Wat de museumliefhebber in Nederland moet missen

AMSTERDAM - De impuls die de gift van de Nederlandsche Bank aan het aankoopbeleid van de belangrijke musea geeft om topstukken voor hun collectie te verwerven en daarmee ook voor de zogenoemde Collectie Nederland te bewaren, roept de vraag op welke kunstwerken de grote Nederlandse musea de afgelopen periode om louter financiële redenen hebben moeten laten lopen. Op de lijst hieronder, samengesteld aan de hand van een enquête onder een elftal Nederlandse musea, komen belangrijke kunstwerken voor als het schilderij 'Couple' van Picasso (1969), Mondriaans 'Victory Boogie Woogie' (1943) en het beeld 'Jonglerende man' (1612-1615) van Adriaen de Vries.

Museum Boijmans Van Beuningen (Rotterdam) miste vorig jaar de kans om het schilderij Couple (1969) van Picasso aan te kopen. Het museum had het schilderij lange tijd in bruikleen en kreeg van de particuliere bezitter drie maanden de tijd om fondsen aan te wenden. Het werk werd voor een miljoen dollar aan een buitenlandse verzamelaar verkocht. 'Couple' was een prachtige aanvulling geweest op een vergelijkbaar werk dat Boijmans wel bezit: 'Couple' uit 1970. Ook deed het museum, dat een grote collectie surrealistische werken bezit, in 1995 in Keulen een poging om een schiderij van Miró aan te schaffen. De vraagprijs bedroeg vier miljoen gulden. Boijmans kon niet verder gaan dan twee.

Het Dordrechts Museum hoopte in 1994 het op een Londense veiling voor een kleine miljoen aangeboden vroege schilderij van Albert Cuyp, Orpheus spelend voor de dieren, te kunnen aanschaffen. Het doek werd voor 9 miljoen verkocht en schijnt inmiddels 17 miljoen waard te zijn.

In 1996 bood het museum 80 000 gulden voor De hemelse en aardse liefde van Ary Scheffer. Het doek bracht een kwart miljoen gulden op.

Het Centraal Museum (Utrecht) bood zeer recent op een veiling in New York 150 000 dollar voor Compositie, stilleven 3 (1916) van Theo van Doesburg. Het werd voor ruim het viervoudige verkocht. Op een groot stuk van de Utrechtse 17de-eeuwse meester Dirck van Baburen, Achilles bij het dode lichaam van Patrokles, werd niet geboden: vraagprijs op een Londense veiling 2,5 miljoen pond.

Dit voorjaar werd het goed in de collectie van het Van Goghmuseum (Amsterdam) passende Een bader van Paul Gauguin (1880-90) voor 4 miljoen dollar aangeboden. Het doek was ooit in bezit van Vincents broer Theo. Het museum heeft niet geboden. Hetzelfde geldt voor het landschap Spoorbrug bij Pontoise van Camille Pisarro (1873). Het moest 2 miljoen dollar opbrengen.

De evangelist Johannes (+/- 1630), een van de allerfraaiste schilderijen uit de serie evangelisten van Frans Hals, dook vorig jaar plotseling op op een Amerikaanse veiling. Met behulp van onder meer de Vereniging Rembrandt deed het Frans Halsmuseum (Haarlem) een bod dat overeenkwam met de taxatiewaarde van 1,2 miljoen gulden. Het doek werd uiteindelijk voor 5,8 miljoen door het Getty Museum naar Los Angeles gehaald. Ook een klein portret van de meester, Petrus Scriverius (+/- 1640), kon niet aangekocht worden. Het ging voor 2 miljoen naar een buitenlandse koper. Hetzelfde geldt voor een Jongensportret van Jan de Bray (+/- 1660). Het museum bood twee ton, de uiteindelijke prijs: acht ton.

Het Kröller-Müllermuseum (Otterlo) zou zijn collectie graag nog uitbreiden met een tweede Brancusi. Aangezien de gemiddelde prijs van een van zijn beelden drie miljoen gulden bedraagt, zoekt het museum er uit realiteitszin niet naar. Wel zou het museum heel graag een beeldje van Picasso aanschaffen dat vorig jaar te zien was op de expositie 'Experiment en ruimte'. Ook beelden van Modigliani en Eduardo Chillada staan op het verlanglijstje.

Stedelijk Museum De Lakenhal (Leiden) had twee jaar geleden graag meegeboden op het door de in Leiden geboren Jan Steen gemaakte schilderij Warmondse kermis. Het schilderij, dat bij Sotheby's in Londen geveild werd, verkeerde in goede staat en paste perfect in de collectie. Maar de prijs was onoverkomelijk: 4 miljoen pond. Ook werken van Gerard Dou en Arie de Vois die voor meer dan het dubbele van de richtprijs geveild werden, lagen niet binnen het bereik van het museum.

Het Mauritshuis (Den Haag) besloot begin dit jaar samen met het Rijksmuseum te bieden op Portret van Andries Stilte als vaandeldrager van Johannes Cornelisz Verspronck (1640). De musea brachten met onder meer steun van de Vereniging Rembrandt de geschatte veilingprijs (Sotheby's New York, 2 miljoen gulden) nog op, maar zagen het voor 3,3 miljoen gulden naar de National Gallery te Washington gaan.

Het Mauritshuis toonde ook belangstelling voor De evangelist Johannes van Frans Hals (zie Halsmuseum) en een doek van Jan van de Capelle. Het laatste werk werd voor 18 miljoen gulden verkocht aan het Cardiff Museum in Wales.

In Arnhem kreeg het Museum voor Moderne Kunst Arnhem vorig jaar via de handel acht werken van de Utrechtse magisch-realistische schilder Johannes Hendrikus Moesman aangeboden. Ze konden de (voor de pers onbekend gehouden) prijs niet betalen. Hetzelfde geldt voor een sculptuur van de maker van het monument op de Dam John Rüdeker. Wel lukte het om met behulp van de Mondriaanstichting en het Prins Bernhardfonds een belangrijk werk van Carel Willink - Château en Espagne, 1939 - aan te schaffen. Het werk mag van de genereuze bezitter (die de prijs relatief zeer laag hield) in vijf termijnen worden betaald.

Het Rijksmuseum (Amsterdam) heeft relatief weinig te klagen. Zo kocht het vorig jaar nog twee belangrijke werken van respectievelijk Jacob Jordaens en Karel Dujardin. Toch grijpt ook Nederlandse grootste museum wel eens naast een belangrijk werk, zoals het beeld Jonglerende man (1612-15) van de Nederlandse beeldhouwer Adriaen de Vries. In 1990 werd het door het Getty Museum in Los Angeles gekocht voor 20 miljoen gulden. Onbetaalbaar. Ook het 17de-eeuwse schilderij De pest van Michiel Sweers was dat: voor 7 miljoen ging het eveneens naar L.A., nu naar het County Museum. Een met Het Mauritshuis uitgebracht bod op een portret van Verspronck (zie hierboven) leverde evenmin iets op.

Het Amsterdamse Stedelijk Museum ten slotte, zou graag een paar werken van Joseph Beuys aan zijn collectie toevoegen evenals Das Meer van Arnold Rainer, dat nu in bruikleen gegeven is. Actueel is de vraag naar Mondriaans bekende schilderij Victory Boogie Woogie (1943). Het doek werd vorig jaar in New York voor 34 miljoen gulden geveild. Aardig is dat het doek gisteren werd genoemd als een van de werken waar de Stichting Nationaal Fonds Kunstbezit haar eerste zinnen op zou kunnen zetten. De voorzitter van de stichting, mr. J. M. Boll, bevestigde dat het werk 'van eminent belang' is voor het Nederlandse kunsterfgoed. Een probleempje voor het Stedelijk Museum zou kunnen zijn, dat niet dit museum maar het Haagse Gemeentemuseum als ideale plek voor de Mondriaan wordt genoemd.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden