... was daar die 'Verwoeste Stad'

Het was precies om vijf uur die 15de mei 1953 dat mevrouw Van Walsum-Quispel het doek wegtrok van de 'Verwoeste Stad', op de dam aan de kop van de Rotterdamse Leuvehaven. Het veel geroemde en in die tijd hier en daar omstreden beeld van de in Wit-Rusland geboren Ossip Zadkine (1890-1967) was onthuld. Onder leiding van kapitein Gijsbrecht Nieuwland zette het Korps der Mariniers een deuntje in. 'Dit beeld brengt tot uitdrukking wat wij allen op de 14de mei (1940, de dag van het Duitse bombardement op Rotterdam, red) hebben beleefd', werd in de toespraak gezegd.

Het beeld de 'Verwoeste Stad' maakte destijds heel wat emoties los. Hevige discussies werden gevoerd in de krantenkolommen. De meningen waren overwegend positief. Maar er waren ook twijfels. Volkskrant-criticus Gabriël Smit loofde de kracht van het beeld, wilde de grootsheid van het beeld niet ontkennen, maar vroeg zich wel af of 'met dit beeld wel wordt voldaan aan de verlangens die in de Maasstad leven'. In de NRC (toen nog zonder Handelsblad) stond een ingezonden brief van een niet meer te achterhalen schrijver. Hij wees op de nuchterheid, zakelijkheid en efficiëntie van de Rotterdammers. Het beeld voldeed niet aan de geest van het verzet in de Maasstad, het wist niet 'van het verzwegen leed en van die taaie wil om te overleven. Het is niet geboren uit dit leed en deze moedig gedragen ellende. Het schreeuwt, het is theatraal. Het is niet Rotterdams. Het is mogelijk dat een aantal begaafde kunstenaars het bewonderen. Maar het zegt ons Rotterdammmers van laag tot hoog niets. Het hoort misschien in München, maar niet bij ons.'

Zadkine zelf schreef eerder in het Vrije Volk van 20 april 1951 een open brief aan de Rotterdammers, waarin hij verwoordt wat hem bracht tot dit monument, algemeen gezien als hét meesterwerk van de kunstenaar. 'Toen ik 15 jaar was zag ik voor het eerst de stad Rotterdam, en vooral de straten rondom haar prachtige haven.' Vader Zadkine voelde er niets voor dat zoonlief zou gaan beeldhouwen en stuurde hem als 19-jarige in 1909 naar Schotland om daar goede manieren en de Engelse taal te leren. De jonge Ossip ging via Rotterdam en viel in deze stad van de ene in de andere verbazing: 'Met de wellust der jeugd dook ik te Rotterdam aangekomen in het licht, het lawaai en de tingel-tangelmuziek van de cafés'. Het verblijf duurde niet lang, het schip ging verder en voerde Ossip 'in de mist en de verdrietige stemmingen van Schotland'.

Jaren later keerde Zadkine terug in zijn geliefde Rotterdam. Zijn vriend Jaap de Graaf, kunstliefhebber -en verzamelaar- toonde hem zijn stad, nam hem mee naar de eilanden en naar Overflakkee waar hij een villa had. Zadkine vertelt over dit Rotterdam van 1938, twee jaar voor de oorlog. ,,De stad ontplooide haar leven van grote haven. Zij leek op een reusachtige mierenhoop, dag en nacht in nooit aflatende ijver bezig met het aanslepen en optasten van haar schatten uit vreemde landen. De stad rook naar peper en foelie, naar tabak en Havana-sigaren, naar suikerriet en witte rum. Ik bedwelmde mij aan haar geuren en dwaalde rond als een beschonkene, gekweld en overweldigd. Ik kwam in de straatjes met de helverlichte en lawaaierige cafés, waar vele mensen met vele talen doorheen woelden. Ik zag in de gezichten en de bewegingen een brandende zon.''

Het was volgens Zadkine een fantastische luchtspiegeling, in tweeën gedeeld door de Maas... en ook de laatste weerspiegeling van Europa van vóór 1940. Rotterdam werd op 14 mei 1940 platgebombardeerd door Duitse bommenwerpers om het verzet in de stad te breken. Er vielen naar schatting 900 doden, 24000 woningen werden verwoest, winkels, fabrieken, cafés en scholen moesten het ontgelden. Zeker 80000 mensen raakten dakloos.

Zadkine zelf -hij had een joodse vader- was vanuit Frankrijk voor de Duitsers gevlucht, via Spanje en Portugal naar het verre Amerika. Daar voelde hij zich nimmer thuis, raakte er zijn inspiratie kwijt. Bij zijn terugkeer in Europa in 1945 was het moeilijk weer op gang te komen.

Teruggekomen in 1946 in Rotterdam was Zadkine totaal overrompeld toen hij uit de trein keek. 'Door Rotterdam rijdend zag ik uit het coupé-raam een vreemd, onwerkelijk schouwspel. Van het station af strekte zich een onmetelijke woestenij uit, zover de blik reikte. Plassen vuil, bedorven en groenachtig water wisselden af met vlakten, waar kwaadaardige naamloze kruiden zich plooiden in de wind. Het was alsof mij een film ontrold werd, een verbijsterende film over de morgen na de ramp, die mijn eigen nood van die zes jaren mij had doen vergeten', schrijft hij. 'Een zwart geblakerde en opengescheurde kerk rees daar omhoog als de kies van een voorhistorisch dier, door een vulkaan uitgespuwd. Wat ik zag zou me niet meer met rust laten, ik praatte er voortdurend over, alsof ik zelf aan deze grote vernietiging was ontkomen.'

In Parijs was Zadkine zijn atelier kwijtgeraakt, hij vluchtte naar het platteland. 'Daar modelleerde ik uit de leem van het land, rood als bloed, op een morgen, een zestig centimeter hoge figuur, de eerste echo van wat ik gevoeld had bij het zien van de Rotterdamse verwoesting. Een menselijke gestalte, tegelijk uitdrukkend de schrik en de woede, de armen heffend naar de hemel in een vreselijke kreet uit zijn geschonden, doorboorde vlees.'

Deze eerste poging van de 'Verwoeste Stad' stuurde hij naar een tentoonstelling die de Fransen in München en Berlijn hadden georganiseerd. Hij kreeg het kleinood nooit terug. 'Ze werd door stuntelige of kwaadwillige handen in twintig stukken gebroken en vergaat ergens in Duitsland als zoveel andere slachtoffers.'

Zadkine keerde terug in zijn oude Parijse atelier, de herinnering aan Rotterdam spookte nog steeds in zijn hoofd. Hij maakte weer een ontwerp voor de 'Verwoeste stad'. Zonder die titel stond het tentoongesteld op de grote Zadkine-tentoonstelling in het Paleis voor Schone Kunsten in Brussel. Later ging het naar het beeldenpark Sonsbeek in Arnhem en het Stedelijk Museum in Amsterdam. Het beeldhouwwerk maakte grote indruk en het idee ontstond er een monument voor Rotterdam van te laten maken. Een onbekende sponsor bood zich aan, naar later bleek het warenhuis De Bijenkorf.

Wat wil het beeld in de ogen van de beeldhouwer uitdrukken? Zadkine: 'Het wil vastleggen het onmenselijk lijden opgedrongen aan een Nederlandse stad, die niets wilde dan leven en voortgroeien als een woud, als een geschenk van God. Een schreeuw van afgrijzen om het menselijk monster, dat het beulswerk uitdacht teneinde zijn broeders te laten boeten voor een misdaad die zij niet begingen.'

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden