Wat buiten ons ligt

Caspar claasen maakt foto's die de verbeelding prikkelen - ook die van schrijfster maartje wortel. in deze reeks vertelt zij één van de talloze verhalen die de foto in zich draagt.

Kijk nu naar buiten', sms'te ze me dikwijls. Meestal keek ik op zo'n moment al naar buiten; terwijl sommige types onafgebroken naar een scherm staarden, was het raam mijn verslaving; ik kreeg nooit genoeg van de luchten boven de stad, boven de rivier. Daarom had ik ook geen gordijnen opgehangen, zodat ik het 's avonds (meestal sneller dan verwacht) nacht kon zien worden, en op heldere avonden vallende sterren en satellieten kon zien. Mijn bed en mijn bureau stonden tegen een enorm raamwerk op de achtste verdieping van een appartementencomplex in de Rotterdamse haven. Ik had dat appartement voor weinig geld gekocht, in de tijd dat het er nog louche was. Dat was tenminste wat de mensen ervan dachten als ze het gebied niet kenden.

De arbeiders in de haven werkten vooral 's nachts. De nacht was volgens de meesten voor de losers en de drinkers, voor de zondigen, de hoeren en de gekken. De nacht was er voor de mensen die overdag nergens een plek hadden kunnen vinden, de outcasts. Normale mensen werkten overdag, ze waren bang voor de nacht, voor momenten waarop het onoverzichtelijk werd, wanneer je op je intuïtie moest varen. De havenarbeiders niet. Ik niet. En zij ook niet. Ze was, katten uitgezonderd, voor niets bang. Het grappige was, als het nacht was, sliep zij, dwars door het donker heen.

Ze vertelde me enkele keren per week haar dromen, altijd via de telefoon. Ze hield van bellen en zei dat niemand - geen enkel mens -in dromen geïnteresseerd was. Dat vond ik om allerlei redenen verontrustend klinken. Daarom, en omdat ik haar stem zo mooi vond, luisterde ik naar haar dromen, die vaak over wasberen gingen, maar nog vaker over een vorm van naaktheid, seks op het balkon, in het bos of op de motorkap. Ze schaamde zich nooit voor haar dromen: 'dan kun je je net zo goed schamen voor de regen en de wolken of de grond onder je voeten'.

En ik dacht dat ik daar wat van kon leren, want ik schaamde me inderdaad voor de regen en de wolken; ik schaamde me zelfs wanneer ik een banaan moest afwegen in de supermarkt. Ik kwam haar, daarover gesproken, voor het eerst tegen in die supermarkt. Ze had me aangezien voor een ander, me meer dan enthousiast begroet. Omdat ik vaak gezichten vergeet had ik haar zo vriendelijk mogelijk teruggegroet.

"O, sorry", zei ze toen ik mijn hand omlaag bracht. "Ik dacht dat ik je kende." Klaarblijkelijk twijfelde ze nog steeds, want ze voegde eraan toe: "Ben jij er niet één van een tweeling?"

Ik heb een vriendin die iedere dag wel voor iemand anders wordt aangezien. Zo ben ik niet. Van mij was er, zo veronderstelde ik, maar één.

"Niet dat ik weet", zei ik.

"Sorry", herhaalde ze, terwijl ze ondertussen achteloos een tros bananen in haar tas liet glijden. "Ik heb je voor iemand anders aangezien."

Even dacht ik: ze steelt niet alleen bananen, maar ook mijn identiteit.

"Ik word nooit voor iemand anders aangezien", zei ik.

"Oh", zei ze. En ze nam me zorgvuldig in zich op, alsof ik iets was wat ze had gevonden op straat. Alsof ze toen al wist dat ze me mocht houden; dat ik iemand was die voorlopig in haar buurt zou zijn, omdat ze iets in me had herkend.

Die vrouw uit de supermarkt en ik, we kenden elkaar uiteindelijk nergens van. Toch werden we die dag vrienden, misschien dankzij die derde persoon, die ons op een onzichtbare manier met elkaar verbond. En nu kunnen we zeggen dat we elkaar kennen van een klein misverstand, de bananen en de dromen.

'Kijk je nu naar buiten?', sms'te ze.

Ze was zo iemand die in alles een teken zag. Ze had me verteld over de liefde van haar leven; een getrouwde man die in alle opzichten haar gelijke was. Ze zei dat ze elkaar maar kort hadden gekend, in fysiek opzicht dan. Want, zei ze, ze zou nooit iemand beter of intiemer kennen dan hij. Hun levens hadden elkaar gekruist, hadden elkaar op een bepaald punt geraakt. Niet zomaar, zei ze. Ze wilde er verder niet al te veel over kwijt, want dat vond ze te pijnlijk. Ze dacht zo ongeveer iedere minuut van de dag aan hem. Hij is overal, zei ze. Hij is er nooit niet.

Dat leek me fijn en bovenal iets waar de meeste mensen alleen maar van konden dromen. Maar, zei ze, dat lijkt mooier dan het is. Het is zoals de lucht: die is er altijd, maar wanneer je ernaar grijpt, grijp je naar niets.

'Kijk naar buiten.'

Ik zag de strepen in de lucht en wist dat zij dacht dat zij en die man allebei een andere kant op waren gegaan, en ook al geloof ik niet in tekens: mij ontroerde dit kruis om een andere reden, deze levensgrote boodschap in de lucht, speciaal voor haar.

'X', sms'te ik snel terug, voor het teken zou worden uitgewist. Het was iets wat verdween, maar ook iets wat bestond. Als zij dat was vergeten, onthield ik het wel voor haar, desnoods buiten haar om.

één beeld, 1000 woorden

undefined

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden