Waarom we ons hechten aan een land

Beeld Kwennie Cheng

Bent u gehecht aan een land? Letter & Geest vraagt het vijf mensen die zijn teruggekeerd naar Nederland.

'Die vrijheid gun ik mijn kinderen'

Journalist en schrijver Erdal Balci (Ardahan, 1969) was Turkije-correspondent voor Trouw

In Nederland ben ik opgegroeid, maar ik wist niet goed wat het beste bij me paste: Turkije of Nederland? Hoe zou het dáár zijn? Ik dacht dat de mens een tomaat was, die naar de zon trekt, met een hang naar gezelligheid en warmte.

Gelukkig heb ik 16 jaar kunnen beproeven hoe het leven in Turkije is. Toch bleef Nederland trekken. Via sociale media onderhield ik mijn contacten, en ik had boeken bij me, westerse literatuur en filosofie – dat lezen was nodig, want een gesprek op niveau kun je daar nauwelijks voeren.

Ik verlangde terug naar de Nederlandse mens. Die is gepolijst door een glasslijper, waarschijnlijk de belangrijkste Europeaan van de laatste eeuwen: Spinoza. Nederland kent de Verlichting, haar ideeën hebben het karakter van de burgers gevormd. Zelfs met het simpelste volk kun je een fatsoenlijk gesprek voeren, want de rede is hier, ze denken logischer dan in het Midden-Oosten, ze kennen een ongekende harmonie.

Turkse en Marokkaanse Nederlanders die naar het land van herkomst van hun (groot) ouders verhuizen, redden het er vaak niet, want ze missen die rust; de Nederlandse cultuur zit dieper in hen dan ze beseffen.

Dat Nederland gepolariseerd zou zijn, is onzin. Ja, er zijn tegenstelde opvattingen, je hebt kranten waar de kwaliteit van af spat, maar polarisatie? Welnee, dat is iets totaal anders dan in Turkije. Daar heerst de twist, in families, tussen alevieten en soennieten en Koerden, het is een sektarisch conflict waardoor niemand de ander nog op andere gedachten weet te brengen. Terwijl ik om me heen hoor ‘ik stemde de vorige keer op GroenLinks, maar dat wordt straks de VVD’. In kruitvat Turkije zul je zoiets nooit horen.

Ik was al van plan om terug te komen uit Turkije, zeker toen mijn oudste dochter zei: ‘Pap, je moet ons het Westen gunnen.’ Ze had gelijk, dat merkte ik ook toen mijn andere dochter ziek werd: wat een liefde hebben we ondervonden in het Hollandse ziekenhuis.

Begrippen als identiteit en bloedbanden zeggen mij niks, kleur ook niet. Dat heb ik moeten leren, twintig jaar geleden zag ik dat niet zo.

Nu zie ik wat vrijheid doet. Weet u nog, dat doelpunt van Marco van Basten tegen Rusland, die magistrale volley in 1988? Dat is vrucht van eeuwen vrijheid, een Turk of een Rus had die bal teruggelegd, netjes zoals het hoort, en ’m niet zomaar in de kruising gejaagd. Die vrijheid, daar ben ik aan gehecht, en die gun ik mijn kinderen.

Nu weet ik dat ik geen tomaat ben, maar de warmte heb ik wel gevonden. Het mooiste uitzicht is niet dat op de Bosporus, maar op de Nederlandse huiskamer, waar de zon schijnt, van binnen naar buiten, door de gordijnloze ramen.

Tekst gaat verder onder de afbeelding

Beeld Kwennie Cheng

'Waar ik ook ben, de hemel is van mij'

Carolien Omidi-Damen (Deventer, 1972) was Iran-correspondent voor Trouw

Het was vooral uit een hang naar avontuur dat we in 2000 naar Iran verhuisden: m’n Iraanse man, ons baby’tje van 8 maanden en ik. Ik zag mijn kans schoon journalist te worden – Iran had toen welgeteld één Nederlandse correspondent. Het land was optimistisch onder president Khatami, ik wilde schrijven over de enorme beweging die gaande was in dat gesloten land. Bovendien was mijn schoonmoeder net weduwe geworden, dus die kon wel wat gezelschap gebruiken. We wilden er een paar jaar blijven.

Voor mijn man ben ik moslim geworden, het is een mooi geloof waarin ik me kon vinden. Maar ik ben niet zo van de strikte variant.

Al word je nooit een van hen, de hartelijkheid was er groot. En als Nederlandse genoot ik van het goede imago van mijn moederland – ik zie er nogal Europees uit, had het dus beter getroffen dan mijn donkere Afrikaanse buurvrouw die werd nagewezen en uitgelachen. Geen pretje, dat racisme.

Wat in Nederland doodgewoon was, begon ik te waarderen. Teheran is enorm vervuild, Nederland heeft frisse lucht. En hier kun je met je honden wandelen zonder dat de politie ze van de straat haalt. Nu laat ik ze uit en waardeer ik dat. En het is hier georganiseerd, alles lóópt. Nadeel is dat Nederlanders wat zelfgenoegzaam zijn.

Naast mijn werk voor Trouw gaf ik les, verzorgde ik inburgeringscursussen voor huwelijksmigranten, vooral vrouwen, die naar Nederland wilden. Ik waarschuwde ze voor de Hollandse directheid die voor hen snel kwetsend is.

Die eerlijkheid, daar ben ik juist aan gehecht. Ik zeg niet dat alle Iraniërs liegen, maar het vertellen van de waarheid staat lager aangeschreven dan het redden van de familie-eer. In Iran heb je tarof, de omslachtige beleefdheidsvormen om vooral niemand voor het hoofd te stoten. Mooi hoor, maar zó vermoeiend, je weet nooit of iemand iets écht meent, of dat-ie een masker op heeft. Dan is zeggen wat je bedoelt toch een stuk beter.

Iran kent de grootste brain drain ter wereld, in onze omgeving vond men het raar dat we niet naar het Westen gingen. Nu zijn we er toch. Dat heeft onder meer te maken met onze oudste, die wilde gaan studeren, dan heb je in Nederland meer kansen. Wat meespeelt is dat ze een dochter is: in Iran zijn vrouwen en mannen voor de wet niet gelijk. Je gunt een vrouw toch dezelfde rechten?

Het is een verrijking, als je twee culturen in je draagt. Ik ben geen expat die een paar jaar ergens zit en dan weer doorgaat, Iran is deel van me geworden. Vergelijken is verleidelijk, maar dan denk ik aan een dichtregel van Sohrab Sepehri (1928-1980): Waar ik ook ben / laat ik daar zijn / de hemel is van mij.

De basis is voor iedereen gelijk, we kijken naar dezelfde hemel. Je bént, daar gaat het om. Ik stel me zo voor dat we de komende jaren in Deventer wonen en naar de hemel boven de IJssel kijken. En ons dan af en toe aan de Iraanse gaan warmen.

'Hier kun je anoniemer zijn, maar ik mis de geborgenheid van het eiland'

Janita Monna (Leeuwarden, 1971) recenseert poëzie voor Trouw

Noem me maar geen expat – terugkeerder past me beter. Met onze kinderen woonden we vijf jaar op Bonaire.

De emigratie viel me minder zwaar dan de remigratie; we gingen er voor enkele jaren heen, wisten dat we terug zouden komen, daar hadden we ons op ingesteld. Het vertrek van de Antillen was lastiger, want de kans dat dat géén definitief afscheid was, was klein. En we hadden daar toch aardig wortel geschoten. Nou ja, mijn oudste hebben we inmiddels tweemaal bruusk ontworteld, daar voel ik me bezwaard over. Maar het gaat goed, hier.

Vreemd, we komen uit Nederland, de taal is ons vertrouwd, maar het heeft wel een jaar geduurd eer we ons weer thuis voelden.

Wat ik mis aan Bonaire is de warmte van de mensen, ze groeten je op straat, toeteren als je stilstaat voor een kruising, terwijl ik hier, als ik met onze Bonairiaanse straathond Ginger door het park loop, mensen in hun kraag zie duiken voor ik ze passeer. Aan de andere kant: je kon daar nog niet even een winkel ingaan, of je moest een praatje maken. Maar ik voelde me er wel meer gezien, daar zouden we in Nederland wat van mogen overnemen, wat van die Bonairiaanse warmte.

Eigenlijk zouden bewindslieden die over de Antillen gaan, er een tijdje moeten wo¬nen. En als dat te veel gevraagd is: lees dan in ieder geval Arion, of Boeli van Leeuwen. Verplichte kost, waardoor je voelt wat er in de samenleving speelt.

De taal, het Nederlands, die speelt een opvallende rol. Op Bonaire heb ik goed Papiaments geleerd, dat is prettig.

Daar heb ik gemerkt hoe politiek een taal kan zijn. Het Nederlands is een schuldige taal, en zelfs als je Papiaments spreekt: ik heb een schuldige kleur. Al heb ik daar zelf geen schuld aan, ik blijf deel van het koloniale verleden, en dat speelde sterk op bij het uiteenvallen van de Nederlandse Antillen. Ik voelde dat ze dachten, ook al zeiden ze het niet: daar héb je weer zo’n Nederlander. En al hebben we er goeie vrienden gemaakt, je hoort er nooit echt helemaal bij, je blijft een makamba, dat levert een soort eenzaamheid op die anders is dan in het anoniemere Nederland.

Ik heb er iets opgedaan waar ik nog altijd wat aan heb: gemak van leven. Maak me niet zo gauw druk meer. Ben geduldiger geworden. Wat ik nu mis is de zee, of nee, meer nog de geborgenheid van het eiland. Maar het verlangen terug is een heimwee naar een voorgoed voorbije tijd. Het was geen tussentijd, de tijd is voortgeschreden, de kinderen zijn niet klein meer, en ik niet jong.

Tekst gaat verder onder de afbeelding

Beeld illustratie kwennie cheng

'Ze riep ‘dáág’ en ik dacht: wat een prachtig land is dit'

Ricardo Cuadros (Concepción de Chile, 1955) is schrijver

Het waren de jaren van Sturm und Drang – meisjes, drugs, muziek, literatuur – die abrupt stopten toen Pinochet in Chili de macht greep. Nog vijf jaar probeerde ik daar te leven, maar het ging niet meer, ik trok via Spanje naar Nederland, al wist ik niet goed waar dat lag.

Het was najaar 1978 , mijn eerste dag in Eindhoven. Ik zag een meisje een winkel uitlopen. Ze riep ‘dáág’ – zo lief en zoet, ik dacht: wat een prachtig land is dit. Ik was er verliefd op, niet zo gek ook, na die traumatische dictatuur die ik had leren kennen. Nederland zei tegen me: jongen, je bent welkom hier. Nederland is zo rustig, dat vond ik zó aantrekkelijk.

Maar ik was een balling, onder zoveel Chileense ballingen. Toch heb ik me bij hen nooit thuisgevoeld, ze leefden in het verleden, gestold in de tijd die gestopt was met die coup d’etat, terwijl ik de toekomst in wilde.

Bijna werd ik uitgezet, maar de rechter zei: als meneer zijn toelatingsexamen haalt en een beurs bemachtigt, dan mag-ie hier studeren. Dat lukte. Sinds 1986 heb ik een Nederlands paspoort en ik ben hier zelfs gepromoveerd.

Maar mijn wortels liggen daar. Ik schrijf Spaans, ben een Chileen, dus dacht ik: ik laad alles in een container en keer terug. Dat lukte, want het voldeed aan die enige droom die ik had: dat ik een plek zou verwerven in de literatuur daar, aan de universiteit. Toch liep ik er vast, ik was te veel Nederlander geworden. Het systeem daar nekte me. Ik kom uit een onderklassefamilie die zich had opgewerkt, maar ik voelde me nog altijd betrokken bij de armen. De revolutie van Allende had hun moed gegeven, Pinochet drukte dat de kop in, maar toen de democratie was hersteld, werd dat niet beter. De houding was, zoals mijn vrienden zeiden: het heeft geen zin, armen blijven tóch armen, Ricardo, vergeet het maar. Ik was er kapot van. Mijn vrouw zei: je bent te gevoelig hier, je huilt elke dag, als het niet om de armen is, dan wel om de straathonden. In 2000 gingen we weer naar Nederland, terugkeerders die terugkeerden. Raar hè?

Ik hecht hier aan het brave leven: je betaalt hier belasting, armoede heb je hier nauwelijks, je hoeft niet rijk te zijn om aan het culturele leven mee te doen en leeft verder je eigen leven, zonder al te veel sociale controle. Ik ben in Chili wel bekender als schrijver dan hier: ‘Een van onze grote schrijvers is een Nederlander’, hoorde ik eens. En als volgend jaar mijn nieuwe roman uitkomt, die in het Chili van mijn jeugd speelt, dan ga ik daar voor de promotie maanden wonen. Misschien wil ik wel vaker pendelen, maar ik vestig me er niet meer. Mijn gehechtheid aan Chili heb ik gered doordat ik er niet meer woon.

Nederland idealiseer ik niet, maar ik mag Amsterdam toch de perfecte stad vinden?

'Aan vrije journalistiek hecht ik, maar daar zet ik dat idee even opzij'

Kwennie (Qian Wen) Cheng (Venlo, 1989) illustreert onder meer voor Trouw

Het was gemakzucht van mijn omgeving, dat ze me Kwennie gingen noemen. Mijn Chinese naam Qian Wen, die vonden ze lastig uit te spreken, en die onthouden ze niet.

Vooraf had ik me dat niet gerealiseerd, maar toen ik ruim een half jaar in China woonde, vond ik het heerlijk om juist die naam te horen, de echte: Qian Wen, ze spreken het nog beter uit dan ik. Dáár was ik niet altijd ‘dat Chinese meisje’, maar ‘dat meisje met die rode jurk’. Ik was daar normaal, anoniem, als ik niks zei ging ik op in de massa.

Van huis uit spreek ik het dialect van waar mijn familie vandaan komt, Taizhou aan de oostkust van China, maar waar je elders niks aan hebt. Als tiener wilde ik er al heen, om Mandarijn te leren. Vorig jaar kwam het ervan. Ik huurde er een appartement, en draaide er mee in het alledaagse leven, boodschappen doen, beleven wat andere Chinezen doen van ’s morgens tot ’s avonds. Ik ontdekte dat ik in mijn jeugd in Venlo gewoontes had meegekregen die ik nooit als bijzonder had gezien – wij dippen thuis met eten alles in azijn – typisch Taizhou, ontdekte ik.

Natuurlijk ben ik een verwend westers meisje. Dat opgefokt raakt als ze bedenkt dat China een dictatuur is, en nogal corrupt. Ik had me voorgenomen er nooit aan mee te doen. Waar blijven anders je principes? Maar toen ik daar zat en een akte moest regelen, sloeg ik ook zelf aan het ritselen bij de notaris. Zo werkt dat daar en ik ben dat gaan begrijpen.

Ja, ik ben zeer principieel, hecht aan vrije journalistiek, maar daar verdiep ik me maar niet in, een beetje als een struisvogel. Want als je daar woont, dan is de vraag: belemmert dit mijn dagelijks leven? Nee? Nou, dan belemmert het mij ook niet en zet ik mijn ideeën daarover opzij.

Voor een tijdje dan.

Dat aan de andere kant van de wereld een land is waar ik me óók goed voel, is een bonus. Ik ben gehecht geraakt aan dat land, maar vestigen zal ik me er nooit; ik voel me meer thuis in Nederland. Waar alles goed geregeld is, en de sociale druk niet zo hoog. Hier is het individualisme misschien wel eens wat doorgeschoten, maar ik hecht aan de vrijheid. In China was ik nooit naar de kunstacademie gegaan. Mijn ouders, die mij graag aan een studie wilden hebben waar je een baan mee kon krijgen, waren zacht gezegd niet blij met mijn keus. Maar ik heb doorgezet – pure rebellie, die in China niet had gekund, daar had dat de familiereputatie geschaad.

Op mijn leeftijd – ik ben 28 – moet je toch aan trouwen denken, m’n ouders maken zich al wat zorgen. Mijn neven in China worden nu gematcht. Als m’n ouders dat zouden willen, zou ik ze uitlachen, ze weten ook dat ik er te koppig voor ben. Maar ze stellen het niet voor ook, hoor, want ze zijn zelf vernederlandst. Nee, dat noem ik niet verkaasd, maar: we zijn bananen geworden: geel van buiten, wit van binnen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden