Wandelend op zoek naar jezelf

Zomaar wat rondkuieren is voor de echte wandelaars niet genoeg. Je vindt ze op een pelgrimspad, het Pieterpad, en verlaten industrieterreinen in het Ruhrgebied

Lopen hoorde heel lang bij het overleven. De jager-verzamelaar struinde de wildernis af voor vruchten en vlees, de seizoensarbeider trok van plaats naar plaats, de werkman liep op en neer naar de fabriek en de zwerver zwierf van stad naar stad. Je liep omdat het niet anders kon, omdat je als soldaat van Napoleon zo nodig over de Berezina moest of omdat deze of gene pastoor je had bevolen boete te doen in Santiago de Compostela.

De geschiedenis werd lopend gemaakt. Door de steentijdmensen, de oude Grieken, de Romeinen, de middeleeuwers en de vroegmoderne aardbewoners. Er was zogezegd weinig romantiek bij. Die zou pas veel later komen, ergens eind negentiende eeuw toen het gecultiveerde wandelen begon.

En inderdaad, wandelen is niet helemaal hetzelfde als lopen. De wandelaar doet 'het' zichzelf aan, de loper had geen keus. Wie het verschil niet begrijpt, moet maar eens denken aan al die keren dat kinderen de uitnodiging tot 'een lekkere wandeling' afwijzen. Je denkt toch niet dat ik gek ben en een heel eind ga lopen voor jullie plezier!

Wandelen is een vrijetijdsbesteding. Uit vrije wil zoek je de ontbering op, omwille van de zogenoemde geestelijke zelfverrijking, de vergroting van het emotionele zelfinzicht en de uitbreiding van de culturele en natuurlandschappelijke bagage.

Zomaar wat rondkuieren is voor de echte wandelaars niet genoeg. Je vindt ze op een ANWB-Pelgrimspad of bij de loopgraven van Flanders Fields, waar ze het verleden herbeleven. Je vindt ze op het Pieterpad, dat ze in weekend-etappes of achtereen afleggen, en waar, naar het schijnt, verscheidene pensionado's dikwijls een nieuwe, wandelende liefde vinden, tot ontsteltenis van de achtergebleven thuiszitter. En je vindt ze op verlaten industrieterreinen - in bijvoorbeeld het Ruhrgebied - want ook die zijn het rondstruinen waard.

Wandelen is, kortom, een manier van leven, een soort religie, met voor elk wat wils. En, zoals bij alle geloven, moet de belijder gevoed worden. In dit geval met mappen, kaarten, sites, wandelbeurzen en boeken.

In die laatste categorie zijn pakweg twee soorten te onderscheiden: gidsen met routes en achtergrondinformatie, en intelligente mijmerboeken. Ze helpen de wandelaar op weg en bieden hem de mogelijkheid om zich te verhouden tot datgene wat het landschap hem zou kunnen leren over de natuur, het verleden en hemzelf.

Een goed wandelboek verenigt het beste van beide genres in zich. Het leidt de lezer-wandelaar ongemerkt van zichzelf af, brengt hem naar ongekende werelden, die ook nog eens aanlokkelijk en overtuigend worden beschreven. En het moet maar meteen gezegd: dergelijke boeken zijn zeldzaam. Te vaak zijn wandelboeken doordesemd van het heilig vuur van de auteur, die de lezer wil bekeren tot wat hij al jaren doet, namelijk wandelen.

Een boek dat aan wandel-apologetiek lijdt, is het onlangs uitgekomen 'Wandelen. Een filosofische gids' van de Franse filosoof Frédéric Gros. Er staan behartigenswaardige wetenswaardigheden en observaties in over beroemde kuierende denkers en schrijvers, maar alvorens daar te komen, moeten we door een oceaan van enormiteiten heen.

"Je voelt je vrij als je terugdenkt aan je contract in de hel [bedoeld wordt de samenleving] omdat de oude termen daarin - naam, leeftijd, beroep, loopbaan - allemaal absoluut belachelijk blijken te zijn", schrijft Gros na een flink blokje om. Voor hem bestaan er welbeschouwd twee soorten mensen: kantoormensen en echte mensen, oftewel stoelklevers en wandelaars. De eerste groep kan in het beste geval rekenen op zijn medelijden, de tweede moet in de leer bij de filosofen van weg, pad en berg.

Rousseau is volgens Gros de eerste wandelfilosoof. Hij gebruikt zijn voeten om zich te verplaatsen uit armoede, net als ooit de middeleeuwer, maar gaandeweg wandelt hij de beschaving uit. Hij schrijft over 'het bouwwerk van mijn geluk, dat ik al lopende optrok' en dat zou instorten indien hij plaatsnam in een koets. Op zijn beste momenten waant Rousseau zich de nobele wilde, die hij al flanerend bedenkt. Uiteindelijk gaat hij als grijsaard op pad, om weer kind oftewel 'niemand' te zijn.

De favoriete filosoof van de voet is voor Gros de dolende beschavingsmisantroop Friedrich Nietzsche. "Ik wandel een uur 's ochtends en drie uur 's middags, met grote passen - altijd dezelfde weg: hij is mooi genoeg om herhaling te verdragen", noteert die.

Hij zal op de heuveltoppen zijn vermoeiende alwetende pelgrim Zarathustra uitdenken en zijn belangrijkste boeken componeren. Hij verklaart er zichzelf tot wandelende kluizenaar, en concludeert: "Zitvlees is de eigenlijke zonde tegen de heilige geest."

Gros geeft aardige kuierportretten van de wandelende vluchteling-dichter Rimbaud, van de anti-civilisatiehuttenbouwer Thoreau, van de melancholieke schrijver en doler De Nerval, en zelfs van Immanuel Kant, die dagelijks maar één straatje op en neer ging. Maar uiteindelijk betoont hij zich de al te ijverige buikspreker van Nietzsche, de door hem benoemde oervader van de wandelromantiek.

De auteur slaakt onderweg kreten om zijn 'herwonnen dierlijk bestaan', en raakt ten slotte - excuus voor de woordspeling - helemaal de weg kwijt en vervalt in volkomen onnavolgbare wandelmystiek. Gros schrijft over 'de eeuwige terugkeer' en 'de vibratie van beide aanwezigen in een cirkel' wanneer hij zijn unieke ervaringen in de natuur onder woorden probeert te brengen. We hebben hier te maken met een wandelfundamentalist, om niet te zeggen: een wandelkabbalist. Zijn wandelen is de weg, de waarheid en het leven. Daarvoor hebben we al andere messiassen en boeken.

Evenwichtiger en daardoor aangenamer is 'De oude wegen' van Robert Macfarlane. Deze Engelse schrijver ging in eerdere boeken als 'Hoogtekoorts' en 'De laatste wildernis' de lezer-wandelaar voor als betrouwbare gids van ervaringen, sferen, landschappen en verledens. Ook in zijn nieuwste boek maakt hij ons deelgenoot van zijn belevenissen als romantisch wandelrealist. Hij voert de lezer over oude krijtpaden waarover de late steentijdmens moet hebben voortgesjokt en over gevaarlijke slibwegen langs de Engelse kust, waarbij vergeleken wadlopen een onschuldige bezigheid is.

We mogen met hem mee op zijn tochten door de bloedhete Spaanse binnenlanden en door het beloofde land. Op de verboden zones van de Westelijke Jordaanoever ondervindt hij dat wandelen levensgevaarlijk kan zijn, dat het voor Palestijnen ter plekke 'halal is om misdadige Engelsen te doden'. In Spanje ontdekt hij dat kleine vergeten wegen meer geluk kunnen brengen dan bekende platgetreden paden.

Net als Gros is Macfarlane op zoek naar de ultieme gelukservaring, maar hij beschrijft deze bescheidener en soberder. Staat de Franse filosoof frontaal tussen de lezer en de waargenomen werkelijkheid in, Macfarlane geeft ons de kans zelf iets mee te maken. Hij is namelijk, net als wij, gewoon een wandelaar. Hij laat zien hoe je van wandelen wat rustiger, en wellicht beter en wijzer kunt worden, maar nergens hangt hij de pretentieuze voorganger uit. En passant geeft hij ook nog eens geschiedenisles. Oude paden en landschappen moeten 'gelezen worden in het toen, maar gevoeld in het nu', is zijn motto.

Het verschil tussen het vroegere lopen en het hedendaagse wandelen wordt nog eens duidelijk in het aardige boek 'Lichtvoetig & Loodzwaar' van wandelhistoricus Hans Huijboom.

Hij beschrijft allerlei kleinere en grotere tochten vanaf de Oudheid tot in de twintigste eeuw. Aan bod komen (onder meer) de roemruchte Lange Mars van Mao, de Volkskruistocht van 1096, die uitliep op plunderingen rond het christelijke Constantinopel, en de vermaarde Tocht der Tienduizend Grieken in 401 voor Christus in Perzië. "Bij de soldaten die hun schoenen 's nachts aanhielden, drongen de riemen in de voeten en vroren de zolen aan de voeten vast, en verscheidene soldaten bleven achter door sneeuwblindheid of omdat hun tenen waren afgevroren van de kou", schreef de geschiedschrijver Xenophon.

Eeuwen en eeuwen later lopen wij de geschiedenis na, om er een completer mens van te worden. "Het aantal bedevaartstochten en wandelaars groeit even gestaag als het aantal kerkgangers slinkt", schrijft Macfarlane.

Frédéric Gros: Wandelen. Een filosofische gids. Vert. Liesbeth van Nes. De Bezige Bij, Amsterdam; 254 blz. € 16,90

Robert Macfarlane: De oude wegen. Vert. Nico Groen en Marijke Versluys. De Bezige Bij, Amsterdam; 464 blz. € 24,90

Hans Huijboom: Lichtvoetig & Loodzwaar. Free Musketeers, Zoetermeer; 174 blz. € 16,95

undefined

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden