Walgelijk aantrekkelijk Parijs

Frankrijks metropool glorieert dankzij de romantische voorliefde van haar bezoekers voor verval

De eerste kennismaking met Parijs stelde Jean-Jacques Rousseau (1712-1788) teleur: "Ik had me een prachtige grote stad voorgesteld, maar ik zag slechts smerige, stinkende stegen, lelijke zwarte huizen, een stank van vuiligheid en armoede. Ik voel nu nog de weerzin."

Literator Honoré de Balzac (1799-1850) toonde zich wat later al even geschokt: "Onthutsend is het algemeen voorkomen van de Parijse bevolking: bleek, gelig, getaand. Is Parijs niet een weidse akker, onophoudelijk in beweging door een storm van belangen, waaronder een oogst van mensen wervelt, op wie de dood het vaker heeft gemunt dan elders en die steeds weer even verkrampt worden herboren, wier verwrongen gezichten via alle poriën de mentaliteit, de begeerten, de giften uitzweten waarvan hun hersenen doordrenkt zijn?"

Wie nog iets wezenlijks wil toevoegen aan de bibliotheken die al over Parijs zijn volgeschreven, begint met een boektitel die een nieuwe kijk op het onderwerp suggereert.

De boeken van de veramerikaanste Belg Luc Sante, 'Het andere Parijs. Stad van het volk' (nieuw), en van de Britse cultuurhistoricus Andrew Hussey, 'Parijs. Een verborgen geschiedenis' (bijgewerkte heruitgave) voldoen alvast aan die voorwaarde. Tegelijkertijd is het natuurlijk een fraai staaltje lezersbedrog. Geen grote stad kan alleen maar stralen en baden in schoonheid en de schaduwzijden van het urbane leven verbergen. Parijs al zeker niet.

Oké, impressionistische kunstenaars droegen in belangrijke mate bij aan de beeldvorming van de pittoreske plaats. Bezoekende toeristen wanen zich tot op de dag van vandaag graag wandelaar in de schilderijen van toen. Kijkend door de oogwimpers lijkt er niet eens zoveel veranderd: dit is het verlokkelijke verpozingsoord waar je elk moment een dame met ritselende rokken en parasolletje kunt tegenkomen.

Natuurlijk is Parijs de stad van de grandeur en de imponeerarchitectuur. Naar ontwerp van Georges-Eugène Hausmann onderging de stad in de negentiende eeuw een gedaanteverwisseling. Voortaan gold de religie van de rechte lijn.

Maar hij en alle andere stadsvernieuwers en schoonpoetsers hebben het ruwe en rafelige nooit uit Parijs kunnen halen. Integendeel, de stad dankt een groot deel van haar faam aan haar prettig en soms onprettig tegendraadse imago. Frankrijks metropool glorieert mede dankzij de romantische en soms wat macabere voorliefde voor verval. Parijs vond om die reden het façadisme uit: schilderachtige gevels bleven staan om daarachter nieuwe woningen en kantoren op te trekken. Voor bezoekers uit de hele wereld worden nog dagelijks soortgelijke decors opgetrokken. Neem alleen al het met zondagschilders bezette Place du Tertre als verwijzing naar de werkelijk grote kunstenaars die ooit in Montmartre rondliepen.

Dit is de stad van de clochards, de bohémiens en de revolutionairen. Hier daagde het volk in 1789, 1870 en 1968 en op tal van andere momenten de macht uit. Zelfs in de dankzij fraaie geschiedvervalsing ogenschijnlijk zo zorgeloze, idyllische jaren rond 1900, La Belle Époque, was het voor de meeste Parijzenaars armoe troef en moest er dagelijks worden gevochten voor een beetje menswaardig bestaan. Dat is geen andere, verborgen geschiedenis maar dé geschiedenis, zoals de citaten van Rousseau en Balzac aan het begin van dit artikel bewijzen.

Dat neemt niet weg dat 'Het andere Parijs. Stad van het volk' en 'Parijs. De verborgen geschiedenis' een mer à boire aan verrassende en vermakelijke verhalen opdienen. De wereldhoofdstad van ideeën, ideologieën en avant-garde vormt tegelijkertijd de leefwereld van hoeren, pooiers, straatartiesten, voddenrapers, kruimeldieven, mierenfoksters, schapenkopkrakers, straatartiesten. Het Nederlandse woord 'kanalje' is terug te voeren op de term 'canaille' waarmee het soort scharrelaars werd bedoeld waar Parijs van was vergeven. Zeker in vroeger eeuwen keken de hogere standen met nauwelijks verholen dedain en spot neer op dit soort lieden uit de laagste regionen. Ze beschouwden hen nauwelijks als menselijk.

Het boek van Sante is bijzonder vormgegeven, bijna vierkant van formaat, en is zeer rijk geïllustreerd. De auteur verkent de onderbuik van Parijs themagewijs. Hij zwerft rond door zijn onderwerp. Dat maakt het voor de lezer niet altijd gemakkelijk om zaken in het juiste historische perspectief te plaatsen.

De liefde voor de fraaie anekdote lijkt het sowieso met enige regelmaat te winnen van de geschiedkundige precisie. Adolf Hitler die Parijs ooit bestempelde als 'der sogenannte Puff Europas' zou volgens Sante 'Le Sphinx' als favoriete bordeel in de stad hebben gehad. 'Naar verluidt', vermeldt hij erbij. Maar dat is wel erg makkelijk. In werkelijkheid maakte de Führer alleen in de vroege ochtend van 23 juni 1940 een snelle ronde door de hoofdstad van de kort daarvoor overwonnen Fransen.

Bezwaar van Santes boek is dat het wel erg neigt naar verheerlijking van het verleden, naar een vroeger, waar misschien niet alles beter was, maar dan toch wilder, avontuurlijker. Hussey doet Parijs meer recht door de stad te portretteren als een levend organisme: constant aan verandering onderhevig en met in elke tijd zijn eigen eigenzinnige Parijzenaars.

Een stuk beter slaagt Hussey erin om op een verantwoorde wijze de geschiedenis van Parijs opnieuw te vertellen - helemaal beginnend bij de stam der Parisii en het Romeinse Lutetia, en met bijzondere aandacht voor de marginalen, les petites gens. De Britse cultuurhistoricus heeft oog voor de afschuw die de stad steeds weer opriep. Anna van Kiev klaagde in 1051 na haar huwelijk met de Franse koning Hendrik I al over 'sombere huizen, lelijke kerken en weerzinwekkende gewoonten'.

Hussey komt ook met mooie en relevante citaten uit de Franse literatuur, van Bataille tot Breton, van Hugo tot Houellebecq. Laatstgenoemde staat ook vooraan om de contradicties van Parijs te beschrijven. Hij hekelt de kitscherige glamour en beschrijft vaak de kille, cynische omgang van de Parijzenaren onderling.

Maar behalve de afkeer en angstgevoelens die Parijs voortdurend opriep was er ook vrijwel continu die lastig weerstaanbare charme van de metropool aan de Seine. "Parijs was zo'n mooie stad dat veel mensen daar liever arm waren dan rijk elders", schreef Guy Debord midden vorige eeuw. En zo is het.

Luc Sante: Het andere Parijs. Stad van het volk. (The Other Paris) Vert. Hans E. van Riemsdijk. Polis/New Book Collective; 352 blz. euro 24,95

Andrew Hussey: Parijs. De verborgen geschiedenis (Paris, The Secret History) Vert. Jan Braks. De Arbeiderspers; 548 blz. euro 25

Parijs, 1973. Als geen ander had de Franse fotograaf Henri Cartier-Bresson (1908-2004) oog voor de onweerstaanbare charme van de Franse hoofdstad.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden