WAKEND OOG HOUDT ZERVENDE ZORGMIJDER NOG WAT IN BALANS

De man die we om zijn anonimiteit te garanderen Mario zullen noemen heeft een stabiel bestaan. Acht jaar lang zwervend en het laatste jaar eet hij af en toe uit vuilnisbakken. Hij slaapt altijd buiten, doucht zich af en toe bij de dagopvang van dak- en thuislozen en draagt kleding die past bij het seizoen.

Mario is een bekend gezicht in het Utrechtse zwerverswereld. Hij leeft erg op zichzelf en mijdt het contact, vooral dat met hulpverleners.

“Als we hem via een rechterlijke machtiging gedwongen in de psychiatrie laten opnemen, verstoren we misschien een evenwicht”, vindt Joost Coffeng van het zorgcoördinatieteam Utrecht. Het team bekommert zich onder meer om de zogeheten zorgwekkende zorgmijders, mensen die in de marge van de maatschappij leven en alle hulp afwijzen. Schizofrene dak- en thuislozen, ex-psychiatrische patiënten die zich verschanst hebben achter hun brievenbus, alcoholverslaafden zonder vrienden en met een torenhoge schuldenlast, bewoners van sociale pensions die in wankel evenwicht een eigen bestaan proberen op te bouwen. Zij worden doorgaans aangemeld door de GG en GD, de politie of de woningbouwvereniging. In dat laatste geval gaat het om mensen die 's nachts schreeuwen, de televisie keihard aanzetten, of die hun huis ernstig vervuilen.

In de geestelijke gezondheidszorg is het vaak een kwestie van alles of niets geweest. Op dat 'alles' zijn veel bewoners van psychiatrische instellingen afgeknapt. Het alternatief: niets, is vaak net te weinig. Het zorgcoördinatieteam Utrecht zoekt voor iedere cliënt dat ietsjepietsje zorg dat voor de cliënt aanvaardbaar is en waarmee deze met wat meer gezondheid en geluk door het leven gaat. Soms besluiten de acht leden van het zorgcoördinatieteam niets te doen en iemand alleen maar in de gaten te houden.

Zo gaat het misschien ook met Mario. “Het gebeurt zelden dat we over een cliënt zo weinig weten”, zegt Jan Ravestein, leider van het zorgcoördinatieteam. Mario is sinds acht jaar uitgeschreven uit het bevolkingsregister en sindsdien bestaat hij officieel niet meer. Over een psychiatrisch verleden is niets bekend. Hij heeft een familielid, maar dat spoor is doodgelopen na vergeefse telefoontjes van het team naar alle mensen in een naburige stad met dezelfde achternaam als Mario. Hij heeft geen uitkering en maakt nooit gebruik van de overnachtingsmogelijkheden voor dak- en thuislozen. Hij is stil en teruggetrokken, spreekt zelden, veroorzaakt nooit overlast, weigert iedere hulp. Hij komt wel bij het Catharijnehuis, de dagopvang waar dak- en thuislozen de verpleegkundige kunnen bezoeken, zich kunnen wassen, kleding uitzoeken, koffie drinken en een maaltijd gebruiken. Met één persoon uit het thuislozencircuit heeft Mario contact, en via die persoon weet het zorgcoördinatieteam dat Mario mager is, en waarschijnlijk stemmen hoort.

Moet Mario via een rechterlijke machtiging (rm) gedwongen opgenomen worden, om een diagnose te stellen? Het team aarzelt en bespreekt de voors en tegens.

“Hij leeft al acht jaar zo, hij ziet er goed uit, hij doucht, heeft redelijk verzorgde kleding. Hij kan voor zichzelf zorgen. We verstoren misschien een evenwicht door zo'n opname van drie weken.”

“Ik denk wel aan schizofrenie, als ik hem zo zie. Als hij schizofreen is, hebben we hem met een opname iets te bieden.”

“Wat hebben we hem eigenlijk te bieden?”

“Doordat hij alle hulp afwijst lijkt het dat hij een keuze maakt voor een leven zonder voorzieningen. Hij is door zijn toestand zo ver heen dat hij niet in staat is, een keuze te maken. Iedere dak- en thuisloze kiest ervoor, geld te krijgen. Hij niet. Ik denk dat hij na behandeling betere keuzes kan maken. Hij zal dan vast wel geld willen en onderdak, en beter voor primaire dingen zoals eten kunnen zorgen.”

“Toch heeft hij alles wel goed in de gaten. Toen ik pas samen met de psychiater naar hem toe ging zei hij meteen dat hij een uitkering had en een huis. De psychiater had nog niets gezegd.”

“Mijn intuïtie zegt me dat die man niet happy is. Ik ben voor een rm. Waarom moet het eerst slechter met hem gaan voordat we iets doen?”

“Als hij niet schizofreen is, gaat hij na drie weken opname weer gewoon terug. En dan moet hij in staat zijn dat evenwicht dat hij nu heeft weer te vinden.”

Jan Ravestein formuleert het besluit: “We neigen dus naar een rm, maar dan zullen we eerst overleggen met de andere betrokken hulpverleners voor we definitief besluiten.”

Het zorgcoördinatieteam (van het Riagg Stad Utrecht, stischting Beschermd Wonen en de H. C. Rümkegroep) heeft zeventig mensen in het vizier. Hoe verschillend hun woonsituatie ook is, de overeenkomst is dat het contact in het begin moeizaam verloopt. Het wantrouwen tegenover de hulpverlening is vaak groot. Omdat het zorgcoördinatieteam vooral praktische hulp verleent, zoals het vinden van een plaats in een sociaal pension, krijgen de medewerkers het wel voor elkaar om vertrouwen te wekken. Hoewel er altijd klanten blijven die niets met het team te maken willen hebben, behalve wanneer er iets geregeld moet worden. Sommige cliënten komen op afspraak op bezoek. De eerste paar keer komen ze meestal niet opdagen: vergeten. Maar na een tijdje lukt het. “Zo'n afspraak met ons geeft wat structuur aan hun bestaan. Dat vinden ze vaak toch wel prettig”, weet Hilde Stoppels, een van de medewerkers van het team. Een enkele klant heeft zich goed gevoegd naar de regels van de samenleving en zegt op donderdagmiddag 'geen tijd' te hebben voor een afspraak. Of het misschien de week erop kan?

Daar komt Arnold binnengelopen. Hij heeft een afspraak met Joost, zijn vaste contactpersoon bij het team.

Arnold had ooit een eigen huis. En een vrouw en twee kinderen, een auto en een baan. Hij werkte als voorman, verbouwde in zijn vrije tijd zijn huis.

Nu zit hij hevig trillend tegenover Joost, zijn zorgcoördinator, en reikt hem een geopend pakje shag aan. Arnolds handen schokken zo erg dat hij geen shaggie kan rollen. Terwijl Joost een pluk tabak op het vloei legt vraagt hij aan Arnold hoe het gaat. Hij heeft Arnold een jaar geleden van de straat gehaald, na signalen van de politie dat er een verwarde man rondliep die ook wel buiten sliep. Joost ging zoeken in de aangegeven buurt en zag daar Arnold. Die was toen erg in de war. Hij had geen onderdak en geen uitkering. Arnold: “Ik bedelde toen bij het postkantoor. Daar sliep ik ook. Er waren mensen die mij geld gaven. Soms een tientje, dat was mooi, soms vijf gulden, dat was te weinig voor de Sleep-inn, want een overnachting daar kost f 7,50.”

Arnold stuurt zijn schokkende handen met peuk en al richting asbak. Als de peuk eenmaal contact maakt met de asbak gaat het wel. Met enige moeite drukt hij zijn peuk uit. Hij vertelt verder over vroeger. “Ik heb twee kinderen. Ik heb ze zes jaar niet meer gezien. Jammer. Ja, dat was wel een ander leven dan nu.” Hij weet dat het nooit meer terug komt.

“Ik moest zitten en toen ik terugkwam waren mijn vrouw en kinderen weg.” Arnold dronk heel veel in die tijd en werd dan agressief, vertelt Joost. “Dat drinken was misschien een vorm van zelfmedicatie.” Arnold bleek schizofreen te zijn en werd nadat Joost hem van de straat had gehaald opgenomen. Nu hij medicijnen krijgt komt een andere Arnold tevoorschijn, een zachtmoedige man met subtiele humor. Joost heeft nog geprobeerd in contact te komen met Arnolds ex-vrouw en zijn kinderen, maar dat is niet gelukt. Arnolds opnametijd is bijna voorbij. Zelf wil hij het liefst zelfstandig wonen, maar Joost vindt het beter als ze eerst als tussenstap een plaats in een sociaal pension zoeken.

Eerst moet nog onderzocht worden waar dat trillen vandaan komt. Het kan een bijwerking van de antipsychotica zijn, zegt Joost, maar misschien is er een andere oorzaak.

Arnold wil nooit meer op straat leven, maar een aantal klanten van het zorgcoördinatieteam kiest welbewust voor het zwerversbestaan. Sommigen hebben zelfs een bestaan dat 'begeleid zwerven' heet. Zij leven buiten, zonder uitkering, terwijl het wakend oog van het team op hen rust.

Dat wakende oog rust ook op Hendrik, die net als Fabian en Arnold eigenlijk anders heet maar als zwerver ook recht op privacy heeft. Hij is te verward om zich de consequenties van publicatie te kunnen realiseren. Van de Utrechtse dak- en thuislozen is hij een van de zwaksten en het is des te vervelender dat hij regelmatig door zijn lotgenoten bestolen wordt. De wereld van de daklozen lijkt veel op de rest van de wereld.

Het team heeft geregeld dat Hendrik zonder enige beperking altijd terecht kan bij de overnachting, maar om de een of andere reden lukt het Hendrik nooit, 's nacht onderdak te vinden. Of hij is op het cruciale moment in een uithoek van de stad en niet meer in staat op tijd bij de Sleep-inn te zijn. Of hij gaat er bij voorbaat al van uit dat het niet zal lukken een bed te vinden en zoekt daarom toch een slaapplaats buiten. Voor iemand met zijn gestel kan dat fataal zijn. Hij luistert wel naar zijn contactpersoon Joost, maar antwoordt steeds geïrriteerder op iedere vraag. Joost weet hoe dat komt. “Hij hoort al zoveel stemmen in zijn hoofd, dat iedere stem erbij tot nog meer geraas leidt.”

Voor Hendrik kan het team niet veel doen, behalve zoals nu hem opzoeken bij de dagopvang en hem in de gaten houden.

Voor mevrouw Versluis hoeft het team niet veel meer te doen. Deze alcoholverslaafde vrouw had hoge schulden gemaakt. Het zorgcoördinatieteam zorgde ervoor dat haar schulden gesaneerd werden en greep in wanneer ze weer eens laveloos in de goot lag.

Op een gegeven moment reageerde ze niet meer op de initiatieven van het team. Na een tijdje blijkt waarom: ze heeft een man ontmoet die voor haar wil zorgen en ze gaat met hem trouwen. Mevrouw Versluis heeft een afscheidsgesprek aangevraagd en wil uitgeschreven worden uit het klantenbestand van het zorgcoördinatieteam. Zo kan het ook gaan. Een ongekend happy end. Maar het team is er niet helemaal gerust op. “Als er met die man iets gebeurt komt ze weer bij de hulpverlening.”

Een aantal cliënten van het zorgcoördinatieteam woont thuis, gewoon in een huurhuis. Een van hen is Fabian, en zoals hij is er maar een, zegt zijn vaste contactpersoon veelbetekenend. We gaan op huisbezoek. Fabian weet dat er een journalist komt en dat blijkt een stimulerende invloed op hem te hebben. Een journalist is iemand die interviewt, zegt hij. “Scherp hé.”

Het is erg netjes in zijn kamer, alles ligt in het gelid. Pennen recht, boeken recht, de post recht, en drie mokken met de oren parallel aan de rand van het aanrecht. Fabian gaat koffie zetten. En als de koffie klaar is geeft hij iedereen precies evenveel melk en evenveel suiker als hij zelf gebruikt: een scheut en twee scheppen. Zijn rechtlijnigheid blijkt ook wanneer een pijnlijk punt ter sprake komt. Hij heeft tot voor kort iemand uit de straat lastiggevallen door steeds maar voor het raam te gaan staan. De enige manier om hem daarvan af te houden was, hem voor te houden dat hij voorwaardelijk was ontslagen en dat één van de afpraken met zijn behandelaar luidde: geen overlast. Zoaja, dan betekent dat weer gedwongen opname, weet Fabian. In de psychiatrische inrichting heeft hij al vijftien jaar van zijn leven doorgebracht, en voor hem is dat een schrikbeeld. Geen opname. Dus blijft hij weg bij het raam van zijn straatgenoot. Maar nu heeft hij een probleem. “Want dat ik er niet meer sta, dat kan ze niet zien.”

Hij heeft nog een ander probleem. Terwijl hij zijn smalle handen in elkaar wringt vraagt hij aan Hans den Houdijker, zijn contactpersoon: “Mijn rekening, daar kunnen ze toch niet aankomen hè.” Nee, zegt Hans. “Kan dat geen kwaad?” Nee, zegt Hans. Echt waar? Echt waar, zegt Hans. Echt waar? Echt waar, zegt Hans. Waarop Fabian weer de vraag over de rekening stelt. Dat refrein klinkt nog vele malen. Fabian, die zwakbegaafd is en ook een psychiatrische aandoening heeft, kan dat echt dagenlang volhouden, vertelt Hans achteraf. Als je al niet gek bent, dan word je dat wel van hem. Fabian is vaak in paniek. Dan slaat hij, zo tenger als hij is, alles kort en klein. Zijn stereo-installatie, zijn kast, zijn fototoestel. Dat is moeilijk voor te stellen als je zijn smalle handen ziet. Er is daarom een rechterlijke machtiging, zodat Fabian in geval van nood opgenomen kan worden. Daags na zo'n uitbarsting koopt hij alles weer nieuw. Maar nu heeft hij geleerd om dat eerst met zijn contactpersoon te bespreken. “Wacht nog een maand. Eerst nieuwe vloerbedekking, dan zit je er netjes bij. En vergeet niet te douchen en te scheren.”

De laatste bezoeker van vandaag is mevrouw Van Gelder. Anders dan de meeste andere klanten van het zorgcoördinatieteam leeft ze niet alleen. Ze woont met twee familieleden samen maar daarin schuilt voor een deel het probleem. De drie houden elkaar in de tang. De een is psychotisch, de ander drugsverslaafd. De derde mankeert eigenlijk niets, behalve dat ze ondervoed is omdat haar huisgenoten haar wekenlang alleen koffiemelk gevoerd hebben. Toch blijkt na ontwarring van de sociale knoop die de drie huisgenoten samen in elkaar hebben gezet dat juist de gezondste voor de meeste ellende zorgt. In het plan van zorgcoördinatieteam moet zij daarom snel het huis uit. Eerst naar het ziekenhuis om wat aan te sterken, en daarna naar een verzorgingshuis.

Het 'gezin' Van Gelder was aangemeld door de Riagg en de GGD. Aanbellen had geen effect, niemand deed de deur open. Na enige tijd kreeg het zorgcoördinatieteam toch contact en kon Jan Ravestein het huis binnen. “Het maakt altijd weer grote indruk op mij, zo'n ernstig vervuild huis.”

Des te komischer is het dat een van de huisgenoten last van smetvrees heeft. Ze geeft Jan regelmatig een standje omdat ie niet netjes zit.

Het team regelt dat het drugsgebruikende gezinslid via de GG en GD naar verslavingszorg gaat. Dan blijft er nog een over en die kan gewoon thuis blijven. Het team vraagt haar om regelmatig langs te komen en dat doet ze ook.

Dat winnen van het vertrouwen lukt niet altijd. Een van de klanten verwijt het zorgcoördinatieteam, onder éen hoedje te spelen met de woningbouwvereniging. Bij ieder bezoek wordt hij agressiever. Hij heeft ooit brand gesticht in zijn woning, is schizofreen en kan alleen een huis krijgen als hij zich onder behandeling stelt, via de polikliniek of via de Riagg. Dat weigert hij al drie jaar. “We kunnen hem niet de zorg in krijgen”, stelt Jan Ravestein vast. Het verwijt dat het team partijdig is, is misschien niet helemaal onterecht, vindt de vaste contactpersoon van deze jongen. “Het net sluit zich om hem.”

“We zijn nu drie jaar met hem in de marge bezig. Het wordt tijd om een steviger positie in te nemen,” vindt Jan Ravestein. “Laten we in ieder geval met zijn tweeën zijn als hij de volgende keer komt, want hij is wel steeds bedreigender.”

Dan gaat de telefoon. De man die vanochtend te dronken was om de deur open te doen belt nu op. “Ik wil geen hulp meer van het zorgcoördinatieteam. Jullie kunnen niets meer voor mij doen. De stank van mijn lijk zal hevig zijn.”

“Meneer, wat wilt u dat we voor u doen”, vraagt contactpersoon Joost.

“Meneer, dat is een verstandige vraag.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden