Warenhuisperikelen

V&D vecht voor overleven. De laatste vestiging van het eerste Nederlandse warenhuis, de spreekwoordelijk geworden winkel van Sinkel, sloot ruim honderd jaar geleden al haar deuren.

Warenhuizen maakten een ongekende begeerte los bij hun klanten. In zijn winkelroman 'In het paradijs voor de vrouw' (1883) voorzag de Franse schrijver Émile Zola in wezen al kooporgies als de Drie Dwaze Dagen van de Bijenkorf. Hij zag hoe het publiek zich verlekkerde aan de aangeboden producten in de nieuwe kooppaleizen die juist in die tijd hun deuren openden in grote Europese steden. Zola schreef: 'Vrouwen, bleek van begeerte, bogen zich voorover om zich erin te bekijken. Allen bleven voor deze losgebroken vloed staan in de heimelijke vrees door een dergelijke overstroming van weelde te worden gegrepen, en in de onweerstaanbare lust zich erin te werpen en erin verloren te gaan.'

De warenhuizen waren herauten van de moderne tijd. Tegenover de grijze degelijkheid van de bestaande middenstand zetten zij het spektakel: verleidelijke etalages, verschillende verdiepingen winkeloppervlak, een doorkijk van onder naar boven, liefst met een fraaie koepel op het dak, een zee van licht. Doorsneeburgers waanden zich even in een paleis. Tegenover de kleine ondernemer die vanachter de toonbank tevoorschijn haalde wat de klant wenste en met wie over de prijs te praten viel, kwam de concurrentie te staan van nieuwerwetse winkels met massa-aanbod tegen een vaste, lage prijs.

Nederland liep aanvankelijk wat achter de ontwikkelingen aan. Ondernemers keken de kat uit de boom. Zat een calvinistische consument wel te wachten op zoveel overdaad?

Uiteindelijk kon de winkelinnovatie ook hier niet uitblijven. Opvallend genoeg waren veel van de sleutelfiguren die deze ontwikkeling mee in gang zetten van Duitse komaf: Dreesmann, Clemens & August (C&A), Brenninkmeijer, Peek & Cloppenburg, Kreymborg, Lampe, Voss, Hoying, Schunck.

Ook de absolute pionier in Nederland, Anton Sinkel, was geboren in Duitsland. Na als marskramer de kost te hebben verdiend, begon hij als midden-dertiger in 1820 een manufacturenzaak op de Nieuwendijk in Amsterdam. Kennelijk had de ondernemer rondreizend een goed gevoel ontwikkeld voor de behoeften van de klant, want de zaken gingen al snel zo goed dat hij in dezelfde straat, op het Damrak en in de Kalverstraat verscheidene andere zaken opende: voor katoen, woninginrichting, lakens en mannenkleding.

In 1824 kocht Sinkel een pand aan de Oudegracht in Utrecht. In de jaren daarna volgden zaken in Rotterdam, Leeuwarden en Leiden. Het begon nu op een serieuze winkelketen te lijken.

Nog was de honger van de ondernemer niet gestild. Hij kocht buitenplaats De Hoorneboeg in Hilversum en daarna nog aanpalende gronden. Met het landgoed dat hij Hilveroord noemde, toonde Sinkel zijn welstand. In Utrecht sloot hij ook deals met de buren van zijn winkels. De panden gingen uiteindelijk tegen de grond voor de realisatie van zijn gedroomde winkel. De bouw begon in 1837. In 1839 stond in het hart van de Domstad een zaak zoals Nederland er nog nooit een gezien had.

Architect Pieter Adams ontwierp een gebouw dat met zijn neoclassicistische stijlkenmerken een voor de polder ongekende grandeur uitstraalde. Zuilen, pilasters, balustraden en kroonlijsten maakten van winkelen een belevenis. De absolute blikvangers waren de kariatiden, grote gietijzeren vrouwenfiguren die delen van het gebouw leken te dragen. Iets van de indruk die het warenhuis maakte is terug te vinden in het jubelende verslag van een journalist van de Avondbode: 'Welk eene stoute ordonnantie, en elegance en welberekende uitwerking, tot zelfs in de kleinste deelen!'

Het bedrijf prees zich in advertenties nog altijd aan als 'Magazijn voor manufacturen'. Het assortiment, deels te bewonderen in uitstalkasten, was ondertussen - zeker in Utrecht - groot: karpetten, meubels, kleding, lingerie, broderie, lingerie, postzegels of vingerhoedjes. Je kon het zo gek niet bedenken of het werd aangeboden. Een slim bedacht versje moest de klant overtuigen: 'In de winkel van Sinkel / Is alles te koop / Daar kan men krijgen: / Mandjes met vijgen, / Doosjes Pommade, / Flesjes Orangeade, / Hoeden en petten, / En Damescorsetten. / Drop om te snoepen / En pillen om te ....'

Sinkel overleed in 1848. Hij liet zijn onderneming na aan een driemanschap, waarvan twee leden na niet al te lange tijd het leven lieten. Uiteindelijk delfde de Firma A. Sinkel het onderspit in de concurrentieslag met andere Nederlandse warenhuizen. Het prestigieuze pand in Utrecht werd in 1898 verkocht aan een bank. In 1912 sloot de laatste van Sinkels zaken.

Het fijn rijmende 'winkel van Sinkel' behoedde het bedrijf voor de vergetelheid. Het warenhuis werd spreekwoordelijk. Ook een culinair en cultureel warenhuis op de oude locatie in het centrum van Utrecht houdt sinds enige jaren de naam in ere.

undefined

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden