. Heeft hij die kennis doorgefluisterd aan de Dogon? In dat geval heeft Griaule “zijn waarheid min of meer aan zijn observaties opgedrongen”.

Dat riekt in het geval van Griaule naar manipulatie. Maar ook al houdt een antropoloog zich aan de spelregels, zijn kennis lijkt toch altijd tot stand te komen via een een-tweetje tussen hemzelf en het volk dat hij bestudeert. De wetenschapper maakt zelf onderdeel uit van zijn kennis en dat is nogal dodelijk. Absolute waarheden raken daarmee steeds verder uit het zicht. Antropologie zou eigenlijk niets meer opleveren dan naast elkaar staande verhalen waarvan nooit te achterhalen is welke meer of minder waar zijn.

Uiteindelijk blijkt ook de ogenschijnlijk solide kennis van de westerse schei- of natuurkundige niet aan zulke relativeringen te ontkomen. In hun boek Laboratory Life toonden Bruno Latour en Steve Woolgar immers aan dat zelfs harde feiten uit het laboratorium zijn geconstrueerd. Zoals het hormoon TRF, een veelgebruikte biochemische stof. Dat hormoon lijkt nu een hard gegeven, maar de chemici uit verschillende hoeken hebben jarenlang tegen elkaar moeten aanpraten om het te definiëren. Het is in zekere zin een bedenksel, maar we houden het op den duur voor dè werkelijkheid.

Wetenschappelijke feiten zijn dus constructies. Hier doemt het gevaar van een nihilistisch relativisme op, want we kunnen in het laboratorium wel van alles verzinnen. Je zou de indruk kunnen krijgen dat de werkelijkheid er voor onze kennis niet veel meer toe doet. Maar dat ziet De Laet toch anders. Latour en Woolgar willen slechts de omstandigheden belichten waarin sommige feiten uit onze kennis ooit tot stand kwamen. Die kennis kan niet zomaar alle vormen aannemen, de werkelijkheid trekt heus wel haar grenzen.

Toch levert de westerse rationaliteit hier prestige in. Wij denken altijd er het fijne van te weten, maar nu zelfs natuurwetenschappelijke feiten, zoals hormonen, blijken te berusten op een soort 'onderhandeling in het laboratorium' zou enige bescheidenheid niet misstaan. Daarbij blijft, ondanks de geruststelling van De Laet dat je met kennis heus niet alle kanten op kan, een gevoel van relativisme knagen. Wij willen zeker weten of Trobrianders een biologische vader kennen, of de Dogon werkelijk verstand hebben van Sirius en of de formule van TRF wel echt ergens op slaat.

Anders gezegd, we wensen een waarheidsgetrouwe afbeelding van de werkelijkheid, zonder gefoezel van de wetenschapper die voor die afbeelding verantwoordelijk is. Dat is teveel gevraagd, meent Woolgar. Als Malinowski over Trobrianders bericht, zit daar onvermijdelijk een deel van hemzelf in. Zo kan een antropoloog hooguit proberen om een rechtlijnige schildering van de werkelijkheid, de Dogon of de Trobrianders, te vermijden.

Hoe? Daar zijn wetenschappers nog niet goed uit. Woolgar ziet een mogelijke uitweg door als schrijvend antropoloog af te zien van het 'laatste woord'. Geef geen ondubbelzinnig beeld, schrijf een tekst die een verbrokkelde werkelijkheid belichaamt. Of zoals De Laet het verwoordt: beschrijf een wereld die uit fragmenten, twijfel en onzekerheid bestaat in plaats van de lezer het comfort te verschaffen van een afgerond verhaal.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden