... waren zaaltjes voor Colijn niet nodig

Met de komst van een minister voor Bestuurlijke Vernieuwing lijkt een herbezinning op het districtenstelsel aanstaande. Tot 1917 werden de leden van de Tweede Kamer per kiesdistrict gekozen en zette elke partij, voor zover zij zichzelf goede kansen toedichtte, soms 'zware' kandidaten in.

Zo'n verkiezingscampagne, waar niet zelden rake klappen vielen en 'warme hoofden en koude harten werden achtergelaten' (P.A. Diepenhorst), was dikwijls heftig en verhit, maar bovenal bijzonder levendig. Juist het feit dat elke kandidaat zich in dit tv-loze tijdperk persoonlijk kwam presenteren, schiep een band tussen kiezer en gekozene.

Dat er evenwel uitersten waren, bewijzen de voorbeelden van twee prominente antirevolutionairen. Voordat Theo Heemskerk en Hendrikus Colijn ooit tot het minister-presidentschap werden geroepen, hadden ook zij zitting in de Tweede Kamer. Maar waar Heemskerk, in navolging van de meeste van zijn collega-Kamerleden, zijn zetel echt moest 'veroveren', hoefde Colijn nauwelijks in actie te komen.

Toen in 1893 een nieuwe afgevaardigde voor het district Harlingen moest worden gekozen, stelden de radicaal Treub (de latere minister), de liberaal Bouman, de SDAP'er Poutsma (die op dat moment een gevangenisstraf uitzat en dus nauwelijks kans maakte) en Heemskerk namens de antirevolutionairen zich kandidaat. De laatste reisde vanuit Amsterdam, waar hij behalve advocaat ook raadslid was, een aantal malen naar Friesland voor debatavonden met zijn tegenstanders.

Treub en Bouman hadden het daarbij vooral op elkaar gemunt, zodat Heemskerk (wiens redenaarstalent al sinds zijn Leidse studententijd vermaard was) het tijdens de debatten in onder meer Harlingen, Bolsward en Workum niet erg moeilijk had. De allerminst a.r.-gezinde Leeuwarder Courant gaf dan ook toe: 'Door den heer Heemskerk werden de verschillende sprekers met eene dikwijls vermakelijke gevatheid beantwoord en men beklaagde zich niet bijna vier uren te hebben doorgebracht in een drukkende atmosfeer; het was een leerzame avond.' Ook op andere avonden waren de atmosferische omstandigheden allesbehalve ideaal, maar overal werd het publiek verrast op 'eene flinke improvisatie, somtijds uitblinkende door geestigheid. (..) 's Nachts half één eindigde spreker.'

Succes op de verkiezingsdag leek voor Heemskerk verzekerd, maar tegenstand kwam plotseling uit de eigen gelederen, waar de naweeën van de scheuring in de Nederlandse Hervormde kerk van 1886 (Doleantie) nog niet waren uitgewerkt. Hervormde antirevolutionairen gaven geloofsgenoten de dringende raad niet op de gereformeerde Heemskerk, maar op een eigen (hervormde) kandidaat, De Vries, te stemmen.

De Vries distantieerde zich onmiddellijk van het initiatief ('Ondergeteekende verzoekt ernstig allen Hervormden op e.k. Dinsdag te stemmen zijn vriend en geestverwant den heer Mr. Th. Heemskerk'), Abraham Kuyper deed in De Standaard nog een klemmend beroep op zijn Friese partijgenoten, maar bij bekendmaking van de uitslag bleek Heemskerk 15 stemmen voor de in een eerste verkiezingsronde vereiste absolute meerderheid tekort te komen. Daarbij waren nog 86 stemmen op de niet-gekandideerde De Vries uitgebracht, stemmen die Heemskerk aan de eindoverwinning hadden kunnen helpen!

Bij de herstemming veertien dagen later tussen de twee sterkste kandidaten, Heemskerk en Bouman, appelleerde de invloedrijke dr. A.W. Bronsveld opnieuw aan gevoeligheden bij de hervormde kiezers: 'Kiest wat ge wilt, maar in geen geval een doleerende.' Heemskerk won daardoor slechts nipt voor Bouman: 1366 tegen 1310 stemmen.

Hoe anders verliep Colijns 'verkiezingscampagne', zestien jaar later in juni 1909. Zijn eerste toespraak in het kiesdictrict waarin hij was gekozen (Sneek), hield hij echter pas in januari 1910! Hoe was dat mogelijk?

Tijdens zijn verblijf in Indië was Colijn, inmiddels adjudant van gouverneur-generaal Van Heutsz, een keer voor overleg in Nederland geweest. Toen, in 1904, had hij met de AR-coryfeeën Kuyper en Idenburg gesproken die in Colijn - terecht - een geestverwant zagen. Zij vroegen hem dan ook een Kamerkandidatuur te willen aanvaarden, maar daarop ging Colijn niet in.

Een jaar voor de reguliere verkiezingen van 1909 waagde de top van de ARP een nieuwe poging, maar ook die leek vergeefs, want ,,in algemeenen zin genomen is mijn neiging om aan de actieve politiek mee te doen sinds dien (1904) niet versterkt, wél afgenomen'', schreef Colijn vanuit Indië. Daarnaast telde voor hem het financiële aspect mee (hij moest als Kamerlid een flinke stap terugdoen), maar aan het einde van zijn brief zette hij toch de deur op een kier: ,,... indien ik in het parlementaire leven een roeping mocht onderkennen, dan zal ik zonder om te zien mij gewillig voegen in gehoorzaamheid aan Gods weg.''

Kuyper c.s. oefende vervolgens zoveel pressie op Colijn uit, dat deze uiteindelijk in een kandidaatstelling toestemde. Eén voorwaarde stelde hij wel: hij weigerde om naar Nederland te komen om persoonlijk campagne te voeren. Twee a.r.-kiesverenigingen, in Gouda en Sneek, durfden het aan 'den Heer H. Colijn te Buitenzorg', zonder ooit met hem te hebben gesproken, te kandideren. Maar wie zou op een volslagen onbekende kandidaat stemmen?

Kuyper trok in De Standaard alle registers van zijn overredingskracht open: ,,Die vreeze zouden we wel koesteren bij een man van lager rang; maar bij een man van den eersten rang als Colijn is zulk een vreeze geheel denkbeeldig.'' En ook het geestverwante Friesch Dagblad liet zich niet onbetuigd: ,,Wij hebben Colijn noodig. Wij kunnen hem onmogelijk missen. Laat Sneek hem dan in de Kamer brengen en met eere in de Kamer brengen.''

In Gouda redde Colijn het niet, maar in Sneek was zijn overwinning indrukwekkend. 930 kiezers gaven hun stem aan de sociaal-democraat Van Wijhe, 1070 personen kozen voor Zelverder (liberalen) en maar liefst 3833 kiesgerechtigden vulden het hokje voor Colijns naam met het rode potlood in. Uit het proces-verbaal van de verkiezingsuitslag valt op te maken dat Colijn in plaatsen als Oudega (Colijn 278, Van Wijhe 10, Zelverder 8 stemmen) en Mirns (resp. 113, 6 en 8) zijn tegenstanders haast verpulverde.

In zijn bijdrage aan een Colijn-bundel tekent Herman Langeveld fijntjes aan dat Colijn vervolgens 'allerminst haast (maakte) om zijn werkzaamheden als Kamerlid aan te vatten.' Op een van zijn laatste Indische dienstreizen leed hij bovendien nog schipbreuk, voordat hij gerepatrieerd werd. In november 1909 volgde zijn beëdiging als Kamerlid en, zoals gezegd, pas in januari 1910 kwam hij naar Sneek om 'in een goed bezette' schouwburg Amicitia een eerste spreekbeurt in 'zijn' kiesdistrict te houden - een district dat hij op wel heel speciale manier had 'veroverd'.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden