Wanneer werd de mens een echte landbouwer?

Toen hij gewassen naar zijn hand kon zetten. Dat wil zeggen: toen de mens besliste waar en wanneer te zaaien. Vóór die tijd besliste de plant daarover.

De mens heeft zijn graan en bonen moeten kneden. Ooit begon hij wilde planten te verbouwen, zoals tarwe en gerst, maar vooralsnog bepaalden die wilde soorten zelf waar ze hun zaden lieten vallen. De boer in spe kon dat wellicht wat in banen leiden, maar het teeltregime was grotendeels in handen van moeder natuur.

Hét criterium voor een gedomesticeerd gewas is dat het in zijn verspreiding afhankelijk is geworden van de mens, onder meer doordat het zijn zaden vasthoudt. De boer moet eraan te pas komen om ze vrij te maken en in de grond te stoppen. Zulke zaden zijn vaak groter en hebben een dunner jasje, waardoor ze gemakkelijker ontkiemen. Dat vergde een zekere genetische aanpassing.

Hoe en wanneer kregen wij planten zo ver? Dat is een hamvraag in de archeologie, schreef Science op 29 juni. Het vakblad meldde die dag de vondst van verkoolde resten van pompoenen, wilde pinda’s en katoen in een vallei van de Andes in Noord-Peru. En dat tezamen met sporen van hutten, haarden en primitieve tuintjes. De pompoenzaden waren ruim 9.000 jaar oud, de pinda’s 8.500. Die soorten komen daar niet voor, ze moeten elders al eerder zijn verbouwd.

We dateren voor het gemak deze prille landbouw op 10.000 jaar terug. Nu komt de eer van eerste boeren toe aan bewoners van het Midden-Oosten, maar het tijdstip van zo’n 12.000 jaar terug is onlangs herzien in 10.500 jaar geleden. Kortom, het lijkt alsof bij de mens in verschillende windstreken tezelfdertijd een agrarisch lampje ging branden.

Waarom? We nemen niet aan, naar analogie van de fantast Rupert Sheldrake, dat dit idee letterlijk door de lucht waarde. Een reconstructie van Science leert dat er wel tien streken zijn waar mensen rond dezelfde tijd gingen boeren, al duurde het werkelijke domesticeren honderden tot duizenden jaren. Sommige gewassen luisteren slecht. De vraag is ook, waarschuwen archeologen, of de vondsten in Peru echt van ’getemde’ soorten stammen.

Niettemin lijkt landbouw een universele uitvinding, met begindatum zo’n 10.000 jaar geleden. Rara? Hier wordt het koffiedik erg ondoorzichtig. Menig archeoloog ziet aan het einde van de ijstijd, met een warmer, natter klimaat, de fauna opklauteren in een heerlijke lentezon. Vele soorten tierden welig, de mens keek goed uit zijn doppen, leerde, en zette moeder natuur naar zijn hand.

Andere archeologen menen dat een staartje van de ijstijd (Jonge Dryas) de noodzaak van landbouw nog vergrootte. En weer anderen zoeken het antwoord in het klimaat binnen de menselijke geest. Misschien bracht religieuze symboliek een andere houding tegenover de natuur mee, die de weg naar landbouw opende. Of mogelijk moest de meeropbrengst van landbouw de groeiende honger naar macht en prestige stillen. De commentator in Science vreest dat het wereldwijde antwoord niet bestaat.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden