WACHTEN OP DE GROTE AFREKENING

Na dertig jaar Nieuwe Orde in Indonesië wordt in en buiten Jakarta driftig gespeculeerd over het heden en de toekomst. Kan dit politiek-economische machtssysteem overleven, ook na president Soeharto, zijn grondlegger? Komt er een bloedige machtsstrijd in Javaanse stijl? Of verrast Soeharto met een door hem geregisseerd koningsdrama over zijn opvolging, waarin de rol van Megawati, de dochter van Soekarno, al is uitgespeeld? De auteur is antropoloog en hoofddocent aan de Universiteit van Twente.

De geruchtenstroom van nu betreft allerlei verklaringen over 'Sabtu Kelabu', Asgrauwe Zaterdag, toen bij een bloedige aanval in de vroege ochtend van 27 juli dit jaar het kantoor van de PDI, de Nationaal Democratische Partij, werd veroverd op aanhangers van de voorzitter van die partij, Megawati Soekarnoputri. Die hadden zich daar verschanst omdat zij weigerden te accepteren dat de regering Megawati een maand eerder uit haar functie had gezet. Maar die geruchtenstroom betreft ook alle mogelijke gebeurtenissen die zouden passen binnen de talrijke scenario's over het post-Soeharto tijdperk.

Praat dezer dagen in Jakarta met 10 tot 15 politieke analysten en je krijgt evenzovele visies en scenario's voorgeschoteld. Het drama van Asgrauwe Zaterdag valt echter wel goed te plaatsen in de context van de politiek-economische ontwikkelingen van de Nieuwe Orde van Soeharto. Zevenentwintig juli kan dan gezien worden als een van de episodes van een politiek machtsspel dat haast wel moet uitmonden in een bloedbad. Het vormt een bloedige schakel in een lange reeks van gewelddadigheden, zoals de Malari-affaire in 1974, Tanjung Priok in 1984, Zuid-Lampong in 1989 en het bloedbad op de begraafplaats Santa Cruz in Dili, de hoofdstad van Oost-Timor in 1991. Een reeks waarvan velen nu vrezen dat die zal uitlopen op de Grote Afrekening als Soeharto de controle over de eigen dynamiek van de gebeurtenissen verliest.

Tot voor enkele jaren was het in Indonesië een taboe de onvermijdelijke machtswisseling van president Soeharto (hij is immers al 75 jaar) in het perspectief te plaatsen van de machtsovername door Soeharto van het presidentschap van Soekarno op 30 september 1965. Als gevolg van die machtswisseling zijn in de jaren zestig meer dan 500 000 mensen omgekomen. Tot voor kort gold voor een ieder, ook voor de radicaalste oppositie: “Dat nooit weer!” Nu wordt - en niet door de geringsten: vooraanstaande religieuze leiders, hoge militairen, intellectuelen en kunstenaars - openlijk gezegd: “Als het niet anders kan, ja, dan maar met geweld.” En iedereen die dat verzucht, beseft tegelijk dat het bloedbad van '65-'68 dan misschien nog wel wordt overtroffen. De frustraties over Soeharto's machtswillekeur en vooral over de vele nog niet vereffende afrekeningen liggen na 30 jaar Nieuwe Orde hoog opgestapeld.

Zo'n verwijzing naar een gewelddadige ontlading wordt dan vaak in verband gebracht met de Javaanse geschiedenis waarin machtswisselingen ook altijd met geweld gepaard zouden zijn gegaan: de nieuwe vorst moest zijn machtspositie afdwingen door tijdig de macht naar zich toe te trekken en trachten de nog zittende vorst en zijn rivalen uit te schakelen; of, eenmaal door erfrecht op de troon gezeten, zich desnoods met geweld ontdoen van potentiële tegenstanders.

Beide mogelijkheden beheersen ook nu de discussies over het onherroepelijk naderend einde van het Soeharto-tijdperk. Temidden van de vele gissingen en interpretaties zijn een paar patronen te onderkennen. Dertig jaar Nieuwe Orde van Soeharto heeft het bankroete Indonesië dat Soekarno naliet, tot een van de nieuwe 'economische tijgers' gemaakt. Maar tegelijkertijd is grote sociale ongelijkheid ontstaan, en die vormt de achilleshiel van Soeharto's macht.

Om dertig jaar aan de macht te kunnen blijven, heeft hij veel vijanden gemaakt. Niet alleen onder zijn talrijke directe slachtoffers, maar ook onder vroegere naaste medewerkers. Die laatsten hebben zich nu tegen hem gekeerd, uit frustratie omdat de kans op eigen macht voor hen verkeken leek of uit oprechte zorg dat de te grote politiek-economische machtsconcentratie van de Soeharto-familie de Nieuwe Orde als systeem in gevaar brengt, en daarmee de gehele Indonesische samenleving naar de rand van de afgrond leidt.

Sinds de laatste tien jaar heeft het Soeharto-zakenimperium verreweg het meest geprofiteerd van de economische ontwikkeling. Hoewel er officieel vanaf 1984 naar wordt gestreefd de economische sector van te veel staatsbemoeienis te ontdoen, worden de belangen van het Soeharto familie-imperium stelselmatig ontzien. Anno 1996 zijn monopolieposities en voorkeursbehandelingen voorbehouden aan, of zelfs speciaal gecreëerd voor De Familie. Dat leidt niet alleen tot kritiek, maar ook tot ruzie tussen de familieleden over toekenning van gunsten.

Kritiek op de onevenredige bevoorrechting van Soeharto's familie kwam eind jaren tachtig ook uit het leger, dat samen met de staatsbureaucratie het belangrijkste machtsinstrument vormt van de Nieuwe Orde. Om zich te wapenen tegen een mogelijke aanval vanuit het leger, nam Soeharto in essentie twee maatregelen. Allereerst koos hij, in afwijking tot de eerste 25 jaar van zijn regeerperiode, voor 'de islam' als politieke bondgenoot. Hij gaf een nieuwe generatie islamitische intellectuelen de kans een grotere rol te spelen binnen de politiek-economische arena van Indonesië en het leger, tot frustratie van katholieken en protestanten.

De tweede maatregel die Soeharto nam, is veelvuldig alleen die hoge officieren bevorderen die in de eerste plaats loyaal zijn jegens hem. Een voorbeeld is de komeetachtige carrière van zijn schoonzoon Prabowo, die inmiddels tot generaal-majoor is benoemd terwijl lichtinggenoten van hem nog kolonel zijn. Doordat Soeharto bovendien ook islamitische officieren koestert, dreigt het leger zijn imago van nationaal instituut dat boven alle (religieuze) partijen behoort te staan, te verliezen.

Dit afwijken door Soeharto van de spelregels waarop de Nieuwe Orde is gebaseerd, wordt in Jakarta geïnterpreteerd als zijn strategie om zijn familiebelangen - over zijn graf heen - veilig te stellen. Maar het wordt vooral ook gezien als de grootste bedreiging voor de continuïteit van de Nieuwe Orde als politiek-economisch machtssysteem in het post-Soeharto tijdperk, omdat de president de aloude steunpilaren van zich vervreemdt.

In principe zal Soeharto proberen zijn successie zoveel mogelijk te laten verlopen volgens de door hem ingestelde wetten die de nationale verkiezingen en de benoeming van de president regelen. Dat wil zeggen dat de regeringspartij, de Golkar, de nationale verkiezingen in juli 1997 met ruime meerderheid moet winnen, om vervolgens een kandidaat voor het presidentschap voor te dragen conform de wensen van Soeharto.

Op dit moment lijkt de verkiezingsoverwinning van de Golkar geen gevaar te lopen. De vraag is echter of het overwicht in stemmen zal afnemen ten opzichte van 1992, toen een verlies van 5 procent al als gezichtsverlies werd ervaren, of dat juist het overwicht versterkt zal blijken te zijn. In dit verband werd de stijgende populariteit van de dochter van de eerste president van Indonesië, Megawati Soekarnoputri, als een geducht gevaar gezien. Vandaar dat zij van het politieke toneel moest verdwijnen.

Of op instigatie van Soeharto zelf, of op initiatief van bepaalde naaste medewerkers die hiermee hun loyaliteit aan hem meenden te demonstreren en daardoor hun positie ten opzichte van hun rivalen in de directe omgeving van de president versterkend, werd op 20 juni in een bijzonder partijcongres van de PDI in Medan, Noord-Sumatra, Megawati uit haar functie als voorzitter ontheven en werd zij vervangen door haar voorganger, Surjadi, een vooraanstaand lid van de generatie '66, de jongeren- en studentengeneratie die vóór Soeharto en tegen Soekarno demonstreerden tijdens de periode van de grote machtswisseling in het midden van de jaren zestig.

Wie ook het plan tot deze wisseling van voorzitter heeft bedacht, de gebeurtenissen na het Medan-congres van 20 juni duiden erop dat de weerstand van de aanhangers van Megawati groter bleek dan ooit werd verwacht op grond van de politieke verhoudingen binnen de Nieuwe Orde tot dusver. Met impliciete steun van tal van regionale militaire commandanten verzette die aanhang zich tegen de uitkomst van het congres in Medan. Zij gingen er zelfs toe over, het hoofdkantoor van de partij in Jakarta te bezetten als teken van de onrechtmatigheid van het Medan-congres en om te voorkomen dat Surjadi over de partijadministratie kon beschikken.

Dit demonstratieve verzet van de Megawati-PDI midden in het machtscentrum van de hoofdstad werd door tal van organisaties, waaronder radicale studentengroepen, aangegrepen om hun felle kritiek op het systeem van de Nieuwe Orde te uiten. Deze kritiek kreeg steeds meer weerklank onder de bevolking. Het prestige van de plannenmakers achter de 'Surjadi-coup' werd hierdoor ernstig aangetast. Tenslotte werd op 27 juli door bepaalde groepen binnen het leger met harde hand het verzet in het PDI-kantoor gebroken. Het ligt voor de hand te veronderstellen dat deze groepen behoren tot de plannenmakers achter Surjadi, maar de zaak ligt zo complex en de ontwikkelingen in die weken waren zo verwarrend, dat die veronderstelling niet op voorhand waar hoeft te zijn. Tegenstanders kunnen, onder het mom van die veronderstelling, hun slag hebben proberen te maken.

Wat zich voor en tussen 20 juni en 27 juli ook heeft afgespeeld, en welke wreedheden zich op de 27ste en de dagen erna precies hebben plaatsgevonden, zal in de toekomst nog nader bekend moeten worden. Duidelijk is echter wel dat de oppositie, zoals die zich leek af te tekenen in de vier weken van uitzonderlijke openheid waarin de kritiek zich onbeperkt kon uiten, voor de eerstkomende tijd, en zeer waarschijnlijk tot en met de nationale verkiezingen van juli volgend jaar, aanzienlijk aan kracht heeft verloren als die al niet geheel, bovengronds, monddood is gemaakt.

Met de PDI onder Surjadi is een landslide-overwinning van de Golkar zeer wel denkbaar en zal de presidentskandidaat waarmee die partij dan na de verkiezingen naar buiten treedt, unaniem worden gesteund. Een scenario dat zeer goed past bij de strategie van Soeharto om zijn familiebelangen veilig te stellen.

Een optie die door vrijwel iedereen als meest waarschijnlijk wordt gezien, is dat Soeharto zichzelf weer laat herbenoemen. De keuze van een vice-president wordt dan des te belangrijker, gezien Soeharto's leeftijd (geboren in '21) en kwalen. Vrijwel iedereen, in en buiten Jakarta, lijkt zich daarom ook met de vraag bezig te houden: wie wordt de nieuwe vice-president?

Maar het is ook goed denkbaar dat Soeharto na een eclatante overwinning van de Golkar een van zijn vertrouwelingen uit het leger, of mogelijk zelfs een van zijn eigen kinderen naar voren laat schuiven voor het presidentschap. Hij zou dan zelf op de achtergrond 'meesturen' om de overgang soepel te laten verlopen. Een strategie die door oud-premier Lee van Singapore enkele jaren geleden met succes is toegepast.

Zowel in het scenario van de nieuwe vice-president als in dat van een directe vervanger lijkt het, zolang Soeharto het zelf kan regelen, te gaan om een Shakespeariaans koningsdrama over een troonsopvolging waarin binnen de familie gestreden zal worden om de ereplaats. Immers, de immense familiebelangen, sommige schattingen spreken van een veelvoud van de rijkdom die oud-president Marcos van de Filipijnen had vergaard (zo'n 10 miljard dollar), zijn alleen veilig te stellen als Soeharto binnen de kring van verwanten naar een opvolger zoekt.

De president heeft zes kinderen, drie zonen en drie dochters. De drie zonen komen vrijwel zeker niet in aanmerking voor een politieke rol. Niet alleen omdat zij geen militaire loopbaan hebben gekozen, maar vooral omdat zij zich op zakelijk terrein eigenlijk alleen dankzij hun achternaam hebben kunnen ontplooien en geen leiderschapskwaliteiten hebben getoond.

Dit in tegenstelling tot hun zuster, die bekend staat als Mbak (zus) Tutut. Zij heeft bewezen een bekwaam manager te zijn en bovenal speelt zij al ruim tien jaar een prominente publieke rol, die na het overlijden van haar moeder, dit voorjaar, alleen nog maar is toegenomen.

Vanaf midden jaren tachtig profileert zij zich als een vrome moslim, onder meer door in het openbaar consequent een sluier te dragen. Maar nog belangrijker dan al die kwaliteiten is haar politieke machtspositie binnen de staatspartij, de Golkar, en daarmee haar invloed op een belangrijk deel van het parlement, dat straks in 1998 de nieuwe president moet benoemen.

Daarnaast onderhoudt zij nauwe en goede contacten met de bevelhebber van de landmacht, generaal Hartono. Van hem is bekend dat hij ambitieus is en mogelijk beschouwt Soeharto hem als een potentiële rivaal. In dat geval zal hij hem tijdig met pensioen sturen.

Maar hij kan generaal Hartono ook zien als de juiste figuur die vanuit het leger de burger Tutut de noodzakelijke rugdekking moet verlenen. In dat geval zal Hartono op tijd tot opperbevelhebber van alle strijdkrachten zijn bevorderd. Een positie die nu nog wordt ingenomen door generaal Feisal Tanjung.

Binnen deze optie past het ook heel goed dat Megawati Soekarnoputri tijdig het veld moest ruimen om de mogelijkheid van een competitie tussen twee presidentsdochters te voorkomen. Dit scenario houdt echter geen rekening met de zeer grote en duidelijk vertoonde ambitie van de echtgenoot van Soeharto's tweede dochter, de reeds eerder genoemde generaal-majoor Prabowo. Deze zoon van de beroemde econoom en architect van het economisch wonder van de Nieuwe Orde, professor Sumitro, heeft met duidelijke instemming van Soeharto niet alleen een bliksemcarrière gemaakt (op 42 jaar generaal-majoor), maar is bovendien de op één na hoogste in rang van het Korps Speciale Troepen, de Indonesische variant van onze luchtmobiele brigade. Een keurkorps dat de eigenlijke machtskern van de strijdkrachten vormt, zo ongeveer als de Republikeinse Garde van Saddam Hoessein in Irak.

Als Soeharto verder mee zou willen gaan met de ambitie van Prabowo, dan kan hij in maart 1998, het moment dat de presidentsbenoeming plaats moet vinden, inmiddels bevorderd zijn tot hoogste commandant van dit keurkorps in de rang van luitenant-generaal. Hij heeft dan ongeveer dezelfde leeftijd als Soeharto in 1965 die toen de macht naar zich toetrok en twee jaar later als overwinnaar uit een interne machtsstrijd te voorschijn trad.

Dat Soeharto zoveel mogelijk opties openhoudt, staat vast, maar hoe geduldig zijn zijn 'medespelers' en hoeveel initiatief nemen zij om zeker te zijn dat Soeharto zijn keuze voor haar of hem zal moeten maken? Vragen die voorlopig onbeantwoord moeten blijven. Maar ook vragen die voorbijgaan aan de meer autonome dynamiek binnen de Indonesische samenleving die als gevolg van dertig jaar Nieuwe Orde enorm snel is veranderd. In economische zin is er sprake van een opkomende middenklasse. Maar zal die zich tevreden laten stellen met meer economische groei en nauwelijks meer politieke rechten?

Een westers georiënteerde analyst zal geneigd zijn die vraag ontkennend te beantwoorden. Maar in Indonesië betwijfelen velen of er nu al sprake is van een voldoende grote, politiek-bewuste middenklasse die protest aantekent tegen het politieke keurslijf van de Nieuwe Orde. In dit verband is het veelzeggend dat het aanvankelijk massale protest op Asgrauwe Zaterdag (volgens schattingen vijf- tot tienduizend mensen) geen vervolg kreeg in de dagen daarna. Een belangrijke verklaring hiervoor zou zijn dat de seculiere PDI onder leiding van Megawati, anno 1996, nog niet op de massale steun kon rekenen van de NU (Nahdatul Ulama), de gematigde islamitische beweging onder leiding van Kiyayi Abdurrachman Wahid. En kennelijk ook niet op de (kleine) ondernemers, gelieerd aan andere islamitische organisaties die in Megawati's charisma als dochter van president Soekarno geen garanties zien voor hun materiële belangen. Maar hoe ligt dat in de toekomst? Over één of twee jaar?

Al deze meer sociaal-politieke vragen vereisen verdere analyse maar leiden tot een uitkomst waarbij Soeharto's rol, die nu nog onaantastbaar lijkt, wordt teruggebracht tot een van de factoren, en mogelijk zelfs van ondergeschikt belang. Hoewel op dit moment - met uitzondering van Wahid als voorzitter van de NU - nationaal leiderschap buiten het bestel van de Nieuwe Orde lijkt te ontbreken, wordt in Jakarta erop gewezen dat de seculiere, nationalistische democratische krachten groeien als padi-in-de-stilte. Hiermee wordt dan gedoeld op de kracht van de nationalistische beweging, die niet werd opgemerkt door de Nederlanders in de koloniale tijd.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden