Wanneer zeg je: nu ben ik klaar?

Filosoof Coen Simon vraagt zich aan het einde van het jaar af hoe je een tekening afmaakt, of een boek. 'De ellende begint pas als je denkt klaar te zijn.'

Coen Simon (Eerbeek, 1972) studeerde wijsbegeerte. Met 'En toen wisten we alles', won hij de Socrates Wisselbeker voor het beste filosofische boek van 2011.

De sterkste herinnering die ik heb aan de troonswisseling in 1980 is de stoepkrijtwedstrijd op de parkeerplaats van het bejaardenhuis tegenover onze lagere school. Na afloop ging de voltallige jury op mijn tekening staan om de winnende tekening, toevallig het kunstwerk naast het mijne, aan te wijzen. Als ik eraan terugdenk, zie ik hoe ik verbeten mijn tranen bedwing - want huilen zou een nog grotere afgang zijn. Het was maar een wedstrijd.

Het is niet helemaal een betrouwbare herinnering, want als ik aan deze vroege miskenning terugdenk zie ik automatisch het bedroefde gezicht van mijn oudste zoon, die in zulke situaties net als ik hulpeloos op zoek lijkt naar de ratio achter onze onbarmhartige wereld.

De vele teken- en kleurwedstrijden waaraan we als kind moeten meedoen zijn misschien wel de beste initiatierites voor het grote mensenpark. Want wie wil kunnen meedoen in de echte wereld moet zich oefenen in de paradox van het normale en deze luidt: accepteer dat voor het persoonlijste dat je hebt bij te dragen je noodzakelijk en uitsluitend wordt beoordeeld naar algemene regels, wetten en maatstaven.

Ik was gek op tekenen en altijd al halverwege heel blij met het voorlopige resultaat. En nog steeds verwonder ik mij bij de kindertekeningen van mijn eigen kroost over dit soort scheppingen uit het niets.

Maar steevast was er dan de teleurstelling zodra je je eigen creatie naast die van je klasgenoten moest leggen. Mijn tekeningen en verfwerkjes zagen er dan ineens slordig uit, mijn kleurgebruik bleek weinig origineel, én - meestal het belangrijkste en meest objectieve criterium- ze leken niet.

De beste tekenaars van de klas koketteerden ondertussen dat hun werk niet echt goed gelukt was. En met gespeelde verbazing gingen zij er dan met de prijzen of de hoogste cijfers vandoor. Toch was er een heel grote groep, onder wie ikzelf, die niet gauw toegaf dat wat we hadden voortgebracht broddelwerk was. Integendeel. Smaken verschillen, zeiden wij onze ouders na. Of: zo vind ik het juist mooier.

Cynisch zouden we aldus kunnen beweren dat de mens via de gedrochten van zijn amateurkunst timmert aan een onverwoestbare eigendunk. Maar dat is niet alleen cynisch, het is ook een te eenvoudige voorstelling van het smaakoordeel.

Het opvallende vond ik altijd dat ik uiteindelijk toch echt ging houden van mijn eigen werk, terwijl ik het in het licht van wat anderen hadden voortgebracht aanvankelijk helemaal niets vond en het bovendien nooit in de prijzen viel.

De voltooiing van ieder kunstwerk hangt in het luchtledige van deze onbeslisbare toestand.

"Tijdens het schrijven", constateert Jannah Loontjens in het laatste hoofdstuk van 'Mijn leven is mooier dan literatuur' (2013), "vraag ik me voortdurend af of het wel klopt wat ik beweer, ik twijfel en zoek naar een preciezere wijze van formuleren. (...) Dergelijke onzekerheid maakt het voor veel schrijvers lastig een tekst als voltooid te verklaren, er is geen einde, want het kan altijd nog anders, er kan altijd nog gecorrigeerd en herschreven worden."

Deze onvoltooidheid van de tekst lijkt misschien een halt toegeroepen zodra er een kaft omheen zit, maar feitelijk beginnen de ellende en de ontevredenheid dan pas echt. "Het gevoel voor jezelf te falen wordt onder een vergrootglas gelegd zodra je de blik van anderen toestaat."

Het korte verhaal 'De lezer' van Nathan Englander beschrijft hoe een eens succesvol schrijver, Auteur genoemd, na twaalf jaar schrijven eindelijk met een volgend boek komt. Hij treft nu alleen lege zalen. Op een oude man na, die hem zijn hele tournee blijft volgen.

Als Auteur voorstelt bij hun eerste ontmoeting om de lezing achterwege te houden en samen een drankje te doen, reageert de lezer verontwaardigd: "Ik heb liever dat u voorleest. Daar ben ik voor gekomen. (...) De afspraak - de conventie. Die luidt: als ik kom, leest u voor."

Auteur geeft hem schoorvoetend gelijk en gaat naast hem op een stoel zitten. "Nee", zegt dan de lezer: "Het podium."

Toen ik dit jaar bij het zoveelste interview over mijn nieuwste boek werd gevraagd waar het boek over ging begon ik ineens te stamelen. Ik probeerde telkens opnieuw een zin die het geheel in een keer kon samenvatten, maar ik liep overal in vast en verzonk in gepeins. De interviewster onderbrak ongeduldig mijn stilzwijgen en vroeg verbaasd: "Hoe kan dat? Na zoveel interviews heb je toch inmiddels wel een klinkende quote over je boek paraat."

Het klonk als verwijt, en dat was het waarschijnlijk ook. Net als de opmerking van de journalist die vorig jaar na afloop van een radiointerview met mij zei dat het ook bij het werk van de schrijver hoort om in één zin je hele onderzoek voor het voetlicht te brengen. Ik voelde de gebruikelijke gekrenkte reactie opkomen van de schrijver die zich beknot voelt door de kortzichtige medialogica: een schrijver gebruikt een boek om iets onder woorden te brengen en jullie willen altijd maar dat alles in één zin gezegd kan worden. Het leven wordt nooit anders dan bij de tekenwedstijdjes op school: altijd weer staat ons persoonlijkste werk tegenover een tribunaal van algemeenheden. Alleen kan ik inmiddels mijn tranen makkelijker bedwingen.

Het gevoel voor jezelf te falen zodra je de blik van anderen toestaat, zien we bij niet de minsten terug, schrijft Loontjens in 'Mijn leven is mooier dan literatuur'. "Ook in Kafka's dagboeken is herhaaldelijk te lezen hoe hij het gevoel heeft te falen als schrijver en als mens." En in zijn werk is het zelfs een vast thema. "De personages in zijn verhalen falen ook voortdurend, ze zijn zoekende en hernemen steeds wat ze zojuist hebben gedaan of gedacht." Maar dit falen moeten we volgens Loontjens niet aanzien voor een mislukken, een floppen. "Het is eerder te vergelijken met het eindeloos herbeschouwen en verleggen van doeleinden. Het is een vorm van zelfreflectie en zelfkritiek."

De hele kwestie van het beoordelen van het persoonlijke doet me denken aan Kafka's bekende parabel 'Voor de wet', waarin een man aan de poortwachter van de wet vraagt om toegang.

"Het is mogelijk", zegt de wachter, "maar nu niet."

Gedurende de jaren dat de man op een krukje voor de poort wacht om toegelaten te worden neemt de wachter hem "kleine verhoren af, vraagt hem uit over zijn geboorteplaats en over allerlei andere dingen, maar het zijn onverschillige vragen, zoals deftige heren ze stellen".

En zoals journalisten ze stellen, denk ik erbij. De man probeert de wachter met alles wat hij bij zich heeft om te kopen. Maar de wachter neemt het alleen maar aan met de woorden 'opdat je niet gelooft dat je iets hebt nagelaten'. Als de man aan zijn 'verstijvend lichaam' voelt dat zijn einde nadert, blijft van al het wachten één vraag over. "Iedereen streeft er toch naar de wet te bereiken", zegt de man, "hoe komt het dan, dat er in al die jaren niemand anders dan ik om de toegang heeft gevraagd?"

De wachter antwoordt: "Niemand anders kon hier toegelaten worden, want deze ingang was alleen voor jou bestemd. Ik ga nu weg en sluit hem."

Net als het leven van de man aan de poort van de wet, staat het werk van iedere auteur op zichzelf, en vraagt het om de toegang tot het algemene oordeel van de cultuur waartoe het wil behoren. Het kan daar weliswaar nooit in slagen omdat het particuliere werk meteen zijn eigenheid zou verliezen zodra het echt zou samenvallen met een oordeel zo algemeen als de wet, maar iedere poging ertoe voorziet het werk van nieuwe en eigen betekenis.

Hoe stompzinnig en vervelend de opmerkingen van journalisten ook kunnen zijn, ze vormen een onlosmakelijk onderdeel van de voltooiing van je werk. Want het gepraat over je werk, in interviews, recensies, in lezersreacties op boekensites, en in het oordeel van literaire jury's, draagt allemaal bij tot de betekenis van de eenzame woorden tussen de kaften.

Aan deze betekenisgeving komt nooit een einde. Dat mag je tenminste hopen. Want zou er echt een einde volgen, aldus Auteur in het verhaal van Englander, dan is het voltooide werk, geen boek, 'maar een grafsteen'. Je naam staat er al op.

Van dit einde heeft de auteur in de nabije toekomst overigens nog het minst te duchten. Wat hij, in het 2.0 tijdperk dat het boek inmiddels met rasse schreden is binnengegaan, vooral heeft te vrezen is de verdwijning van het boek. Want gelooft u mij, bij de volgende jaarwisseling doet dit verhaal al archaïsch aan. De ontkafting van het boek die het e-book bewerkstelligt en de ontmanteling van de boekhandel, in gang gezet door de de internetwinkel en de tablet, zijn van een andere orde dan de overgang eind jaren tachtig in de muziek van het grote vinyl naar de compactere plaat. Het e-book is niet zomaar het boek in elektronische vorm. Er blijft behoefte aan verhalen natuurlijk, maar de productie ervan komt veel sterker totstand onder de supervisie van marketing, socialemediahypes en -events, talkshows en vermeende lezerswensen.

Met de nieuwe middelen verandert de markt en daarmee het product.

Dat geldt ook voor het boek als e-book. Niet alleen omdat je je niet meer lekker terugtrekt met een boek vol hyperlinks, en niet alleen omdat de eerste en volgende drukken verdwijnen ten bate van automatische upgrades, wat bovendien door incompatibiliteit ten koste gaat van je digitale krabbels in de kantlijn.

Maar vooral omdat het boek, ik bedoel, het nieuwe leesproduct, gemaakt wordt voor een ander publiek, dat de auteur voor andere wetten stelt. Voor de boekdrukkunst bestond er geen behoefte aan het boek zoals we dat nu kennen en met het e-book en de tablet zal er dus behoefte zijn aan een boekvorm die we nu nog niet kennen.

Tot die tijd prijs ik me gelukkig met het slechts onbegrepen blijven. Want als het klopt wat Montaigne Cicero nazegt, dat filosoferen leren is te sterven, dan is schrijven leren onbegrepen te blijven. Wat altijd nog beter is dan ongelezen blijven.

Wat wil de schrijver eigenlijk? "Echt contact is niet de bedoeling", schreef Connie Palmen in haar gelijknamige essaybundel over de verhouding tussen de schrijver en de lezer. En Peter Sloterdijk noemde boeken in navolging van Jean Paul 'een dikker soort brieven aan vrienden'. Aan vrienden die je bovendien in de meeste gevallen niet kent, een vorm van flessenpost.

Sinds de digitalisering krijg je steeds vaker ook een flesje terug. Na de verschijning van mijn eerste boek, nu tien jaar geleden, ontving ik hooguit een ansichtkaart of een korte brief, vandaag de dag krijg je na een 'vriendenverzoek' op Facebook berichtjes als: "Dank voor de acceptatie. Ik ben een fan."

En een moment later scrol je door zijn of haar vakantiefoto's op zoek naar de ratio achter deze barmhartigheid.

Toch blijft het in het algemeen vooral heel stil nadat je op 'verzend' hebt gedrukt, zeker bij krantestukken. Hoeveel mailtjes en tweetjes je ook ontvangt, nooit krijg je het gevoel dat je weet wie 'je lezer' is, en dus ook nooit weet je helemaal zeker of wat jij onder woorden dacht te brengen ook daadwerkelijk zo begrepen wordt.

'De mythe van Pulgrum' is het wekelijkse feuilleton dat ik een paar jaar geleden voor deze krant schreef. Ik vertelde erin over de belevenissen van de Noord-Groningse filosoof Lars Top, die met zijn gezin in de oude windmolen van Pulgrum woont.

Ik vroeg me vaak af of de krantelezer in het fictieve Pulgrum mijn eigen woonplaats herkende, totdat drie weken geleden ineens een oude man zijn fiets voor onze deur tegen de schutting plaatst. De man, met in zijn linkerhand een geruiten fietstasje, klopt aan. Als ik opendoe zie ik twinkelende ogen boven een grijs ringbaardje. De huid op zijn wangen is stijf van de kou. Hij wil me iets laten zien dat hij heeft geschilderd naar aanleiding van 'De mythe van Pulgrum'.

Op zijn leeftijd, vertelt hij, ben je bezig op te ruimen. En als het zover is wil hij me het werkje, dat in het fietstasje verborgen blijft, nalaten. "Maar alleen als u dat wilt." Misschien is het uit nieuwsgierigheid dat ik onmiddellijk reageer: "Vanwege het gebaar alleen al zou ik het graag van u aannemen."

Als hij zijn tas openklapt zie ik geloof ik zijn hand trillen, maar dat kunnen evengoed mijn zenuwen zijn. We staan nog altijd in de deuropening. Er hangt een oordeel in de lucht. Een oordeel dat ik moet vellen en waarvan ik weet dat het zowel mijn werk in een ander daglicht kan plaatsen (heeft déze man mij begrepen?) als het werk van de lezer.

Dan zie ik een bovenaanzicht van onze woonplaats. De belangrijkste historische panden zijn er niet op schaal en met het perspectief van een vooraanzicht ingezet. Wie niet goed kijkt zou het misschien voor een kindertekening aanzien. Maar kinderachtig is het niet. De oud-roze lijnen van de wegen naar de stad in de verte en het kobaltblauw van het Boterdiep gaan voorbij de einder over in de lucht. Er hangt een knalrode zon boven een minuscuul silhouet van Groningen.

"Dit is Pulgrum", slik ik verbaasd.

Ik geloof dat deze lezer mij heeft begrepen. Ik hoop ik hem ook.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden