Wachten tot vader thuiskomt

China en Japan tellen talloze oorlogsdoden die op buitenlandse slagvelden sneuvelden. Familieleden zoeken vaak jarenlang wanhopig naar hun resten. Afgelopen weekend gaf Zuid-Korea de stoffelijke overschotten terug van 425 Chinese soldaten.

CHANGCHUN - Zijn hele kindertijd keek Liu Zhongxin uit naar mannen met legergroene jassen. "Als ik iets groens op straat zag, maakte mijn hart een sprongetje. Dat is hem, nu komt mijn vader eindelijk thuis." Zijn vader vocht als Chinese vrijwilliger met de Noord-Koreaanse troepen tegen de Amerikanen. De Korea-oorlog duurde van 1950 tot 1953. Liu kent zijn vader alleen maar van een foto.

Na ontelbare teleurstellingen - in de jaren vijftig liepen er veel mannen met legerjassen door zijn buurt - hoorde hij volwassen familieleden fluisteren over een martelaarscertificaat. Die overlijdensverklaring omzoomd door rode vlaggen sloeg zijn jongensdromen stuk. "Ik fantaseerde natuurlijk dat hij was gevlucht en nog ergens in leven was, maar dat martelaarscertificaat was duidelijk: hij was dood."

De inmiddels vergeelde papieren vermelden de naam van zijn vaders bataljon en een Koreaanse plaatsnaam, die niemand iets zei. Daarmee begon zijn zoektocht naar het lichaam van zijn vader. Elke bibliotheek ploegde Liu, leraar op een middelbare school in de Noord-oost-Chinese industriestad Changchun, door op zoek naar aanwijzingen.

Van de 2,9 miljoen Chinese soldaten in Korea kwam meer dan 180.000 man niet thuis - volgens westerse opgave sneuvelden er zelfs 400.000 Chinezen. Een naald in een hooiberg is sneller gevonden dan dat ene lichaam van die ene man, maar Liu is iemand die leeft van de kleinste sprankjes hoop. Anderhalf jaar geleden vond hij op Google Earth de locatie van die Koreaanse plaatsnaam. Aan een snelweg door Zuid-Korea zag hij met eigen ogen de bergen en de rivier die zijn vader in zijn laatste levensdagen ook moet hebben gezien.

"Bij het monument voor de slag waar de Amerikaanse en Zuid-Koreaanse gesneuvelden worden herdacht, stond een bloemenstalletje. Daar heb ik lopen ijsberen: hoeveel bloemen zou ik kopen? Het werden er 62, witte chrysanten, een voor elk jaar dat ik hem zocht. Van huis had ik een flesje sterke drank meegenomen en dat schonk ik uit op de grond. Ik knielde neer en riep zijn naam. Hij heeft zo lang moeten wachten, maar als zijn geest het hoort, reist die misschien met me mee naar huis."

De Korea-oorlog is ruim zestig jaar geleden, maar officieel is de vrede nooit getekend. Noord-Korea 'vergeet' liever de Chinese bijstand in de strijd tegen de Verenigde Staten, laat staan dat Pyongyang onderzoek, opgravingen en repatriëringen toestaat. Pas in 2009 werden enkele Noord-Koreaanse begraafplaatsen met Chinese gesneuvelden opengesteld voor bezoek en in 2011 mochten Chinese overheidsinstanties langskomen om over een bijdrage aan het achterstallig onderhoud van oorlogsgraven te praten.

Hartelijk
Met Zuid-Korea zit de vaart er in. De betrekkingen tussen Peking en Seoul zijn tegenwoordig zo hartelijk, dat beide landen zelfs overeenstemming bereikten om Chinese oorlogsdoden te repatriëren. Afgelopen weekend gaf Zuid-Korea de stoffelijke overschotten terug van 425 Chinese soldaten, begraven in een hoekje voor 'vijandige soldaten' op het oorlogskerkhof van Paju. China moest eerst beloven de botten en schedels bij te zetten in een apart mausoleum, in plaats van het bestaande oorlogskerkhof voor gevallenen uit de 'Verzetsoorlog tegen de Verenigde Staten', zoals Chinezen het Koude-Oorlogsconflict noemen. Die naam ligt voor de Koreanen te gevoelig.

Chinese soldaten vochten ook tegen de Verenigde Staten in Laos, Vietnam en in de Tweede Wereldoorlog tegen Japanse troepen in Burma. Peking maakt tegenwoordig ook werk van het onderhouden van die oorlogsgraven en het repatriëren van gesneuvelden. Deze aandacht voor oorlogsdoden is nieuw: tot 2006 ontmoedigde de staat zelfs nabestaanden oorlogsgraven in het buitenland te bezoeken.

De Chinese traditie schrijft voorouderverering voor, onder meer tijdens het jaarlijkse Festival van Helder Licht, wanneer families de graven van hun overledenen schoonmaken. Volgens betrokken ambtenaren doen veteranen en familieleden echter meer dan een bloemetje op een oorlogsgraf zetten: ze nemen spandoeken mee met slogans zoals 'Verzet tegen de Verenigde Staten' en daarmee lokken ze 'internationale incidenten' uit, aldus de overheid. Ze herinneren in elk geval aan een tijdperk waarin China actief aan 'export van revolutionaire ideologie' deed, iets wat Peking heeft afgezworen toen het land eind jaren zeventig uit zijn internationale schulp kroop en contact met de buurlanden en het Westen zocht.

Liggen oorlogsdoden in alle culturen gevoelig, in het Aziatische collectieve geheugen worden oorlogen van vele decennia geleden beleefd alsof ze gisteren plaatsvonden. Te veel eerbewijs voor Chinese gevallenen valt verkeerd in de buurlanden, toch al nerveus over China's toenemende ambities in de regio. China heeft ook binnenlandse motieven om niet te veel aandacht aan de conflicten uit het verleden te besteden. Zo waren de gevallenen die in Burma vochten geen goede communisten, maar soldaten van de Nationalistische legers. China was destijds een republiek onder leiding van de Kuomintang, de vijand van Mao's Rode Leger, dus die doden thuisbrengen is eerbewijs voor de 'verkeerde kant'.

De overheid regisseert tot in de puntjes hoe hoog de nationalistische emoties rond oorlogsdoden mogen oplopen. In Chinese propaganda is slechts ruimte voor de oorlog tegen de Japanse bezetter en de burgeroorlog tegen de Kuomintang. Andere conflicten zijn ondergesneeuwd door een permanente stroom van oorlogsfilms, militaire analyses en andere propaganda die vooral de haat tegen Japan levend houdt. De Korea-veteranen zijn een vergeten groep.

"Toen ik laatst in het ziekenhuis was en aan de verpleegster vertelde dat ik in Korea had gevochten, zei dat haar niets; ze had geen idee waarom wij destijds vochten tegen het Amerikaanse imperialisme. De jeugd van tegenwoordig wordt niet patriottisch opgevoed, laat staan dat ze voor hun land naar een oorlog durven gaan."

Aan het woord is Wang Fenghe, oud-Korea-strijder. Hij loopt tegen de negentig. Met zijn legervriend Su Wensheng haalt hij herinneringen op. De bejaarden bekijken elkaars medailles; Wang heeft nog een lepel en een emaille mok met het opschrift 'voor onze allerliefste strijders'.

Soldatenliedjes
Zoals de meeste veteranen zijn ze van boerenafkomst. Ze krijgen een schrale toeslag op hun pensioentjes wegens hun inzet in de oorlog. Su woont bij zijn oudste zoon. Hij slijt zijn dagen op een verwarmd bed, waar hij soldatenliedjes speelt op de mondharmonica en televisie kijkt met zijn schoondochter. In iets anders dan oorlogsfilms is hij niet geïnteresseerd. Hoe ouder hij wordt, des te scherper worden de gevechtsherinneringen, vertelt hij. "Ik hoor die bommen weer vallen. Mensen, bomen, hele heuvels spatten dan in een vuurzee uiteen. Voor de doden kon je weinig doen. Je moest maken dat je wegkwam. Als we iemand konden begraven, was dat heel wat, meestal was er weinig van over."

Op legerreünies vinden Wang en Su nog steeds doodgewaande vrienden terug. "Je raakte je makkers kwijt in de rook van het slagveld en je hebt geen idee of ze nog leven." Van dat soort bijeenkomsten kennen ze Liu Zhongxin, die de oude mannetjes als een soort vervangende vaders ziet. Alle betrokkenen zien reikhalzend uit naar de repatriëring van de stoffelijke overschotten, maar officieel zijn ze er niet van op de hoogte gesteld, laat staan dat ze uitgenodigd zijn voor de ceremonie.

Voor de Chinese overheid is de herbegrafenis van oorlogsdoden een staatszaak: welke Politburoleden aanwezig zijn, is al lang geregeld. Nabestaanden dienen nu aan de lopende band verzoekschriften bij overheidsinstanties in voor DNA-onderzoek op de stoffelijke overschotten. Ze hebben nog geen antwoord gekregen, zegt Liu: "De droom van elke martelaarsfamilie is het stoffelijk overschot vinden van hun soldaat. DNA-onderzoek is de eerste stap naar identificatie."

Zijn moeder, de oorlogsweduwe, is bijna honderd. Fysiek fragiel, maar nog helder van geest: ze vraagt Liu regelmatig hoe ver hij is met zijn speurtocht. De laatste reis naar Zuid-Korea heeft nieuwe hoop gegeven. Precies op de plaats waar zijn vader is gesneuveld, vertelden Zuid-Koreanen hem dat er indertijd een lijk van een Chinese soldaat is gevonden, dat naar het Koreaanse oorlogskerkhof Paju is overgebracht.

En uitgerekend van dat oorlogskerkhof komen nu de 425 onbekende Chinese soldaten die worden gerepatrieerd. De kans is klein, weet hij, maar bij de gedachte alleen al wordt Liu's hart warm. Zo dichtbij is zijn vader nog nooit geweest.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden