...waren al die Duitsers dom

Het waren hevige debatten die in 1849 werden gevoerd in de Tweede Kamer. De eerste Vreemdelingenwet stond ter discussie. Nederland zat in die tijd economisch gezien in de put, er heerste armoede en grote werkloosheid. Voor de komst van nog meer 'vreemde bedelaars en onruststokers' werd gevreesd. Vooral de Duitse immigranten (60 procent van alle buitenlanders in Nederland) moesten het ontgelden.

Op verschillende plaatsen (Parijs, Berlijn, Wenen) waren in het Europa van 1848 revoluties aan de gang. Gevreesd werd voor de komst van hongerige opgehitste volksmassa's naar Nederland. Een demonstratie op de Amsterdamse Dam op 24 maart van dat jaar van enkele duizenden mensen, onder wie veel Duitse ambachtslieden, was voor de regering een directe aanleiding om een wetsvoorstel over de toelating van vreemdelingen in te dienen.

Een groep jongeren, belust op een lekkere rel, trok in de marge van die demonstratie plunderend door de Amsterdamse binnenstad. Op verschillende plaatsen werden ruiten ingegooid. Als de revolutie maar niet overslaat naar ons landje, werd gedacht in Den Haag. Paal en perk moest worden gesteld aan de komst van die verkeerde sujetten, vooral afkomstig uit het oosten. Hoofddoel van deze eerste vreemdelingenwet was om armoedzaaiers te weren, bemiddelde buitenlanders werd geen strobreed in de weg gelegd.

Het Kamerlid Godefroi (namens Amsterdam) toonde zich uiterst bezorgd in het Kamerdebat dat maar liefst vier dagen duurde: ,,Ik wil geene gastvrijheid, waardoor Nederland een toevlugtsoord zou worden voor de woelzieken en onruststokers, die andere landen uitwerpen, - een algemeen armengesticht voor de behoeftigen, de bedelaars, de landloopers van alle oorden der wereld.''

En Kamerlid Van Zuijlen van Nijvelt (namens Gelderland) wees er nog eens fijntjes op hoe buurlanden veel strenger optraden tegen die immigranten: ,,Is men dan vergeten hoe naburige regeringen de behoeftigen, van hier verdreven, weigeren te ontvangen, hoe dikwerf, na uren of dagen reizen, de teruggedreven vreemdeling opnieuw ons grondgebied betreedt om daar voortdurend tot last onzer armenkassen te strekken?''

Het waren vooral de Duitse immigranten die zo'n last veroorzaakten, meenden de meeste kamerleden. Afgevaardigde Hengst wees op de gevaren voor de Nederlandse burger: ,,Hij ziet den vreemdeling het brood eten, waarop hij als Nederlander aanspraak had; door het uitputten der armenfondsen, wordt hij in eenen poel van ongelukken gestort en moedeloos staart hij op de toekomst.''

Het ging sommige kamerleden allemaal wat te ver. Die Duitse immigranten waren immers ook goedkope arbeidskrachten die een voordeel waren voor de Nederlandse economie. Deden zij immers niet het werk dat de Nederlanders zelf niet wilden verrichten? Godefroi prees de grasmaaiers, de turfgravers en land- en fabrieksarbeiders. Hen moest niets in de weg worden gelegd. Maar er was geen plaats voor bedelaars en immigranten met andere motieven, socialisten bijvoorbeeld 'die bij verdeeling van goederen slechts kunnen winnen; woelgeesten, die voordeel zoeken in omverwerping van den Staat', zoals kamerlid Costerus zei.

De wet werd aangenomen, alle immigranten moesten in het vervolg een reis- en verblijfspas aanvragen, en die elke drie maanden verlengen. Maar de wet werd naderhand op grote schaal ontdoken, immigranten hadden vaak niet de lust om na drie maanden opnieuw zoveel moeite te doen om hun verblijfsvergunning te verlengen. Veel immigranten bleven daardoor 'illegaal' in Nederland. En uitzetting van die 'illegalen' kwam in die tijd bijna niet voor.

De Nederlanders hebben nooit een echt positief beeld gehad van de Duitsers die naar Nederland kwamen. Ze waren dom, arm, of ze stonken. Westfaals bijvoorbeeld stond voor plomp en bedrieglijk, Pruisisch voor streng en somber. De Duitsers werden poepen genoemd, (naar de seizoenarbeiders op het platteland), en over hen werden veel poepenmoppen verteld, vergelijkbaar met de latere Belgenmoppen. De zuiderburen hebben geruisloos de rol van dommerik van de Duitsers overgenomen.

De schrijver Justus van Maurik liet een knecht over Duitsers zeggen: ,,'t waren eigenlijk nog niet helemaal menschen, ik heb ze altijd voor een soort halfgare kaffers gehouden. Grooter uilen bestonden er niet, dom als 't achterend van een varken...''

Ook de naam moffen werd gebruikt, maar had in de negentiende eeuw een heel andere lading dan later tijdens en na de Tweede Wereldoorlog. In de zeventiende eeuw was het nog negatief bedoeld voor Duitse soldaten. Het kwam van het Duitse muff, iemand die moppert, onbeleefd en weinig spraakzaam is. Maar in 1913 schreef een redacteur van het Woordenboek der Nederlandse Taal dat het woord mof niets minachtends meer inhoudt. Tegenwoordig wordt het nauwelijks meer gebruikt wegens de te negatieve lading die het woord in de oorlogsjaren heeft gekregen.

De Duitse immigranten zelf hebben zich niet prettig gevoeld met de beeldvorming in Nederland. Voor hen was het zaak dat zij zich zo snel mogelijk aanpasten, hun eigen identiteit gingen ontkennen. En dat ging hen uiteindelijk vrij gemakkelijk af, ze werden zonder al te grote problemen in de Nederlandse samenleving opgenomen.

Hun invloed op de Nederlandse samenleving is groot geweest, hun namen zijn overal terug te vinden. Denk maar aan de middenstand, de winkel van Sinkel in Utrecht, Kreymborg, Hunkemöller, Peek en Cloppenburg. Het is allemaal Duits wat de klok slaat. Van bovengistend bier tot turnen, van kellner tot kerstboom, van de boterhamworst tot C & A. Maar hun nakomelingen maken daar weinig ophef over. De Tweede Wereldoorlog maakte er definitief een einde aan om nog trots te zijn op de voorouders die al dan niet als berooide immigranten naar Nederland kwamen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden